Name: Ontvangkantoor Sint-Lambrechts-Woluwe (Overdracht 2024) \ Bureau de recette Woluwe-Saint-Lambert (Versement 2024)
Period: 1945-1986
Archive repository: State archives in Brussels (Forest)
Heading : Finance
Authors: Ciel VROMAN
Year of publication: 2025
Code of the inventory: I 103
Ministerie van Financiën. Administratie der Directe Belastingen. Ontvangkantoor van Sint-Lambrechts-Woluwe
Ministère des Finances. Administration des Contributions directes. Bureau de recette de Woluwe-Saint-Lambert
Op 10 oktober 1919 gaf de Kamer van Volksvertegenwoordigers zijn akkoord voor een volledige hervorming van het Belgische belastingstelsel. Ondanks hevige tegenstand binnen alle politieke partijen diende men door de zure appel te bijten. Geen enkele partij wilde zich in het woelige, naoorlogse politieke klimaat terugtrekken uit de regering van nationale eenheid. De financiële put die de Eerste Wereldoorlog had geslagen, moest worden gevuld. De regering slaagde er verbazingwekkend genoeg in om kort voor de verkiezingen in november 1919 haar wetsontwerp door Kamer en Senaat te loodsen. Een belasting op inkomsten maakte bijgevolg zijn intrede in België, als één van de laatste West-Europese landen. Het nieuwe systeem van 'directe belastingen' bestond uit twee componenten: cedulaire belastingen op het inkomen enerzijds en een bijkomende belasting op het inkomen (zogenaamde 'supertaks') anderzijds. De cedulaire inkomstenbelastingen waren opgedeeld naargelang van de aard van de inkomsten in drie 'cedelen': de grondbelasting, de mobiliënbelasting en de bedrijfsbelasting. Zij werden geheven op respectievelijk de inkomsten uit gebouwde en ongebouwde onroerende eigendommen, de inkomsten uit roerende kapitalen en de bedrijfsinkomsten. Zowel voor de grond- als voor de mobiliënbelasting golden er vaste tarieven, terwijl er voor de bedrijfsbelasting enige progressiviteit in de tarieven was voorzien. Daarbovenop kwam een belasting op het globale inkomen, ongeacht de aard van de inkomsten. Voor die 'supertaks' golden er wel progressieve tarieven. De supertaks stond snel symbool voor een 'draconische' fiscale politiek en zou reeds in 1930 sneuvelen door aanhoudend verzet uit conservatieve en liberale hoek. De supertaks werd vervangen door de mildere 'aanvullende personele belasting'.
Het nieuwe belastingsysteem kon de acute geldnood van de Belgische overheid echter niet verhelpen. In de eerste jaren ontbrak het administratieve kader om de belastingplichtigen bij te staan en te controleren. In het oude stelsel waren de gemeenten een belangrijke schakel in het bepalen van de belastingschuld op basis van indiciën of 'tekenen van welstand' (zoals het aantal ramen en deuren in iemands woning). Een grote nieuwigheid in 1919 - maar eveneens omstreden in katholieke en liberale kringen - was de invoering van de verplichte belastingaangifte. Gemeenten konden echter onmogelijk de aangiften controleren, dat was de taak van gespecialiseerde belastingcontroleurs. Als noodmaatregel inde de Administratie der Directe Belastingen daarom voorschotten volgens het oude belastingstelsel om die nadien te verrekenen in het nieuwe stelsel. Daarnaast moesten nog invorderingen gebeuren voor de dienstjaren 1913 tot en met 1919. De administratie kreeg ook nog de inning van de belasting op oorlogswinsten voorgeschoteld die in 1919 was ingevoerd. Omdat de regering niet kon wachten op de extra inkomsten van het nieuwe belastingstelsel, nam minister van Financiën Georges Theunis daarom zijn toevlucht tot de verhoging van bestaande indirecte belastingen (met name de successie-, registratie- en zegelrechten, douanetarieven en accijnzen) en liet hij bijkomende taksen op meubilair, spelen en weddenschappen stemmen. In 1921 kwam er een overdrachtstaks, waarvan de weelde- en factuurtaksen uit 1923 werden afgeleid, die allen als omzetbelastingen tot de 'met het zegel gelijkgestelde taksen' behoorden. (1) Over de impact van het nieuwe belastingsysteem op de openbare financiën zijn historici het niet eens: de financiële situatie ging er pas in de tweede helft van de jaren twintig echt op vooruit. Er was van 1926 tot 1929 zowaar een begrotingsoverschot, maar dat was zo goed als volledig te danken aan de privatisering van de staatsspoorwegen en de gunstige internationale financiële markten. (2)
