Inventaris van het archief van de balie van Brussel en aanverwante archiefvormers.

Archive

Name: Balie van Brussel en aanverwante archiefvormers \ Barreau de Bruxelles et producteurs d'archives associés

Period: 1811 - 1989

Archive repository: State archives in Brussels (Forest)

Heading : Public-law professional organisations

Inventory

Authors: Gertjan Desmet

Year of publication: 2025

Code of the inventory: I 102

...

Archiefvormer

Naam

Orde van Advocaten bij het hof van beroep te Brussel
Parallelle naam: Ordre des avocats à la cour d'appel de Bruxelles
Andere naam: balie van Brussel; barreau de Bruxelles
Conférence du Jeune Barreau de Bruxelles
Vlaams Pleitgenootschap bij de balie te Brussel
Journal des Tribunaux. Redactie.
Union Internationale des Avocats
Parallelle naam: International Association of Lawyers
Charles Dejongh
Léon Hennebicq
Familie Picard-Moens de Rooses

Geschiedenis

De ontstaansgeschiedenis van de Orde van Advocaten bij het hof van beroep te Brussel is onlosmakelijk verbonden met de hervormingen van de gerechtelijke structuren binnen het Napoleontische Empire.
De annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik bij het Franse keizerrijk bij decreet van 9 vendémiaire jaar IV (1 oktober 1795) en de daaropvolgende introductie van het Franse wettelijke corpus had niet alleen verregaande consequenties voor de gerechtelijke organisatie in de negen Départements réunis. De Franse wetgeving hield eveneens het einde in van de bestaande advocatuur in onze departementen. Het decreet van de Assemblée constituante van 2-11 september 1790 had onder meer de advocatuur opgeheven. Het decreet van 29 januari 1791 schafte het pleitmonopolie van de advocatuur af en stelde de mogelijkheid in voor partijen om zichzelf te verdedigen of beroep te doen op een défenseur officieux, waarbij geen bijzondere studies of deontologie vereist waren. (1)
Deze ingrijpende hervormingen - in het bijzonder de mistoestanden veroorzaakt door de défense officieuse - bleken na verloop van tijd tot ernstige negatieve bijwerkingen te leiden. Aanpassingen waren onvermijdelijk. Met het arrêté van 22 nivôse jaar XII (13 maart 1804) werd het beroep van advocaat opnieuw ingesteld. In tegenstelling tot andere beroepsgroepen uit de juridische sfeer zoals notarissen en pleitbezorgers mocht de advocatuur zich echter niet verenigen om een collectieve controle uit te oefenen over de toegang tot en de uitoefening van het beroep. Pas met het Décret impérial du 14 décembre 1810 contenant règlement sur l'exercice de la profession d'avocat et la discipline du Barreau werd opnieuw een wettelijk kader gecreëerd waardoor advocaten zich in een Orde konden organiseren. (2)
Het decreet van 1810 stipuleerde het opstellen van een lijstwaarop de advocaten verbonden aan een hof of rechtbank werden ingeschreven (art. 1). De verzamelde confraters op dit zgn. tableau vormden de Orde van Advocaten (art. 9), geleid door een stafhouder (bâtonnier) (art. 21). Waar het tableau meer dan twintig advocaten telde, werd een tuchtraad (conseil de discipline) opgericht (art. 2) bestaande uit leden van de Orde (art. 19). (3) Advocaten kregen een pleitrecht (4) en het métier werd onverzoenbaar geacht met de uitoefening van bepaalde overheidsmandaten (prefect, sous-prefect), gerechtelijke functies (griffier, notaris, pleitbezorger), sommige beroepen en handelsactiviteiten (art. 18). Binnen dit kader hield de uitvoerende macht de controle over de advocatuur stevig in handen. Zo kon de Orde haar tuchtraad niet rechtstreeks verkiezen: er mocht weliswaar gestemd worden over de meeste geschikte kandidaten, maar de procureur-generaal bij het keizerlijk hof besliste uiteindelijk wie in de tuchtraad mocht zetelen. De stafhouder werd eveneens door de procureur-generaal aangeduid. (5)
Gezien het belang van de stad Brussel hoeft het niet te verbazen dat hier de eerste en grootste Orde van de départements réunis ontstond. Op 13 juni 1811 legden 107 advocaten de eed van trouw aan de keizer en de wetten van het keizerrijk af; de tuchtraad werd dezelfde dag verkozen met goedkeuring van de procureur. (6) Jean-Baptiste Kockaert, voormalig raadsheer bij de Conseil souverain de Brabant, werd de eerste stafhouder. (7) De wetenschappelijke literatuur vestigt terecht de aandacht op de innovaties van het decreet van 1810 en de onontkoombare continuïteit in de praktijk: hoewel de geannexeerde departementen daarvoor geen ordes van advocaten hadden gekend, telden een belangrijk aantal advocaten binnen de Brusselse Orde (incl. de stafhouder en een aantal leden van de tuchtraad) immers een respectabele staat van dienst in gerechtelijke instellingen van het Ancien Régime, in het bijzonder de Raad van Brabant. (8)
Ook onder het Nederlandse bewind bleef het decreet van 1810 van kracht en oefende de overheid een strikt toezicht uit over de advocatuur. Het regime van Willem I, in het bijzonder zijn beleid inzake de persvrijheid en de taalkwestie, leidde tot felle tegenstand van de advocatuur. Heel wat Brusselse confraters waren actief in de politiek of als journalist, waar ze zich afzetten tegen de politiek van de vorst. Het wantrouwen van de overheid ten opzichte van de "advocaten-journalisten" (9) leidde regelmatig tot interpellaties bij de tuchtraad. Er moet echter een onderscheid gemaakt worden tussen het engagement van afzonderlijke advocaten en de houding van de Orde zelf, die zich tijdens deze periode eerder terughoudend en inschikkelijk opstelde, en niet overging tot openlijke oppositie. (10)