De beurskrach van 24 oktober 1929 in de Verenigde Staten deed het internationale monetaire en economische systeem op zijn grondvesten daveren. Gesterkt door haar begrotingsoverschotten ging de regering Jaspar III in 1930 nog over tot grote belastingverlagingen. De supertaks ging op de schop, net zoals de verbruiksbelasting in hotels, patisseriewinkels en restaurants. Het bleek een enorme misrekening. Datzelfde jaar bleek het begrotingstekort tot tien procent van het bruto binnenlands product te zijn opgelopen. Belastingverhogingen waren onvermijdelijk en verliepen volgens een intussen klassiek scenario: een verhoging van de indirecte belastingen, zijnde de registratie- en successierechten en douanetarieven. Toen dat niet genoeg bleek, ging de regering over tot de invoering van de nationale crisisbelasting in 1933. Die crisisbelasting werd als een eenmalige belasting aangekondigd, maar bleef tot na de Tweede Wereldoorlog bestaan. De aanvullende personele belasting, die sinds 1930 de supertaks verving, onderging in 1935 een grondige herziening. Inkomsten uit roerend kapitaal werden opnieuw belast. Na de devaluatie van de Belgische frank in 1935 kwam er in 1937 nog een bijzondere belasting op valutaspeculaties, die eerder symbolisch was en waarover politici grapten dat de inning meer kostte dan de belasting opbracht. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog volgde nog een bijzondere en tijdelijke belasting op uitzonderlijke winsten, maar de oorlog verhinderde de uitrol daarvan. (3)
De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een bijkomende financiële én monetaire ontwrichting. Naast de enorme kostprijs voor het herstel van de oorlogsschade vormden de massaal uitgegeven bankbiljetten tijdens de Duitse bezetting een gevaar voor de Belgische economie en de stabiliteit van de Belgische frank. Een muntsanering was noodzakelijk. De toenmalige minister van Financiën Camille Gutt voorzag in oktober 1944 de omwisseling via geblokkeerde rekeningen van alle oude bankbiljetten. Dat gebeurde deels in nieuwe exemplaren en deels in schatkistcertificaten. Dat luik van de muntsanering kreeg daarom de naam 'Operatie Gutt'. Onder zijn opvolger Gaston Eyskens kwamen er in oktober 1945 een drietal oorlogsbelastingen, die alle overmatige oorlogswinsten en de inkomsten uit vrijwillige prestaties en leveringen aan de vijand zwaar belastten. Bijzonder was de belasting op het kapitaal: een eenmalige heffing van vijf procent op het vermogen van alle belastingplichtigen op 9 oktober 1944. Vanuit patriottisch oogpunt was het een manier om samenwerking met de vijand en 'oorlogsprofiteurs' te bestraffen, maar vanuit fiscaal oogpunt dienden zij voornamelijk om de muntsanering te bekostigen. De overheid gebruikte de tegoeden op geblokkeerde rekeningen van de belastingplichtigen namelijk om de verschuldigde oorlogsbelastingen te betalen. Liberale en katholieke politici zagen de oorlogsbelastingen echter als een vorm van fiscale repressie, die landbouwers, middenstanders en industriëlen hard troffen tijdens de naoorlogse wederopbouw. De oorlogsbelastingen stonden volledig los van de gerechtelijke vervolging van economische of politieke collaboratie tijdens de oorlog. (4) Zij leverden de Belgische schatkist het equivalent op van de belastingopbrengst van de 'gewone' belastingen tijdens het dienstjaar 1946. (5)
Het systeem van inkomstenbelastingen dat sinds 1919 bestond, ging pas in 1962 op de schop. Het werd vervangen door een - schijnbaar - uniformer systeem, bestaande uit de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en belasting niet-inwoners (ook wel 'belasting niet-verblijfhouders' genaamd). Daarbovenop kwamen een aantal voorheffingen: de (fictieve) onroerende voorheffing, aanvullende onroerende voorheffing, (fictieve) roerende voorheffing, het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belastingen, belastingkrediet en de bedrijfsvoorheffing. Het systeem werd er door de vele uitzonderingen, vrijstellingen en het gedeeltelijke hergebruik van bepaalde structuren uit het oude stelsel (bv. forfaitaire taxatie van vrije beroepen), niet bepaald eenvoudiger op. De situatie voor natuurlijke personen ging er lichtjes op vooruit, aangezien er sprake was van progressiviteit in alle tarieven. De bedrijfsinkomsten en vennootschapswinsten waren aan hogere tarieven onderworpen, maar dat leek door de aanhoudende economische groei geen probleem voor de overheid. De tarieven bleven zelfs lager dan in de buurlanden. Dat droeg samen met het ontbreken van een kapitaalbelasting bij aan een gunstig ondernemersklimaat. De nieuwe belastingen mochten dan wel rechtvaardiger zijn door de progressieve tarieven, daartegenover stonden lage vrijgestelde minima en een niet-indexering van de belastingschalen. Dat laatste zou pas in 1988 worden ingevoerd. Ook na de hervorming ontbrak het de belastingadministratie nog steeds aan middelen om grootschalige fiscale fraude tegen te gaan. (6) Dergelijk anti-fraude-instrument kwam er pas met de oprichting van de autonome Bijzondere Belastinginspectie in 1979.
De Administratie der Directe Belastingen was binnen het Ministerie van Financiën bevoegd voor de vaststelling, inning, invordering en controle van de zogenaamde 'directe belastingen'. Die onderscheidden zich van de 'indirecte belastingen' omdat zij op naam van de belastingplichtige werden geïnd, terwijl de indirecte belastingen gevestigd waren op belastbare materie, ongeacht de belastingplichtige. De directe belastingen werden onmiddellijk aan de staat betaald, terwijl dat voor indirecte belastingen door tussenkomst van derden kon gebeuren. (7) Het negentiende-eeuwse belastingsysteem ging na de Eerste Wereldoorlog volledig op de schop en werd door de wet van 29 oktober 1919 vervangen door een trio van inkomstenbelastingen: de grondbelasting, de mobiliënbelasting en de bedrijfsbelasting. Daar bovenop bestond een bijkomende belasting op het globaal inkomen, de zogenaamde 'supertaks'. De supertaks werd in 1930 vervangen door de aanvullende personenbelasting. De wet van 30 december 1932 voerde een 'eenmalige' nationale crisisbijdrage in, die vanaf dat moment jaarlijks - met uitzondering van 1937 - werd geheven. De Administratie der Directe Belastingen kreeg door de wet van 28 juli 1938 een grotere controletaak. Voortaan konden andere overheidsadministraties de inlichtingen die zij bij particulieren inwonnen met de fiscale administraties delen. Dit zorgde voor extra werklast, maar eveneens voor een betere controle van de belastingplichtigen. (8) De wet van 3 augustus 1920 regelde de mogelijkheid tot 'samenordening' van de verschillende wetten op de inkomstenbelastingen. (9) Die eerste 'samenordening' volgde enkele dagen later bij het koninklijk besluit van 9 augustus 1920 en zou mits periodieke bijwerkingen tot 1962 de facto het Wetboek van de inkomstenbelastingen ('WIB') vormen. (10) Dat de wetgeving zeer dynamisch en de codificatie noodzakelijk was, daarvan getuigt het koninklijk besluit van 12 september 1936 dat niet minder dan 48 bestaande wetten en koninklijke besluiten door één enkele gecoördineerde wettekst verving. (11)
De wet van 20 november 1962 zorgde voor een ingrijpende hervorming van het Belgische belastingsysteem. Voortaan bestonden vier types directe belastingen: de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting niet-inwoners. (12) Daarnaast was de Administratie der Directe Belastingen bevoegd voor de zogenaamde 'met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen'. Het betrof een reeks belastingen die vanuit wettelijk en administratief oogpunt als directe belastingen konden worden beschouwd, aangezien ze door de centrale overheid waren ingesteld en werden geïnd. Tegelijkertijd werden ze gevestigd op een belastbare materie, ongeacht de belastingplichtige, waardoor ze ook als indirecte belastingen konden worden beschouwd, die tot de 'met het zegel gelijkgestelde belastingen' werden gerekend. Tot de 'met inkomstenbelastingen gelijkgestelde taksen' behoorden onder meer de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling van motorvoertuigen, de belasting op spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen. De hondenbelasting, de belasting op rijwielen en de belasting op spektakels en vermakelijkheden werden exclusief geïnd ten voordele van de provincies en gemeenten, terwijl voor de andere belastingen enkel opcentiemen werden geïnd ten voordele van de provincies en gemeenten. (13)
De zogenaamde 'oorlogsbelastingen' vormden een bijzondere bevoegdheid voor de Administratie der Directe Belastingen, die zowel van fiscaal als socio-economisch belang was. Na de Tweede Wereldoorlog voerde de wet van 15 oktober 1945 de 'speciale belasting op de winsten voortvloeiend uit leveringen en prestaties aan de vijand' in. Voor die belasting gold een tarief van 100 procent op alle leveringen aan en prestaties voor de Duitse bezetter tussen 10 mei 1940 en 31 december 1944. De speciale belasting kon één of meerdere keren - bij verhoging van de aanslag ten gevolge van nog niet belaste prestaties en leveringen -worden gevestigd vanaf 1 januari 1945. Zodra de inkohiering had plaatsgevonden, bleef het bedrag 30 jaar invorderbaar. De eventuele herzieningen - ten gevolge van wijzigingen van de aangifte en verhogingen - dienden wel vóór 1 januari 1950 te worden ingekohierd. De wet van 16 oktober 1945 voegde daar nog de 'extra-belasting op de in oorlogstijd behaalde exceptionele inkomsten, winsten en baten' aan toe. Hierdoor werden alle overmatige winsten ontstaan door de oorlogsomstandigheden - en dus niet enkel door directe leveringen aan de vijand - tussen 1 januari 1940 en 31 december 1944 belast aan een hoog tarief van 70 tot 95 procent (met verhogingen tot een maximum van honderd procent). De betaling van deze extra-belasting diende uiterlijk te gebeuren op 1 