Brusselse advocaten speelden een belangrijke rol in de Belgische Revolutie en bekleedden vaak sleutelposities binnen de provisoire instellingen van het nieuwe regime. De Orde zelf hernam haar activiteit pas in 1832. Het toezicht door de procureur-generaal werd verworpen wegens "niet meer compatibel" (11) met de waarden van de jonge staat. Hervormingsgezinde confraters richtten de zgn. Association op, een de facto illegale - want niet door de uitvoerende macht erkende - incarnatie van de Orde die tot 1836 bleef functioneren en waarvan de statuten steunden op meer liberale principes. (12) Het koninklijk besluit van 5 augustus 1836 betekende het einde van deze jaren van onduidelijkheid. (13) De meest aanstootgevende bepalingen uit het decreet van 1810 werden opgeheven. Ondanks het behoud van een zekere mate van toezicht door de procureur-generaal werd de autonomie van de balie bij wet verankerd. Voortaan werden de leden van de tuchtraad en de stafhouder bijvoorbeeld rechtstreeks verkozen door de algemene vergadering. De Association werd kort daarop ontbonden. (14)
Met de terugkeer van de institutionele rust kon de Brusselse balie, bevrijd van verstikkende overheidsvoogdij, haar aandacht op andere fronten richten. De daaropvolgende decennia van de lange 19de eeuw worden in de literatuur het "koninkrijk der advocaten" genoemd. (15) Hoewel het om een numeriek eerder beperkte groep ging (van 153 ingeschreven advocaten in 1836 tot 260 tegen 1873) speelden heel wat Brusselse advocaten immers een voorkeursrol in de politiek, namen belangrijke overheidsmandaten op en profileerden zich in intellectuele en artistieke kringen. In deze periode begon de identiteit van de Orde vaste vorm te krijgen. Een eerste belangrijke stap was het uitkristalliseren van een eigen deontologie, waarvan de noodzaak sinds lange tijd werd gevoeld. De Manuel pratique de la profession d'avocat en Belgique (1869) geschreven door Edmond Picard en Gustave Duchaîne belichaamde dit streven volkomen. (16)
Op rechtswetenschappelijk vlak moeten we de stichting van het juridische blad La Belgique Judiciaire (1842) vermelden. Ondanks het bescheiden succes van dit tijdschrift werd het, door de hoofdzakelijk vaktechnische inslag, nooit een echt lijfblad van de balie. Deze eer viel ten beurt aan het weekblad Journal des Tribunaux, opgericht in 1881 met Edmond Picard als medestichter en eerste hoofdredacteur. De jongere uitdager voor La Belgique Judiciaire streefde ernaar een echte krant voor de advocatuur te zijn en bevatte niet alleen rechtsleer en becommentarieerde wetgeving maar ook editorialen, opiniestukken en samenvattingen van parlementaire debatten. (17)
Midden 19de eeuw ontstond de Conférence du Jeune Barreau de Bruxelles (CJJB), één van de oudste van het land. Na een eerste mislukte poging in 1841 (onder de naam Basoche) werd de CJJB in 1848 gesticht; formele autonomie werd bereikt in 1852. Naast het organiseren van discussies en pleitoefeningen voor stagiairs en jonge advocaten ontfermde de CJBB zich vanaf 1865 ook over de organisatie van kosteloze rechtsbijstand aan onvermogende burgers. De plechtige openingszittingen van het gerechtelijk jaar, met lezingen door jonge advocaten, werden een traditie binnen de Brusselse balie. Lidmaatschap was louter vrijwillig. Na een schuchtere start waren tegen de jaren 1870 zowat alle Brusselse stagiairs lid van de CJJB. De Conférence du Jeune Barreau de Bruxelles valt overigens niet te verwarren met de zgn. conférence des avocats van de Orde. (18) Dergelijke conférences konden sinds het KB van 13 maart 1887 ingericht worden door de tuchtraden; stagiairs waren verplicht om de zittingen bij te wonen. (19)
De Orde kon tegen het einde van de 19de eeuw trots en met zelfvertrouwen de nakende eeuwwisseling tegemoet zien. Het gezag dat uitging van het nieuwe, indrukwekkende Justitiepaleis (ingehuldigd in 1883) straalde af op de balie. Brusselse confraters behoorden tot de voortrekkers van de in 1886 gestichte Fédération des avocats belges, een beroepsvereniging die zich naast de lokale balies positioneerde. Franstalige Brusselaars zouden binnen de organisatie lange tijd de dienst uitmaken, en de keuze voor het Journal des Tribunaux als spreekbuis was evenmin toevallig. Tot de belangrijkste wapenfeiten van de Fédération behoren onder meer twee internationale advocatencongressen gehouden in Brussel (1897) en Luik (1905). (20)
Ondanks haar dynamisme en aanzien begon de Brusselse balie ook enkele scheuren te vertonen. Met de weigering om Marie Popelin, de eerste Belgische vrouw met een rechtendiploma, op het tableau in te schrijven barstte ook de discussie over de vervrouwelijking van de advocatuur los. (21) De kwestie zou voor de Eerste Wereldoorlog geen oplossing kennen; pas na een wetswijziging in 1922 (22) werden de eerste drie vrouwen (Paule Lamy, Marcelle Renson en Maguerite De Munter-Latinis) ingeschreven bij de Brusselse balie. (23) Ingrijpender voor eigentijdse waarnemers was de taalkwestie die, na enkele opflakkeringen in de voorgaande decennia, in 1889 onverwacht opnieuw naar het voorplan kwam met de hardnekkige weigering van de stagiair Maurits Josson om in het Frans verslag uit te brengen van zijn pro-Deozaken. (24) Eén van de gevolgen was de stichting in 1891van het Vlaams Pleitgenootschap (VPG) door Josson en enkele Brusselse advocaten. De vereniging had als doel om het Nederlands binnen de gerechtelijke wereld te bevorderen door middel van discussie, voordrachten en dergelijke, en betekende een uitdaging voor het eenzijdig Franstalige profiel van de Brusselse balie. Ondanks opeenvolgende taalwetten bleef het Frans de rechtstaal bij uitstek in de hoofdstad, tot de invoering van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken (1935). (25)
De zgn. crise du barreau zou rond het fin de siècle echter de grootste verdeeldheid zaaien binnen de Brusselse advocatuur. Oorzaak was de explosieve toename van het aantal advocaten ingeschreven bij de Brusselse Orde (van 260 in 1873 tot 750 in 1913 (26)), gecombineerd met een stagnatie van het aantal zaken. De situatie was vooral een probleem voor vele jonge confraters die moeilijk konden rondkomen en hun toevlucht zochten in alternatieven, zoals de privésector. De Orde nam middels een speciale commissie de regie in handen voor een discussie over eventuele beroepshervormingen. Met uitzondering van een wet op het gebruik van de titel van advocaat (27) werden de voorgestelde hervormingen (o.a. veranderingen van het rechtenonderwijs, afschaffing van het beroep van pleitbezorger, ...) voor de Eerste Wereldoorlog echter niet omgezet in wetgeving. (28)