januari 1946. Zo niet, dan zou daar jaarlijks vijf procent intrest ten voordele van de staat bijkomen. Belastingplichtigen dienden zowel voor de speciale belasting als de extra-belasting zelf een bijzondere aangifte in te dienen bij de Administratie der Directe Belastingen, zodat deze de aanslag kon vestigen. De vestiging gebeurde door de controleurs der Directe Belastingen, terwijl de inning en invordering door de ontvangers van de administratie werd uitgevoerd. Wanneer de belastingplichtige naliet om een aangifte in te dienen of de controleur niet akkoord ging met het aangegeven bedrag, kon die overgaan tot een taxatie van ambtswege. Daarbij bepaalde de controleur zelf de inkomsten van de belastingplichtige op basis van de informatie die hij voorhanden had en van wat vergelijkbare belastingplichtigen betaalden. Vanzelfsprekend leidde dergelijke 'taxatie bij vergelijking' tot geschillenprocedures. De hoge tarieven van de oorlogsbelastingen zorgden ervoor dat zich bij sommige belastingplichtigen nalatigheidsintresten opstapelden, waardoor zij zich niet van hun fiscale schuld konden bevrijden. Het artikel 6 van de wet van 19 maart 1953 bood een oplossing voor het strenge karakter van de belasting en de bijhorende nalatigheidsintresten. (14) Een derde oorlogsbelasting, de 'belasting op het kapitaal', werd geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen. (15)
De Administratie der Directe Belastingen zond jaarlijks aangifteformulieren naar alle belastingplichtigen. Die bezorgden de ingevulde aangiften terug aan de controlekantoren (vanaf eind jaren 1930 aan de centrale taxatiekantoren). Op basis van de ingediende aangiften berekende de belastingcontroleur de verschuldigde belastingsom. Die stelde vervolgens handmatig de kohieren op, die per gemeente of deel van een gemeente werden aangelegd. Daarin werden de identificatiegegevens van de belastingplichtige en de verschuldigde belasting onder een uniek artikelnummer ingeschreven. In 1939 vonden testen plaats om het proces te mechaniseren en werden de aanslagbiljetten voor de grondbelasting (en vanaf 1940 voor de andere inkomstenbelastingen) vanuit drie centrale taxatiekantoren verstuurd. Het duurde nog tot 1950 vooraleer de kohieren overal waren gemechaniseerd. (16) Voor dezelfde belasting werden soms meerdere kohieren opgemaakt. Zo was er voor de personenbelasting een kohier voor de gewone belastingaangiften, een tweede voor de laattijdige aangiften, een derde voor de correcties en aanvullingen en een vierde voor de aangiften waarvan de onderzoekstermijnen verstreken waren. (17) Zodra het kohier uitvoerbaar ('executoir') werd verklaard door de gewestelijk directeur (of provinciegouverneur voor provinciale belastingen), zond het ontvangkantoor (vanaf 1939 het centraal taxatiekantoor) haar aanslagbiljetten naar de belastingplichtige. Die aanslagbiljetten waren in feite een uittreksel van het artikel van de belastingplichtige in het belastingkohier. (18) De betaling diende te gebeuren bij de ontvanger in de ontvangkantoren van de Administratie der Directe Belastingen, hetzij met cash geld of door middel van overschrijving of postcheck op de rekening van de ontvanger. De ontvanger noteerde in het kohier als de belasting was betaald. (19) De ontvangkantoren zorgden voor de inning van de verschuldigde sommen. De ontvanger was persoonlijk aansprakelijk voor de eventuele tekorten en moest alle mogelijke middelen aanwenden om de belastingschulden in te vorderen. Bij onenigheden over de belastingen en geschillen kwamen de inspecteurs van de administratie ten tonele, die een advies formuleerden om het geschil op te lossen of ontvankelijk te verklaren. De gewestelijke directeur had de uiteindelijke beslissingsmacht en kon vonnissen over fiscale geschillen uitspreken zoals een rechter in eerste aanleg. Pas met een bezwaarschrift tegen dat vonnis van de gewestelijke directeur ging het dossier naar het bevoegde hof van beroep en kwam de rechterlijke macht in het spel. (20)
De overgang van het negentiende-eeuwse belastingstelsel naar het systeem van inkomstenbelastingen had grote gevolgen voor de administratieve organisatie van de buitendiensten van de Administratie der Directe Belastingen. In 1921 waren er voor de ganse provincie Brabant 26 controle- en 86 ontvangkantoren, terwijl er in 1940 54 controle- en 78 ontvangkantoren waren. De controle op de belastingplichtigen - vooral de controle van de aangiften - nam duidelijk toe. De ontvang- en controlekantoren van de Administratie der Directe Belastingen van Sint-Lambrechts-Woluwe ontstonden in 1938 als afsplitsing van de kantoren van Sint-Pieters-Woluwe. De kantoren bleven op hetzelfde adres in Sint-Pieters-Woluwe gehuisvest (Stationsstraat 111). Het ontvang- en controlekantoor van Sint-Lambrechts-Woluwe ressorteerde aanvankelijk onder de Inspectie Schaarbeek (2de regio), die op haar beurt ondergeschikt was aan de Gewestelijke Directie Brussel II. Het ambtsgebied van het ontvangkantoor omvatte enkel de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe. Waar het controlekantoor voor de vestiging van de aanslag instond, zorgde het ontvangkantoor voor de inning en invordering van de belastingschuld. Inzake oorlogsbelastingen ressorteerde het ontvangkantoor onder het Controlekantoor der speciale belastingen op oorlogswinsten van Schaarbeek (2de regio). (21)
De ontvang- en controlekantoren van Sint-Lambrechts-Woluwe verhuisden in 1947-1948 naar de Tervurenlaan 234 te Sint-Pieters-Woluwe. Vanaf 1955 ressorteerden de kantoren onder de Inspectie Sint-Joost-ten-Node. In 1967 verhuisden beide kantoren naar de Lacomblélaan 69-71 te Schaarbeek. In 1970 werd het controlekantoor gesplitst in de controlekantoren Sint-Lambrechts-Woluwe I en Sint-Lambrechts-Woluwe II. Het ontvangkantoor werd niet gesplitst. Vanaf 1973 ressorteerden de kantoren onder de Inspectie Woluwe (A). In 1978 verhuisden de kantoren naar de Brand Whitlocklaan 87-93 te Sint-Lambrechts-Woluwe, waar zij tot de verhuis naar de Financietoren omstreeks 2011 zouden blijven. (22) In 2011 werden de ontvangkantoren van Sint-Lambrechts-Woluwe en Sint-Pieters-Woluwe samengevoegd tot het ontvangkantoor Woluwe. (23) Eind 2013 volgde de omvorming van het ontvangkantoor en samenvoeging met andere kantoren tot het inningskantoor Brussel B, dat een onderdeel vormde van het Regionaal Invorderingcentrum Brussel 2 van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering. (24) De bevoegdheden van het voormalige Ontvangkantoor van Sint-Lambrechts-Woluwe bevinden zich sinds begin 2017 bij het Team Inning Brussel 2 (ter vervanging van Inningskantoor Brussel B), onderdeel van het Regionaal Invorderingscentrum Brussel 2. (25)
Tot aan de invoering van de Archiefwet van 24 juni 1955 waren er weinig archiefoverdrachten van de ministeriële departementen naar het Rijksarchief. Het Rijksarchief zelf had in die periode zelfs vrij weinig aandacht voor 'hedendaagse' archieven. Toch beval de bevoegde minister van Openbaar Onderwijs bij dienstbrief van 9 februari 1929 om alle archiefstukken van de administraties en griffies die minstens 25 of 30 jaar oud waren - en geen administratief nut meer hadden - naar het Rijksarchief over te brengen. Er werd weinig gevolg aan gegeven. De Administratie der Directe Belastingen nam de omzendbrief van 1 december 1948 van het Ministerie van Algemeen Bestuur over het 'bewaren van de archiefstukken der besturen' op in zijn reeks 'Aanschrijvingen - Circulaires'. In de omzendbrief werd de noodzaak voor selectie en de rol van het Rijksarchief daarbij benadrukt. (26) Een jaar later vaardigde het hoofdbestuur de dienstbrief 'Co. 1/8.134' uit waarin lijsten werden opgenomen van te vernietigen documenten "ten einde over 't algemeen de rangschikking alsmede de manipulatie van de dossiers te vergemakkelijken." (27) Vooral een selectie in de belastingaangiften was noodzakelijk. Zo goed als alle aangiften vóór dienstjaar 1944 mochten worden vernietigd, zolang er geen geschillenprocedures meer gaande waren én de aangiften niet de oorlogsbelastingen betroffen. Ook in 1952, 1954 en 1955 benadrukte het hoofdbestuur de noodzaak om bepaalde statistieken, registers en oude aangiften te vernietigen.
In het voorjaar van 1958 verzond het Hoofdbestuur der Directe Belastingen de instructie 'Co. 1/16.679' naar zijn buitendiensten over de 'naar de papiermolen te verzenden archieven'. Het Rijksarchief werd niet gecontacteerd en haar piepjonge inspectiedienst probeerde tussen te komen in de vernietigingsoperaties. Met succes, want in november 1958 kwam een nieuwe instructie waarin men sprak over de 'verzending van archieven naar de papiermolen en naar het Rijksarchief'. Helaas was in tussentijd al heel wat archief uit de jaren 1920-1930 vernietigd. Op 1 augustus 1962 volgde een nieuwe instructie 'Co. 1/21.413' waarbij meer archiefdocumenten in aanmerking kwamen voor overdracht en er bijzondere aandacht was voor archief met betrekking tot de oorlogsbelastingen en de spoliatie van joodse goederen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een massale stroom van documenten kwam op het Rijksarchief af, waardoor alle overbrengingen al in september 1962 tijdelijk werden opgeschort. Er was nood aan een gemeenschappelijke selectiepolitiek. Uiteindelijk volgde een herziene instructie 'Co. 1/21.413' op 16 januari 1963 die voorschreef dat er vooral in de omvangrijke reeksen aangiften moest worden geselecteerd. De ontvang- en controlekantoren bleven ook in de daaropvolgende jaren nog archief vernietigen op basis van gedateerde circulaires.