De Duitse bezetting tijdens de Eerste Wereldoorlog plaatste de Brusselse Orde en haar stafhouder Léon Théodor - verkozen in 1913 en in functie voor de komende zes jaar - voor delicate principekwesties en heel wat praktische problemen. De openbaarheid van de zittingen was niet langer vanzelfsprekend: in het Justitiepaleis waren immers Duitse soldaten gelegerd. Daarnaast richtte de bezetter ook eigen militaire en burgerlijke rechtbanken op. Op organisatorisch vlak kreeg de Orde niet alleen te maken met financiële moeilijkheden. De opvolging van de stagiairs en de werking van het Bureau voor Kosteloze Bijstand kon evenmin gegarandeerd worden. In 1915 werd dan ook besloten om voorlopig geen nieuwe inschrijvingen door te voeren, en om het tableau en de lijst van stagiairs niet meer te publiceren. De Orde, danig afgeslankt door de afwezigheid van onder de wapens geroepen of uitgeweken advocaten, spoorde haar confraters aan om gewoon het werk te hernemen. Vele Brusselse advocaten zetten zich tijdens de oorlog in voor liefdadigheidsorganisaties, werkten mee aan de sluikpers, of onderhielden clandestiene contacten met de politieke wereld. De Orde kwam zelf vanwege haar principiële houding en protest regelmatig frontaal in aanvaring met de Duitse autoriteiten, culminerend in de arrestatie, deportatie (en uiteindelijke ballingschap) van stafhouder Théodor in 1915 en de deelname in de zgn. staking van het Belgische gerecht tegen de bezetter in 1918. (29)
De Eerste Wereldoorlog wordt, wat betreft de geschiedenis van de Brusselse balie, door de literatuur gezien als een kortstondige onderbreking van een ontwikkelingsproces begonnen in de negentiende eeuw. Afgezien van bepaalde specifieke dossiers - zoals het tuchtrechtelijk aanpakken van activistische confraters die zich hadden ingezet voor de Raad van Vlaanderen of de Waalse regering - zullen de vooroorlogse breuklijnen zich tijdens het interbellum blijven manifesteren. (30) Naast de reeds vermelde taalkwestie en de discussie over de rol van de vrouwelijke advocaten kwam namelijk ook de verhouding van de advocaten met de zakenwereld op het voorplan. Tegen 1921 waren immers ongeveer 470 Brusselse advocaten aangesteld als sekwester en vervulden een driehonderdtal confraters één of meerdere functies binnen het bedrijfsleven. Verscheidene stafhouders en leden van de (tucht)raad waren van mening dat de advocatuur gescheiden moest blijven van de zakenwereld. Vanwege de Orde werden uit deze traditionele en deontologische reflex diverse stappen ondernomen om de sekwesteropdrachten in te perken en de evolutie richting de privésector te kenteren - weliswaar met wisselend succes. (31)
De Orde werd tijdens de Tweede Wereldoorlog belichaamd door haar stafhouder, de in 1939 verkozen en in 1944 door Rexisten ontvoerde en vermoorde Louis Braffort. Gedurende de bezetting wenste de Orde garant te staan voor de traditionele waarden van de advocatuur en het blijven functioneren van de rechtsstaat. Daarnaast werd er door de Orde en de CJBB juridische en materiële steun georganiseerd voor gemobiliseerde en krijgsgevangene confraters en hun families. In het collectieve geheugen staat vooral het protest tegen de discriminatoire behandeling van Joodse advocaten en tegen de verplichte tewerkstelling naar Duitsland centraal. Vanaf het gerechtelijke jaar 1940-1941 tot februari 1945 werd het tableau niet meer gepubliceerd, al blijft het onduidelijk of hier deontologische dan wel pragmatische overwegingen primeerden. Dat de ideologische principes van de Orde overigens niet door iedereen gedeeld werden, bewijzen de tuchtonderzoeken naar 'inciviek' gedrag van bepaalde confraters, geopend in de eerste maanden na de bevrijding. (32)
De jaren 1950 en 1960 stonden enerzijds in het teken van reflectie en verandering. Als commissaire royal à la Réforme judiciaire speeldestafhouder Charles Van Reepinghen een sleutelrol bij de discussie over de hervormingen van het gerecht en de uiteindelijke totstandkoming van het Gerechtelijk Wetboek in 1967. Anderzijds bleven de kwesties uit het verleden doorsmeulen. Het spook van de barreau des affaires verscheen opnieuw, ditmaal in de gedaante van de advocatenassociaties. Daarnaast moest ook een evenwicht gevonden worden tussen de noden van de naoorlogse economische expansie en (in het zog van de prille Europese integratie) de internationalisering aan de ene kant, en de belangen van de Belgische advocatuur aan de andere kant. De balie zou uiteindelijk opteren voor een eerder pragmatische lijn van adaptatie en hervorming. (33)
Hoewel ten slotte de taalvrede sinds de wet Marck van 1935 verzekerd leek, leidde de structurele ondervertegenwoordiging van Nederlandstaligen binnen de Raad van de Orde in 1960 opnieuw tot protest. De doorgevoerde aanpassingen (o.a. ontdubbelen van de kandidatenlijsten, de oprichting van een uitsluitend Nederlandstalige tuchtkamer, de consequente vertaling van bepaalde documenten, ...) bleken geen garantie op communautaire rust. In de periode 1978-1981 volgden de hervormingsvoorstellen, vergaderingen, gemengde en afzonderlijke commissies en een referendum (16 juni 1980) elkaar op, om in mei 1982 ten slotte uit te monden in een definitieve beslissing. Het zgn. Protocol van Hanzinelle, het "sleuteldocument" waarmee de splitsing beklonken werd, voorzag in de oprichting van een Nederlandstalige en Franstalige Orde. Het patrimonium van de Orde werd volgens een eenderde-tweederde verdeelsleutel aan resp. de Nederlandstalige en Franstalige Orde toegekend; de werkingskosten voor de bibliotheek en vestiaire bleven proportioneel gedragen. De scheiding werd bezegeld met de wet van 4 mei 1984 (34), en in januari 1985 startten beide afzonderlijke Ordes hun werkzaamheden. (35)

Bevoegdheden en activiteiten

Historisch gezien viel de Brusselse balie uiteen in een aantal verschillende publiekrechtelijke en private structuren, die zowel officiële functies vervulden alsook diverse andere activiteiten ontplooiden.
De wettelijke taken en bevoegdheden van de diverse organen van de Orde van Advocaten, de enige officiële structuur, worden gedefinieerd in het Gerechtelijk Wetboek (art. 428-508). (36)
De (algemene) vergadering (assemblée (générale)) van de Orde heeft als voornaamste functie het verkiezen van de (tucht)raad en de stafhouder. (37) Ze kan echter ook omwille van andere redenen samenkomen, bijvoorbeeld om te debatteren over bepaalde hervormingen of allerlei kwesties die de advocaten beroepshalve aanbelangen.
De (tucht)raad (38) (conseil (de discipline)) heeft vooreerst de opdracht de eer van de Orde alsook de "beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid" (39) waarop het advocatenberoep gebaseerd is te bewaken, en om inbreuken op deze deontologie te bestraffen. Tuchtrechtelijke inbreuken worden ofwel ambtshalve, ofwel na een klacht, ofwel op schriftelijke aangifte van de procureur-generaal aan de stafhouder overgemaakt; de stafhouder brengt vervolgens de raad op de hoogte van de zaak. (40) De raad kan beslissen om de betrokken advocaat te waarschuwen, te censureren, te berispen, te schorsen of zelfs te schrappen van het tableau of de lijst van stagiairs (41). Tegen de tuchtrechtelijke beslissingen van de raad kan hoger beroep worden ingesteld door zowel de betrokkene als de procureur-generaal. (42) De tuchtraden van beroep, opgericht bij de zetel van het hof van beroep, zijn hiervoor bevoegd. (43)
De raad is verder verantwoordelijk voor het opstellen, uiterlijk tegen 1 december, van het tableau en de lijst van stagiairs. (44) Om ingeschreven te worden op het tableau moeten advocaten drie jaar lang stage hebben gelopen. (45) De raad houdt toezicht op de stageverplichtingen; ze kan een stageperiode verlengen en zelfs het recht van inschrijving op het tableau weigeren. De Raad organiseert bovendien conferenties waaraan de stagiairs moeten deelnemen om het pleiten te oefenen en zich de deontologie eigen te maken. (46)
De Raad beslist over o.a. herinschrijvingen en het inschrijven van ere-advocaten. (47) Verder kan ze de ere-advocaten, advocaten en stagiairs verplichten een bijdrage (cotisation)te betalen, en zorgt ze voor de goede naleving van de regels betreffende de bijdragen voor de sociale voorzorg van de balie. (48)
De wet geeft de (tucht)raad ten slotte de opdracht tot het organiseren van juridische bijstand aan onvermogenden, via de oprichting van een Bureau van consultatie en verdediging (Bureau de consultation et de défense). (49) Dit bureau werd reeds ingesteld met het decreet van 1810 (onder de naam Bureau de consultation gratuite). De Raad beslist over de procedures en werking van dit orgaan. Stagairs belast met dergelijke pro-Deozaken moeten daarover verslag uitbrengen aan het Bureau. (50)
De stafhouder (bâtonnier) zit als hoofd van de Orde de vergaderingen van de algemene vergadering, de Raad en in de praktijk ook verschillende commissies voor. Hij (51) bemiddelt bij geschillen tussen confraters, verstrekt advies of geeft verduidelijking bij bepaalde deontologische en juridische kwesties. De stafhouder treedt op als vertegenwoordiger van de Orde bij officiële plechtigheden en allerhande evenementen. Vanwege zijn functie was voor de stafhouder vaak een gezaghebbende rol weggelegd in het debat over en de uitwerking van bepaalde belangrijke juridische hervormingen, wetgevende initiatieven e.d.
De secretaris van de Raad fungeert eveneens als secretaris van de Orde. (52) In de praktijk staat het secretariaat in voor het opstellen (en ondertekenen) van de notulen van vergaderingen van de Orde, de Raad en diverse commissies; het opstellen en ondertekenen van diverse administratieve stukken van de Orde (53) (o.a. oproepingsbrieven, convocaties, minuten van uitspraken van de Raad, inschrijvingsbewijzen e.d.); het bijhouden van de briefwisseling, registers, dossiers en andere stukken van de Raad; de praktische organisatie en opvolging van de stages; het opstellen en publiceren van het tableau; enz.
Naast de bij wet bepaalde opdrachten van de verschillende officiële organen van de Orde, vervullen allerlei aanverwante structuren taken die bijdragen aan de opleiding van jonge advocaten en het beroepsleven binnen de balie.
De Conférence du Jeune Barreau de Bruxelles, opgericht in 1848, organiseerde vooreerst allerlei pleitoefeningen en simulaties van gerechtelijke zittingen. Deze vereniging verzorgde eveneens een vorm van kosteloze rechtsbijstand voor behoeftige en/of onvermogende personen. Daarnaast ontplooide de CJBB een reeks culturele activiteiten waaronder haar befaamde openingszittingen voor het nieuwe gerechtelijke jaar, een eigen bibliotheek, uitstappen, theaterstukken, enz.
Het Vlaams Pleitgenootschap, ontstaan als reactie tegen het eenduidig Franstalig karakter van de Brusselse balie, kan opgevat worden als een soort Nederlandstalige tegenhanger van de CJBB. De focus van deze vereniging lag dan ook bij uitstek op de bevordering van het gebruik van het Nederlands in de gerechtelijke wereld - onder meer door het organiseren van eigen openingszittingen, uitstappen, het inrichten van prijzen voor welsprekendheid en beste pleiter, e.d.

Organisatie

Balies bezitten zelf geen wettelijk statuut. Enkel de Ordes van Advocaten genieten rechtspersoonlijkheid. (54) In wat volgt bespreken we de organisatie van deze officiële structuur.
De Orde van Advocaten (Ordre des Avocats) is een beroepsorganisatie van publiekrechtelijke aard, bestaande uit alle advocaten ingeschreven op het tableau. (55) In de opeenvolgende wetgeving - het décret impérial van 1810, het koninklijk besluit van 1836, het Gerechtelijk Wetboek van 1967 - worden expliciet de volgende organen van de Orde vermeld: de algemene vergadering, de (tucht)raad, de stafhouder en de secretaris.
De Orde kon aanvankelijk enkel in algemene vergadering (assemblée générale) geconvoceerd worden door de stafhouder voor de verkiezing van de Raad. (56) Van het KB van 1836 tot het in werking treden van het GWB kon naast de stafhouder ook de procureur-generaal bij het hof van beroep de Orde samenroepen, en dit eveneens voor andere redenen dan het kiezen van de Raad. (57) Tot 1836 moest de procureur-generaal voor deze bijeenkomst zijn akkoord geven en zat hij eveneens de algemene vergadering voor (58). Sinds het KB van 1836 vervult de stafhouder de rol van voorzitter (59).
De tuchtraad (conseil de discipline) of kortweg Raad (conseil)wordt verkozen door de Orde in algemene vergadering, waarvoor alle op het tableau ingeschreven confraters worden uitgenodigd. Het aantal raadsleden is bij wet vastgelegd; de Raad van de Brusselse Orde telde steeds het maximum aantal leden. (60) Onder het decreet van 1810 verkoos men uit de twee-derde oudste advocaten van de Orde een aantal kandidaat-raadsleden gelijk aan tweemaal het in de wet voorziene aantal; uit deze lijst benoemde de procureur-generaal dan de uiteindelijke tuchtraad. (61) Sinds het KB van 1836 wordt de tuchtraad rechtstreeks, bij betrekkelijke meerderheid verkozen uit alle advocaten van de Orde. (62) De namen van de raadsleden worden binnen de acht dagen door de stafhouder doorgestuurd naar de procureur-generaal bij het hof van beroep. (63)
De (tucht)raad wordt bijeengeroepen en voorgezeten door de stafhouder. (64) Sinds het GWB kan ze alleen beslissingen nemen als de meerderheid van de raadsleden aanwezig is. (65) Wettelijk wordt ten slotte gestipuleerd dat de (tucht)raden voor het afsluiten van elk gerechtelijk jaar vernieuwd moeten worden. (66)
De stafhouder werd tot 1836 aangeduid door de procureur-generaal uit de leden van de tuchtraad. (67) Na het KB van 1836 werd de stafhouder rechtstreeks verkozen door de algemene vergadering van de Orde en dit bij volstrekte meerderheid, op basis van een afzonderlijke lijst en vóór de verkiezing van de leden van de Raad. (68) Hij is het hoofd van de Orde en neemt eveneens de rol van voorzitter van de algemene vergadering en van de Raad waar. (69)
In het keizerlijk decreet van 1810 vervult het laatst op het tableau ingeschreven lid van de tuchtraad de functie van secretaris. (70) Vanaf 1836 viel deze vereiste weg en werd de secretaris van de Raad eveneens secretaris van de Orde. (71)
De functie van penningmeester is niet wettelijk vastgelegd. Niettemin werd al op de eerste zitting van de tuchtraad op 22 juni 1811 een penningmeester aangeduid. Deze persoon stond in voor het financieel beheer van de Orde (personeelsuitgaven, kosten voor infrastructuur en onderhoud, enz.).
Ten slotte vermelden we nog de bibliotheek van de balie. Al in 1811 werd de penningmeester belast met het aankopen van bepaalde werken. De officiële oprichting volgde pas in 1842; tien jaar later werd een volwaardige bibliothecaris aangesteld. De werking werd aanvankelijk vooral gefinancierd door bijdragen van de advocaten. De bibliotheek van de Brusselse balie is unitair gebleven, en bevindt zich nog steeds in hetzelfde lokaal sinds de inhuldiging van het nieuwe Justitiepaleis in 1883. (72)