De opening van een tussendepot voor hedendaags archief te Beveren en de nieuwe instructie 'Co. 1/32.211' van 10 juni 1969 van de Administratie der Directe Belastingen vestigden opnieuw de aandacht op de verplichte overdracht van bepaalde archiefdocumenten en -reeksen aan het Rijksarchief. Op amper één jaar tijd stroomde 4,5 strekkende kilometer belastingarchief het Rijksarchief te Beveren binnen. De Administratie der Directe Belastingen en het Rijksarchief besloten daarom in 1973 om enkel de belastingkohieren 239 voor de dienstjaren eindigend op '0' en '5' over te brengen naar het Rijksarchief te Beveren. (28) De aangiften 276 werden voortaan vernietigd. Een derde van de ontvangkantoren liet na om hun archief aan het Rijksarchief over te dragen. Na verloop van tijd vonden steeds minder periodieke overbrengingen plaats naar het Rijksarchief. Van 1990 tot 2024 waren er geen overbrengingen meer. Bij de verhuis van de Brusselse buitendiensten van de FOD Financiën van de Brand Whitlocklaan naar de Financietoren in 2008-2009 - en later van de diensten uit de Paleizenstraat - werd massaal archief vernietigd. (29)
Aangezien veel buitendiensten van de Administratie der Directe Belastingen in de Brusselse agglomeratie dienden te verhuizen, eiste het hoofdbestuur in maart 1955 dat de bewaarde archieven grondig moesten worden geselecteerd. Voor de ontvangkantoren - dus ook voor Sint-Lambrechts-Woluwe - bleven uit de periode vóór 1950 enkel nog de kohieren bewaard. In september 1969 zond het Kantoor der Belastingen van Sint-Lambrechts-Woluwe 34 pakken archief naar het Rijksarchief te Beveren. Het ging om de belastingkohieren (239) voor de jaren 1946 tot en met 1959. Daarnaast werden ook de kohieren (244) voor de jaren 1949-1959 overgemaakt samen met de bijhorende fiches (244.8). In totaal ging het om 14 strekkende meter archief. In 1987 bevonden zich enkel nog de kohieren (239) voor de jaren 1946, 1951 en 1956 in het Rijksarchief te Beveren. In totaal ging het nog om 6 pakken ofwel 2 strekkende meter archief. In tussentijd was ook 1 strekkende meter aangiften (276) voor de jaren 1957-1960 van het controlekantoor van Sint-Lambrechts Woluwe vernietigd. (30)
Omstreeks 1994 werden de belastingkohieren verdeeld over de verschillende Rijksarchieven. De kohieren van een 40-tal Brusselse ontvangkantoren kwamen zo terecht in het Algemeen Rijksarchief. Het ging om ongeveer 16,5 strekkende meter archief. Het Algemeen Rijksarchief bewaarde reeds kohieren die rechtstreeks daar waren neergelegd. Begin jaren 2000 werd het archiefbestand 'Directe Belastingen Brabant. Kohieren der belastingen op inkomsten andere dan uit onroerende goederen' (ca. 40 strekkende meter) overgemaakt aan het Rijksarchief te Anderlecht. Sindsdien zijn de belastingkohieren voor de Brusselse agglomeratie die oorspronkelijk in het Rijksarchief te Beveren waren neergelegd spoorloos verdwenen.
Tijdens de werkzaamheden van de Brusselse SATURN-archiefploeg in de kelders van de Brusselse Financietoren, werd een plank met 'oud archief' van het voormalige Ontvangkantoor van Sint-Lambrechts-Woluwe aangetroffen tussen het archief van de organisatiedirecties Brussel 1 en 2 (Algemene Administratie van de Inning en de Invordering). De documenten werden ingepakt en in mei 2024 naar het Rijksarchief te Brussel overgebracht. Daar werd dit archiefbestand geschoond, verpakt en geïnventariseerd.
Dit kleine archiefbestand bevat in de eerste plaats de belastingkohieren van verschillende belastingen geïnd door het Ontvangkantoor van Sint-Lambrechts-Woluwe. In de kohieren zijn de belastingplichtigen binnen het ambtsgebied van het ontvangkantoor, de verschuldigde bedragen en de uiterste betaaldatum opgenomen. De ontvanger gebruikte de kohieren voor de jaarlijkse inning van de belastingen. (31) De kohieren werden in regel opgemaakt per begrotingsjaar (ook 'dienstjaar' genoemd) voor een bepaald aanslagjaar. Echter vinden er altijd nog navorderingen plaats voor de voorgaande aanslagjaren. Vooral de kohieren van de 'extra-belasting op de in oorlogstijd behaalde exceptionele inkomsten, winsten en baten' en de 'speciale belasting op de winsten voortvloeiend uit leveringen en prestaties aan de vijand' zijn bijzonder interessant. Vervolgens zijn nog twee onderwerpsmappen opgenomen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. De eerste map handelt over de belastingplichtigen in het ressort van het ontvangkantoor die onder sekwester waren geplaatst omwille van hun activiteiten tijdens de oorlog. De tweede onderwerpsmap bevat de stukken die voortkwamen uit de afhandeling van de oorlogsbelastingen in de jaren 1950 en 1960. Het gaat daarin over een matiging van het bijzonder strenge regime van de oorlogsbelastingen - zodat deze 'betaalbaar' werden voor de belastingplichtigen - en de definitieve afhandeling ten gevolge van de invoering van het nieuwe Belgische belastingstelsel in 1962. Tot slot is er een lijvig invorderingsdossier opgenomen met betrekking tot een nalatenschap, waarbij de eigendommen van de overledene onder sekwester stonden. De erfgenamen weigerden de nalatenschap omwille van de hoge belastingschuld, waartoe onder andere de achterstallige betaling van oorlogsbelastingen behoorde.