Archief

Geschiedenis

De archiefbescheiden werden, voor zover we konden achterhalen, steeds bewaard in het Brusselse Justitiepaleis.

Verwerving

De Ordes van Advocaten zijn niet verplicht om hun archieven aan het Rijksarchief over te dragen, gezien ze niet vallen onder toepassing van het eerste lid van art. 1 van de Archiefwet. (73)
De archieven beschreven in deze inventaris werden door de Ordre français des avocats du barreau de Bruxelles in bewaring gegeven aan het Rijksarchief en blijven bijgevolg de eigendom van de (Franstalige) Orde. De archieven zijn in twee verschillende etappes verworven door het Rijksarchief. Het grootste gedeelte werd op een onbekende datum overgebracht, vermoedelijk in de periode 1980-2000. (74) Op 16 februari 2017 werd ten slotte enkele meter aan aanvullend materiaal, hoofdzakelijk bestaande uit diverse types registers bewaard in het Justitiepaleis, naar het Rijksarchief overgebracht. (75)

Inhoud

Het archief heeft betrekking op het grondgebied van Brussel, als zetel van het hof van beroep van het ressort. Het beslaat de periode ca. 1811-1989 (weliswaar hoofdzakelijk de jaren 1811-1964).
Het dagelijkse reilen en zeilen van de Orde en haar verschillende organen komt naar voor in diverse algemene bronnenreeksen, in het bijzonder de uitgebreide correspondentie van de stafhouder.
In het archiefmateriaal gevormd door de stafhouder vinden we verder stukken in verband met discussies rond juridische en beroepshervormingen, deontologische zaken en allerlei belangrijke principekwesties (vb. de taalwetgeving, de houding van de Orde tijdens de beide wereldoorlogen, de sekwesterproblematiek, de bedrijfsbelasting, ...).
De dossiers van door de stafhouder afgehandelde zaken zijn vast en zeker het vermelden waard. (76) Het gaat om een in aantal vrij grote reeks chronologisch geordende dossiers betreffende allerhande deontologische en juridische vragen, verzoeken tot interventie, kleine geschillen tussen confraters, allerlei incidenten waarbij advocaten betrokken waren, enz. Ze bevatten vooral briefwisseling tussen de stafhouder en de verschillende partijen (advocaten, particulieren, bedrijven, het parket, ...), nota's en soms ook stukken opgestuurd om de vraag of klacht te stofferen. De behandeling van de zaak kan chronologisch gevolgd worden aan de hand van de notities op de kaft (inclusief verwijzingen naar vb. een telefoongesprek of persoonlijk onderhoud met de stafhouder). Hoewel deze dossiers in omvang doorgaans eerder beperkt zijn, gaat het hier om een essentiële bron voor de studie van o.a. de dagelijkse werking van de Brusselse balie, de relaties tussen advocaten onderling, de rol van de stafhouder, de opstelling van de advocaten ten opzichte van hun cliënten, de verhouding van het parket met de advocaten van haar ressort, enz.
Wat het secretariaat betreft vermelden we - afgezien van allerhande stukken betreffende o.a. de publicatie van het tableau, het financieel beheer en het personeelsbeleid - bij uitstek de stukken die verband houden met de organisatie van de zittingen van de Raad en het opstellen van de officiële notulen van deze bijeenkomsten. De nagenoeg complete serie notulen van de zittingen, die de agendapunten, genomen beslissingen alsook vaak een beknopte weerslag van de discussies bevatten, vormt één van de centrale reeksen van het archief. Een gelieerde en erg interessante bron is de (helaas erg onvolledige en moeilijk toegankelijke) reeks dossiers van zaken behandeld op de zittingen van de Raad. Ze zijn chronologisch geordend, op datum van de zitting waarop de definitieve beslissing over de zaak viel. Het betreft voornamelijk dossiers in verband met tuchtzaken maar evengoed vragen voor informatie, de organisatie van de jaarlijkse verkiezingen van de Raad, enz. Dossiers van tuchtzaken bestaan meestal uit diverse stukken van de aangestelde verslaggever (o.a. een rapport over de zaak, allerlei bewijsstukken, correspondentie) en een uittreksel van de uiteindelijke beslissing van de Raad.
Het aspect gratis rechtsbijstand komt aan bod in de stukken van het Bureau voor Kosteloze Raadpleging - zie onder meer de registers van zaken behandeld door stagiairs (nrs. 524-525) en een aantal dossiers betreffende dergelijke zaken, wellicht door de advocaten neergelegd bij de balie (nrs. 526-590). Deze stukken dateren echter hoofdzakelijk uit de jaren 1920-1940. Het archiefmateriaal gevormd door de CJBB bevat eveneens stukken die getuigen van de juridische hulpverlening geboden door deze organisatie aan behoeftige personen - het gaat om o.a. rekesten, registers, staten en andere stukken opgemaakt in het kader van de verdeling en de opvolging van de zaken. Deze stukken beslaan ongeveer de periode 1866-1906.
Het archief bevat eveneens een aantal archiefbestanddelen gevormd door diverse met de Orde gelieerde organisaties (zoals de CCJB en het Vlaams Pleitgenootschap). Het gaat slechts om fragmenten van hun oorspronkelijke archieven. Vooral de stukken inzake allerlei ledenactiviteiten zijn interessant - zie bijvoorbeeld de brochures en andere stukken in verband met de openingszittingen van de CCJB.
Ten slotte kunnen ook de diverse archiefbestanddelen van enkele voormalige stafhouders (Charles Dejongh, Léon Hennebicq) of cruciale figuren binnen de Brusselse Orde (Edmond Picard en zijn familie) nuttig zijn voor onderzoekers. Het gaat om stukken die in principe niet thuishoren in het archief van de Orde, maar er gaandeweg mee vermengd geraakten. Niet alleen wordt hiermee de verwevenheid geïllustreerd van de verschillende functies bekleed door één persoon. De stukken belichten eveneens bepaalde aspecten, functies of activiteiten die in het archief van de Orde nauwelijks aan bod komen.
Voor de volledigheid noteren we nog enkele stukken die hoogstwaarschijnlijk per vergissing in het archief van de Orde zijn terechtgekomen. Eén dossier werd geïntegreerd in het archief van de correctionele rechtbank van Brussel.

Taal en schrift van de documenten

De stukken zijn overwegend in het Frans en het Nederlands opgesteld.

Selecties en vernietigingen

De lezer zal bij het doornemen van deze inventaris heel wat hiaten constateren in de verschillende onderdelen van het archief.
Om te beginnen is de correspondentie van de stafhouder niet volledig: ze beslaat ruwweg de periode 1907-1964. De reeks dossiers van door de stafhouder afgehandelde zaken is evenmin compleet; zo ontbreken bijvoorbeeld de dossiers daterend van vóór het gerechtelijk jaar 1928-1929 en van de jaren 1931-1940. Verder zijn er nauwelijks beleidsdossiers van de stafhouder uit de 19de eeuw bewaard gebleven. Voor wat betreft het archief gevormd door (het secretariaat van) de Raad komen we tot soortgelijke vaststellingen. De reeks notulen is gelukkig quasi volledig - al ontbreken de volumes "T" en "U" (periode 1954-1964) - maar ook dit onderdeel bevat hoofdzakelijk archief uit de twintigste eeuw.
Een verklaring voor deze lacunes is niet onmiddellijk voorhanden. De twee eeuwen die verstreken zijn sinds de oprichting van de Brusselse balie hebben duidelijk hun sporen nagelaten. Hoewel de door de bezetter aangestoken brand van het Justitiepaleis van 3-4 september 1944 ervoor zorgde dat de bibliotheekcollectie van de Balie in de vlammen opging (77), zou er geen verband zijn met de hiaten in dit archief: de vlammen zouden immers niet de vleugel aangetast hebben waar de lokalen van de balie zich bevonden. (78) Waarschijnlijk moet een deel van de verklaring gezocht worden in de regelmatige herverkiezing van de stafhouder en het verloop binnen de overige organen van de Orde. Ongetwijfeld werd wat strikt gezien archief van de Orde is niet steeds gecentraliseerd in de kantoren van de Orde, maar daarentegen bewaard op het kabinet of ten huize van voormalige stafhouders, raadsleden, secretarissen, penningmeesters e.d. De vermenging met persoonlijk archief van enkele stafhouders zou hier een aanwijzing van kunnen zijn.
Enkele opmerkingen over de uitgevoerde selectieve bewerkingen zijn noodzakelijk. Afgezien van de stukken verwijderd als gevolg van de gebruikelijke schoning van het archiefbestand (o.a. dubbels, blanco documenten, gescheurde of te zwaar beschadigde stukken) hebben we bepaalde stukken moeten vernietigen wegens hun slechte materiële staat, vooral omwille van aantasting door schimmels. Concreet gaat het om de nrs. 7781-7782 (gerechtelijk jaar 1935-1936) en nr. 9286 (gerechtelijk jaar 1944-1945) van de dossiers van de Raad. (79)
Daarnaast werden enkele stukken vernietigd waarvan de bewaring nauwelijks te verantwoorden viel: rekeningenafschriften van de Postcheckrekening van de Orde (1957-1960) en bewijsstukken in verband met het betalen van de jaarlijkse bijdrage door advocaten (1964). Drukwerken waarvan de bewaring niet strikt noodzakelijk was, werden evenmin in het archief opgenomen. Naast allerlei losse katernen en fragmenten uit officiële gepubliceerde verslagen en publicaties zoals het Staatsblad, ging het in het bijzonder om periodieken zoals het Journal des Tribunaux, volumes van de Pasicrisie, onvolledige naslagwerken, losse nummers van juridische tijdschriften en dergelijke. De drukwerken bevatten geen annotaties en kunnen bovendien geraadpleegd worden in heel wat Belgische bibliotheken en onderzoekscentra.
Ten slotte werd een in het archief aangetroffen dossier in verband met een strafzaak gevonnist door de correctionele rechtbank van Brussel verplaatst naar het corresponderende archiefbestand. (80) De omstandigheden waarin dit dossier in het balie-archief zijn terechtgekomen konden niet opgehelderd worden. Waarschijnlijk is dit stuk, gezien de aanwezigheid van de diverse hoven en rechtbanken in het Justitiepaleis incl. hun bijhorende secretariaten/griffies, op een bepaalde moment vermengd geraakt met het archief beschreven in deze inventaris.

Toekomstige aangroei/aanvullingen

Er worden in principe geen aanvullingen meer verwacht. Gezien de hiaten in bepaalde reeksen, blijft het echter mogelijk dat de toekomstige ontsluiting van verwante bestanden of de overdracht van andere archiefbestanden uit het Justitiepaleis stukken aan het licht brengt die thuis horen in dit archief.

Ordening

De ordening reflecteert in eerste instantie de organisatie of persoon die het archief gevormd heeft. Hierdoor wordt een maximum aan contextinformatie expliciet gemaakt en bewaard.
Wat het archief van de Orde van Advocaten betreft, werd geopteerd voor een hybride ordening, op orgaan en vervolgens functie (activiteit). Het (historische) wetgevend kader evenals reeds bestaande inventarissen hebben gediend als inspiratie. (81)
De overige onderdelen volgen, gezien hun institutionele en historische context, en omwille van de geringe omvang van deze archiefbestanddelen, een functionele ordening.

Voorwaarden voor de raadpleging

De archiefbescheiden ouder dan 100 jaar zijn vrij raadpleegbaar. Stukken van jonger dan 100 jaar zijn, in geval van opzoekingen met een juridisch doel, raadpleegbaar mits toestemming van de stafhouder van de Franstalige Orde (82) of, in het kader van historisch of wetenschappelijk onderzoek, mits toelating van de Algemeen Rijksarchivaris. In het laatste geval zal worden gevraagd een onderzoeksverklaring te ondertekenen.