De meerderheid van de stukken in dit archiefbestand zijn opgesteld in het Frans, een minderheid in het Nederlands. De meeste documenten zijn getypt. De handgeschreven stukken zijn vlot leesbaar en vereisen geen bijzondere paleografische vaardigheden.
Bij het schonen van dit archiefbestand werden dubbele stukken en schadelijke metalen verwijderd. Bij de bevoegde dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering bevonden zich geen stukken uit de periode vóór 1960 van het voormalige Ontvangkantoor van Sint-Lambrechts-Woluwe. De belastingkohieren van hetzelfde ontvangkantoor voor de jaren 1946, 1951 en 1956 die voorheen werden bewaard in het Rijksarchief te Beveren, zijn onvindbaar en wellicht vernietigd.
Dit archiefbestand bevat alle stukken van het Ontvangkantoor van Sint-Lambrechts-Woluwe uit de periode vóór 1960. De Algemene Administratie van de Inning en de Invordering bewaart wel nog alle belastingkohieren van dit kantoor (en de rechtsopvolgers) vanaf begrotingsjaar 1969 (aanslagjaar 1968). Die zullen na selectie worden overgebracht naar het Rijksarchief te Brussel samen met de kohieren van de andere ontvangkantoren in de Brusselse agglomeratie. De Brusselse ontvangkantoren weigeren momenteel elke overbrenging of selectie van belastingkohieren uit de periode na 1962.
Er is voor gekozen om de archiefdocumenten in deze inventaris in drie afdelingen onder te verdelen. De eerste afdeling omvat de organisatie van het Ontvangkantoor van Sint -Lambrechts-Woluwe en bevat slechts één stuk, namelijk het orderregister van de ontvanger. De tweede afdeling omvat de stukken met betrekking tot de inning van de belastingen in het ambtsgebied van het ontvangkantoor (m.n. belastingkohieren). De derde afdeling bevat de stukken die door de medewerkers van - de rechtsopvolgers van - het ontvangkantoor waren opzijgelegd en betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. De twee onderwerpsmappen en het dossier inzake de vacante erfenis van een gesekwestreerde belastingplichtige zijn chronologisch geordend. Binnen de onderwerpsmappen is de bestaande chronologische volgorde behouden. Aan de onderdelen binnenin deze mappen werden aparte nummers en deelbeschrijvingen toegekend op basis van de aanduiding op de - tot op de draad versleten en beschimmelde - oorspronkelijke omslagen. Op het laagste niveau zijn de stukken chronologisch geordend.
De stukken in dit archiefbestand zijn ouder dan 30 jaar en vrij raadpleegbaar. Voor sommige stukken kunnen echter nog beperkingen gelden in het kader van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De actuele raadplegingsvoorwaarden zijn terug te vinden op de website van het Rijksarchief.
Voor de reproductie van archiefstukken gelden de voorwaarden en tarieven van toepassing in het Rijksarchief. Indien een stuk omwille van bepaalde omstandigheden niet mag worden gereproduceerd, wordt dit meegedeeld bij het aanvragen van het archiefbestanddeel.
Het archief bevat enkel papieren stukken, die daarenboven in goede staat zijn. Om de materiële conservatie van de stukken te garanderen, zijn paperclips, nietjes en andere schadelijke materialen waar mogelijk verwijderd. De gebruiker wordt verzocht om de bestaande volgorde van de ongebonden stukken te respecteren.
Deze inventaris vervangt de overdrachtslijst uit april 2024.
De stukken in dit archiefbestand bieden een blik op de Belgische fiscaliteit na de Tweede Wereldoorlog in de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe. De kohieren van de oorlogsbelastingen illustreren de naoorlogse fiscale repressie van al wie tijdens de oorlogsjaren uitzonderlijke winsten boekte of zaken deed met de Duitse bezetter. De onderwerpsmap over de oorlogsbelastingen toont de strengheid van de belastingwetgeving aan, want de administratie diende een oplossing te vinden voor de hoge belastingtarieven en nalatigheidsintresten. Sommige belastingplichtigen konden namelijk de hoge oorlogsbelastingtarieven niet betalen en door de strenge financiële sancties op niet-naleving van de betaling, kon de overheid de eigenlijke belastingen na 8 jaar nog steeds niet innen. Het duurde tot 1953 vooraleer hiervoor een oplossing werd gevonden. De onderwerpsmap over gesekwestreerde belastingplichtigen toont aan welke problematieken de administratie ondervond bij de inning en invordering van belastingplichtigen die onder sekwester waren geplaatst. Dit archiefbestand schetst een beeld van de taken van een ontvangkantoor in de onmiddellijke naoorlogse periode, aangezien er amper archief van de voormalige ontvangkantoren is bewaard en overgedragen aan het Rijksarchief.