Voorwaarden voor de reproductie

Inzake de reproductie van archiefstukken gelden de voorwaarden en tarieven van toepassing in het Rijksarchief. (83)

Toegangen

De registers en fichesystemen beschreven onder nrs. 63-71 dienen als klapper op de indicateurs van de briefwisseling van de stafhouder (nrs. 59-62). Niet alle steekkaarten konden echter, bij gebrek aan een volledige reeks indicateurs, nauwkeurig gecontextualiseerd en gedateerd worden.
Er is geen eigentijdse toegang voorhanden voor zowel de reeks dossiers van door de stafhouder afgehandelde zaken als de dossiers van zaken behandeld op de zittingen van de Raad. De originele rollen, waar in de stukken en dossiers vaak naar verwezen wordt, zijn niet overgedragen en moeten wellicht als verloren beschouwd worden.

Documenten met een verwante inhoud

Als eerste belangrijke complement op het archief behandeld in deze inventaris moeten we de collectie vermelden van de (nog steeds unitaire) bibliotheek van de Brusselse balie. Naast allerlei portretten, gelegenheidsdrukwerken, periodieken, juridische naslagwerken e.d. ontvangen/verzameld door stafhouders, worden in het Justitiepaleis immers nog archiefstukken bewaard inzake de balie in het algemeen (14 mappen), de Conférence du Jeune Barreau de Bruxelles (15 mappen), de Union internationale des Avocats (9 mappen), alsook een aantal fotoalbums en losse foto's (o.a. inzake de balie tijdens de jaren 1938-1939, en in verband met de Section coloniale). (84)
Wat de unitaire balie en daarna de Franstalige Ordre voor de laatste decennia van de twintigste eeuw betreft, noteren we het archiefbestand in bewaring gegeven aan het Rijksarchief te Brussel in 2009.Het gaat concreet om arbitragedossiers (1972-2008) en vooral tuchtdossiers (periode 1970-1998). (85)
Het Rijksarchief heeft daarnaast de voorbije jaren archieven verworven van andere Belgische Ordes. De archieven van de Raad van de Orde van Advocaten van Dendermonde (86) (periode 1915-2005) en van Gent (87) (periode 1914-1988) bevinden zich vandaag in het Rijksarchief te Gent.
De Ordre national des Avocats de Belgique - Nationale Orde van Advocaten van België mag, gezien haar functie als koepelorganisatie, evenmin uit het oog verloren worden. Haar archieven worden bewaard in het Algemeen Rijksarchief. Het gaat meer bepaald om een archiefbestand dat dateert uit de periode 1968-2002 en in totaal ongeveer 47 s.m. beslaat. (88)
Wat het Vlaams Pleitgenootschap betreft, werd door de vereniging beslist om het archief neer te leggen bij het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme. Dit archiefmateriaal werd verworven in 1996 en 2008 en beslaat in totaal zo'n 7 s.m.. (89) De stukken dateren uit de periode 1909-2006.
Onderzoekers kunnen ten slotte ook aan de slag met persoons- of bedrijfsarchieven van particuliere advocaten en advocatenkantoren. De wetenschappelijke literatuur (90)en naslagwerken zoals Bronnen voor de studie van het hedendaagse België (91) geven samen met waardevolle instrumenten als Archiefbank (92) enODIS (93)reeds een eerste aanzet om dit soort archieven op het spoor te komen. Het Algemeen Rijksarchief en de Rijksarchieven in de provincies bewaren zelf heel wat archieven van advocaten. Het is onmogelijk ze hier allemaal op te sommen; we verwijzen de lezer daarom naar enerzijds de verschillende gepubliceerde bestandenoverzichten en de overzichten van particuliere archieven in het algemeen (94), en anderzijds naar de zoekrobot op https://search.arch.be.

Bibliografie

s.n., La conférence du Jeune Barreau de Bruxelles 1841-1991, Brussel, 1991.
COPPEIN B. en De BROUWER J., Tweehonderd jaar balie te Brussel 1811-2011. Verkenning van een rijk verleden, in Rechtskundig Weekblad, 2011, 74, p. 1714-1721.
COPPEIN B. en DE BROUWER J., Geschiedenis van de balie van Brussel - Histoire du Barreau de Bruxelles 1811-2011, Brussel, 2012.
DUCHAINE G. en PICARD E., Manuel pratique de la profession d'avocat en Belgique, Bruxelles, 1869.
MARTYN G., DONKER G., FABER S. en HEIRBAUT, D., Geschiedenis van de advocatuur in de Lage Landen, Hilversum, 2009.
MARTYN G. en QUINTELIER B., De juridische vrije beroepen, in VAN DEN EECKHOUT P. en VANTHEMSCHE G., Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19e-21e eeuw. Derde herziene en uitgebreide uitgave, Brussel, 2017, p. 1120-1140.
MARTYN G. en QUINTELIER B., De Belgische advocatuur, in DE KOSTER M., HEIRBAUT D. en ROUSSEAUX X., Tweehonderd jaar justitie: historische encyclopedie van de Belgische justitie - Deux siècles de justice: encyclopédie historique de la justice belge, Brugge, 2015, p. 363-368.
QUINTELIER B., Bronnen voor de geschiedenis van de Belgische advocatuur: de archieven van de ordes van advocaten, in DE KOSTER M., ROUSSEAUX X. en VELLE K., Justitie en maatschappij: bronnen en perspectieven van de socio-politieke geschiedenis van justitie in België (1795-2005) - Justice et société: sources et perspectives pour l'histoire socio-politique de la justice en Belgique (1795-2005)(IAP Series), Brussel, 2010, p. 21-37.
VELLE K., Juridische beroepen in België (19de-20ste eeuw). Inleiding, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis - Revue belge d'Histoire contemporaine, 1998, 28, p. 7-30.

Beschrijvingsbeheer

De inventarisering van dit bestand kwam tot stand in het kader van de Interuniversitaire Attractiepool "Justice & Populations".
Een eerste, voorlopige verwerking (meer bepaald herverpakking en voorlopige beschrijving van bepaalde reeksen) werd begonnen door Luc Janssens in samenwerking met een aantal jobstudenten (2008) en gedeeltelijk verder gezet door Christophe Martens (2014-2016). De definitieve ordening, beschrijving en herverpakking gebeurde door Gertjan Desmet (2016-2018).