Dit kleine archiefbestand bevat voornamelijk originele documenten (m.n. de belastingkohieren). De onderwerpsmap en het dossiers met betrekking tot de gesekwestreerde belastingplichtige bevatten correspondentie met en kopieën van stukken afkomstig van de Dienst van het Sekwester. Met name het dossier over de vacante nalatenschap van de gesekwestreerde belastingplichtige bevat veel kopieën van andere ontvangkantoren, de centrale administratie, de Dienst van het Sekwester, hoven en rechtbanken.
Van bepaalde kennisgevingen en uittreksels uit de belastingkohieren kunnen in private archieven sporen aanwezig zijn (bv. aanslagbiljetten). Bepaalde stukken kunnen eveneens terug te vinden zijn in de geschillendossiers bewaard op het niveau van de gewestelijke directie en het hoofdbestuur van de voormalige Administratie der Directe Belastingen (nu: Algemene Administratie van de Fiscaliteit).
Annuaire administratif et judiciaire de Belgique - Administratief en gerechtelijk jaarboek voor België, 1864-2014.
Belgisch Staatsblad, 1831-.
ANCEAU, E. en BORDRON, J.-L., Histoire mondiale des impôts. De l'Antiquité à nos jours, Parijs, 2023.
BAUDHUIN, F., Précis de finances publiques. Deuxième partie: Impôt, Recettes non fiscales, Crédit public, Brussel, 1943.
BOURGEOIS, P. Le Ministère des Finances (1830-1994). III. Aperçu des compétences (Miscellanea Archivistica. Studia, 88), Brussel, 1996.
CLAEYS BOÚÚAERT, I., De aanslag, Brussel, 1963.
DESCHRIJVER, D., Inkomstenbelastingen 1919-2020. Buitengewone en tijdelijke heffingen, Herentals, 2021.
GERARD, E., De schaduw van het interbellum. België van euforie tot crisis (1918-1939), Tielt, 2017.
HARDEWYN, A., De invoering en de evolutie van de progressieve inkomstenbelasting in België (1919-1930), in Revue belge de philologie et d'histoire, LXXV, 1997, 4, p. 1085-1122.
HARDEWYN, A., Tussen sociale rechtvaardigheid en economische efficiëntie. Een halve eeuw fiscaal beleid in België (1914-1962), Brussel, 2003.
JANSSENS,, P., VERBOVEN, H. en TIBERGHIEN, A., Drie eeuwen Belgische belastingen. Van contributies, controleurs en belastingconsulenten, Brussel, 1990.
LELOUP, G., Archief van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën. Voorbereidend studiedossier van de archiefselectielijst (Archiefbeheersplannen en selectielijsten, 161), Brussel, 2015.
LELOUP, G., en PRENEEL, M., De FOD Financiën, in VAN DEN EECKHOUT, P. en VANTHEMSCHE, G. (eds.), Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19e-20e eeuw, Brussel, 2017, p. 458-475.
PRENEEL, M., Overzicht van de archieven in het Rijksarchief te Beveren : Archiefvormers van het ressort Vlaanderen (Overzichten, 7), Brussel, 2006.
SCHREUDER, E., Les impôts sur les revenus. Précis de législation et de jurisprudence, Brussel, 1957.
VAN EECKENRODE, M., Inventaire des archives du Ministère des finances. Administration des contributions directes. Bureau de Tubize. Rôles 1950 et 1955 (Archives de l'État à Louvain-La-Neuve. Inventaires, 45), Brussel, 2017.
VERHELST, J., De kontrole van het kadaster en haar plaats in het geheel van de Administratie der Directe Belastingen, in DE SCHEPPER, E. (ed.), Bronnen voor de geschiedenis van de instellingen in België - Sources de l'histoire des institutions de la Belgique. Handelingen van het Colloquium te Brussel - Actes du Colloque de Bruxelles (15-18.IV.1975), Brussel, 1977, p. 376-382.
WATTEYNE, S., Lever l'impôt en Belgique. Une histoire de combats politiques (1830-1962), Brussel, 2023.
De stukken werden in april 2024 ruw beschreven en verpakt door Ciel Vroman. Het geheel werd door hem na de overdracht geordend, geïnventariseerd en definitief verpakt.
| Bevat vooraan ingeschreven retroacta van instructies voor het jaar 1885 en verscheidene losse stukken tussen de registerbladen. | 1 | Orderregister (reeks 384) van de ontvanger. 1946-1965. | 1 band | ||||||