Lijst van de stafhouders (gerechtelijke jaren 1811-1985)

Lijst van de stafhouders (gerechtelijke jaren 1811-1985)

 115 sept. 1934 - 2 apr. 1935.1 pak
 27 mrt. 1935 - 11 sept. 1935.1 pak
 317 jan. 1939 - 11 juli 1939.1 pak
 419 apr. 1939 - 25 apr. 1940.1 pak
 521 nov. 1939 - 25 dec. 1940.1 pak
 620 nov. 1939 - 17 sept. 1941.1 pak
 75 sept. 1941 - 7 sept. 1942.1 pak
 81907-1944 (vnl. 1935-1944).1 pak
 91912-1944 (vnl. 1935-1944).1 pak
 101940-1944 (deel 1).1 pak
 111940-1944 (deel 2).1 pak
 121936-1951 (vnl. 1940-1945).1 omslag
 131935-1952 (vnl. 1947-1951).1 omslag
 1426 mei 1944 - 28 jan. 1946.1 pak
 1526 okt. 1944 - 6 sept. 1946.1 omslag
 1630 okt. 1944 - 28 juli 1946.1 pak
 171 juli 1946 - 13 sept. 1946.1 omslag
 1822 jan. 1947 - 26 mrt. 1948.1 pak
 1912 jan. 1948 - 11 sept. 1948.1 pak
 207 mrt. 1947 - 22 feb. 1950 (vnl. sept. 1948 - mrt. 1949).1 pak
 2116 sept. 1946 - 30 mrt. 1949 (vnl. 1948-1949).1 pak
 2224 mrt. 1949 - 15 sept. 1949.1 omslag
 235 apr. 1949 - 12 sept. 1950.1 pak
 247 sept. 1950 - 21 feb. 1951.1 pak
 2521 feb. 1951 - 13 sept. 1951.1 pak
 261952-1954 (vnl. feb. 1953 - okt. 1953).1 pak
 279 sept. 1952 - 18 feb. 1953.1 pak
 2816 sept. 1953 - 31 mrt. 1954.1 pak
 291 apr. 1954 - 30 dec. 1954.1 pak
 6671954-1955 (vnl. juli 1954 - juni 1955).1 pak
 3020 sept. 1954 - 30 apr. 1956.1 pak
 311954-1956 (vnl. mei 1956 - sept. 1956).1 pak
 3214 aug. 1956 - 31 jan. 1957.1 pak
 331955-1957 (vnl. feb. 1957 - sept. 1957).1 pak
 341956-1957 (vnl. juni 1957 - jan. 1958).1 pak
 352 feb. 1958 - 30 aug. 1958.1 pak
 3614 apr. 1958 - 31 jan. 1959.1 pak
 372 feb. 1959 - 29 aug. 1959.1 pak
 3831 aug. 1959 - 31 mrt. 1960.1 pak
 391959-1960 (vnl. feb. 1960 - aug. 1960).1 omslag
 401960 (vnl. apr.-juli).1 omslag
 412 mrt. 1960 - 31 jan. 1961.1 pak
 421960-1961 (vnl. feb. 1961 - aug. 1961).1 pak
 431962-1964 (vnl. mei 1963 - jan. 1964).1 pak
 4425 jan. 1964 - 31 aug. 1964.1 pak
 451936-1937.1 omslag
 461943-1944.1 omslag
 471944-1945.1 omslag
 481945-1946.1 omslag
 491949-1950.1 omslag
 501950-1951.1 omslag
 511951-1952.1 omslag
 521952-1953.1 omslag
 531954-1955.1 stuk
 541956-1957.1 omslag
 551957-1958.1 stuk
 561960-1961.2 stukken
 571961-1962.1 pak
 581962-1963.1 pak
 5921 juli 1893 - 30 sept. 1907 (nrs. 1-12369).1 deel
 601 okt. 1907 - 16 mrt. 1914 (nrs. 1-9619).1 deel
 6116 mrt. 1914 - 28 feb. 1922 (nrs. 1-12650).1 deel
 6213 apr. 1945 - 28 feb. 1947 (nrs. 1-12974).1 deel
 63[1893-1904].1 deel
 64[1904-1907].1 deel
 65[jaren 1920-1930?].1 omslag
 6622 feb. 1932 - 18 mei 1935.1 kaartsysteem
 6720 mei 1935 - 16 mrt. 1938.1 kaartsysteem
 6817 mrt. 1938 - 29 okt. 1941.1 kaartsysteem
 69[ca. 1941-1945?].1 kaartsysteem
 70A-K. ca. 1945-1949.1 kaartsysteem
 71L-Z. ca. 1945-1949.1 kaartsysteem
 7223 okt. 1924 - 26 juni 1925 (nrs. 1-1000).1 deel
 7325 juni 1925 - 6 jan. 1926 (nrs. 1-1002).1 deel
 746 jan. 1926 - 22 mei 1926 (nrs. 1-1001).1 deel
 7527 mei 1926 - 9 dec. 1926 (nrs. 1-1000).1 deel
 769 dec. 1926 - 4 mei 1927 (nrs. 1-1000).1 deel
 774 mei 1927 - 25 nov. 1927 (nrs. 1-1000).1 deel
 7825 nov. 1927 - 24 mei 1928 (nrs. 1-1008).1 deel
 7924 mei 1928 - 2 jan. 1929 (nrs. 1-1000).1 deel
 802 jan. 1929 - 6 juni 1929 (nrs. 1-1001).1 deel
 816 juni 1929 - 4 dec. 1929 (nrs. 1-1000).1 deel
 824 dec. 1929 - 11 apr. 1930 (nrs. 1-998).1 deel
 8311 apr. 1930 - 7 okt. 1930 (nrs. 1-1000).1 deel
 847 okt. 1930 - 13 feb. 1931 (nrs. 1-1000).1 deel
 8513 feb. 1931 - 10 juli 1931 (nrs. 1-1000).1 deel
 8610 juli 1931 - 26 dec. 1931 (nrs. 1-1000).1 deel
 8728 dec. 1931 - 12 mei 1932 (nrs. 1-999).1 deel
 8813 mei 1932 - 7 nov. 1932 (nrs. 1-1000).1 deel
 897 nov. 1932 - 27 juni 1933 (nrs. 1-1000).1 deel
 9027 juni 1933 - 24 juli 1934 (nrs. 1-1000).1 deel
 9124 juli 1934 - 26 juni 1935 (nrs. 1-1000).1 deel
 9226 juni 1935 - 17 juli 1936 (nrs. 1-1000).1 deel
 9317 juli 1936 - 21 sept. 1937 (nrs. 1-1000).1 deel
 9421 sept. 1937 - 21 nov. 1938 (nrs. 1-1000).1 deel
 9521 nov. 1938 - 20 mrt. 1940 (nrs. 1-1000).1 deel
 9620 mrt. 1940 - 26 mei 1942 (nrs. 1-1000).1 deel
 9711 okt. 1944 - 17 mrt. 1945 (nrs. 1-1004).1 deel
 9819 mrt. 1945 - 26 sept. 1945 (nrs. 1-500).1 deel
 9927 sept. 1945 - 10 mei 1946 (nrs. 1-500).1 deel
 10011 mei 1946 - 25 mrt. 1947 (nrs. 1-500).1 deel
 10124 mrt. 1947 - 5 apr. 1948 (nrs. 1-500).1 deel
 1029 apr. 1948 - 24 juni 1949 (nrs. 1-500).1 deel
 10325 juni 1949 - 5 feb. 1951 (nrs. 1-500).1 deel
 1047 feb. 1951 - 19 sept. 1952 (nrs. 1-500).1 deel
 10523 sept. 1952 - 23 feb. 1956 (nrs. 1-501).1 deel