Name: Parochie Rotselaar (Sint-Pieters)
Period: 1500-9999
Archive repository: State archives in Leuven
Heading : Parishes, church councils and Holy Spirit Tables
Authors: Bart Minnen — Eddy Put — Willy Stevens
Year of publication: 2014
Code of the inventory: 645
De oudste vermelding van de parochie Rotselaar dateert uit 1044. De band die de parochie aanvankelijk had met het Luikse Sint-Bartholomeuskapittel is niet helemaal duidelijk: de kanunniken hebben aanvankelijk minstens een deel van de parochiale inkomsten van Rotselaar genoten. Op een bepaald moment moeten het patronaatsrecht en de tienden in handen van de heren van Rotselaar gekomen zijn. In het begin van de 13de eeuw droegen die de tiendrechten over aan de abdij van Vrouwenpark te Wezemaal. Het patronaatsrecht werd in 1280 afgestaan aan de norbertijnenabdij van Averbode, die ook een deel van de tiendrechten in handen kreeg.
De abt van Averbode stelde vanaf dan steeds één van zijn kanunniken als pastoor voor. Tot 1834 zou de abdij onafgebroken de parochiepriesters leveren. Rotselaar werd op die manier één van de talrijke witherenparochies die in belangrijke mate vanuit een abdij en minder vanuit het bisdom (Luik, na 1559 Mechelen) bestuurd werden.
Rotselaar vormde een regionaal centrum, waarvan de status ook weerspiegeld werd in een bescheiden 'kapittel'. Over de oorsprong ervan is niet veel geweten. Toen Jan II, heer van Rotselaar, in 1363 vijf nieuwe kapelanieën stichtte, bracht dat het aantal kapelanieën in de plaatselijke parochiekerk op 10. Deze kapelaans zongen dagelijks de getijden en droegen aan verschillende altaren in de kerk de jaargetijden en andere missen op waartoe ze verplicht waren. De kapelanieën van de tweede fundatie werden vaak als "kannunnikdij" bestempeld. De dotatie van deze kapelanijen was niet groot, zodat er in de 15de eeuw al fusies plaats vonden. Het toenemend absenteïsme versnelde in de 16de eeuw het verval van het kapelaniewezen. Eén kapelaan trad op als vroegmislezer en werd ook ingeschakeld in het pastorale werk, maar vele kapelaans resideerden niet meer ter plaatse. (1) Naast het hoofdaltaar waren er in de kerk van Rotselaar de volgende altaren: (2)
- Altaar van Sint-Joris, Sint-Nicolaas en het H. Kruis
- Altaar van Sint-Catharina
- Altaar van Onze-Lieve-Vrouw
- Altaar van Sint-Anna
- Altaar van Sint-Maurus, Sint-Sebastiaan, Sint-Barbara en Sint-Cyriacus
- Altaar van Sint-Antonius
- Altaar van Sint-Jan-de-Doper en Sint-Jan-Evangelist
Belangrijk voor het begrijpen van de archiefvorming is het gegeven dat deze kapelanen een aantal goederen en inkomsten gemeenschappelijk beheerden. (3) Tot een volwaardig kapittel is de instelling nooit uitgegroeid. In 1672 voegde de hertog van Arenberg als heer van Rotselaar vijf kapelanieën bij het kapittel van Aarschot.
Tot de omkadering van de vroegmoderne parochie behoorden verder: kerk- en H.-Geestmeesters, een koster(-schoolmeester) en een kluizenares, die (tot in de 16de eeuw) in een tegen de kerk aangebouwde kluis woonde. (4)
Volledigheidshalve moet ook nog verwezen worden naar de aanwezigheid van de cisterciënzerinnenabdij van Vrouwenpark, de veldkapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-den-Akker en twee privékapellen (in het slot van de heren van Rotselaar en in het Hof Ter Heiden).
Het gotische kerkgebouw dat na de verwoesting van het dorp in 1488-1489 was gebouwd, had zwaar te lijden tijdens de opstand in de 16de eeuw, maar werd tijdens de katholieke hervorming opnieuw hersteld. De aankleding en vernieuwing van het interieur van de kerk in de late 17de en de vroege 18de eeuw leidde tot verschillende processen tegen de abdij van Vrouwenpark, die als tiendheffer slechts schoorvoetend met geld over de brug kwam. Het totaal vervallen gebouw werd in 1844 afgebroken en vervangen door een nieuwe, neogotische kerk. De bouwgeschiedenis was een lange lijdensweg, gekenmerkt door acute geldnood, vertragingen en moeilijkheden met de aannemer. De pastorij, die uit 1671-1672 dateert, is nog steeds in gebruik.
Kenmerkend voor Rotselaar is de devotie tot de Heilige Antonius. De oorsprong ervan is niet bekend. Al voor de Opstand bestond er een Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Antonius. Vooral in de 17de eeuw kende deze devotie veel succes. In 1667 werd het Sint-Antoniusaltaar gekocht van de dominicanen.
De grenzen van de parochie vielen ongeveer samen met de gemeentegrenzen van voor de fusie van 1977. In 1956 werd Rotselaar-Heikant wel een onafhankelijke parochie (Onze-Lieve-Vrouw-van-Altijddurende-Bijstand).
In 1962 werd een deel van het parochiearchief door de kerkfabriek in bewaring gegeven bij het Algemeen Rijksarchief te Brussel. Het werd beschreven door Ernest Persoons en opgenomen in Kerkarchief Brabant onder de nrs. 23.688-23.862 (PERSOONS E., Beknopte Inventarissen van Archieven door Kerkfabrieken op het Algemeen Rijksarchief in bewaring gegeven, Brussel, 1969).
In 1967, ontdekte pastoor Gaston Eysermans op de zolder van de pastorie nog een koffer met kerkarchief. Bart Minnen ordende dit met het oog op het schrijven van zijn boek over de bouwgeschiedenis van de nieuwe kerk. In 2003 werd ook dit gedeelte bij het Rijksarchief in bewaring gegeven. Het werd gevoegd bij het eerste bestand, dat in 2001 naar het nieuw opgerichte Rijksarchief te Leuven was overgebracht.
Topstukken binnen dit archief zijn de mooie reeksen kerkrekeningen (inv. nrs. 33-35), armentafelrekeningen (inv. nrs. 248-345) en testamenten (inv. nrs. 78-172).
Het geïnventariseerde bestand is niet afgesloten. In de toekomst kunnen nog aanvullingen verwacht worden.
De actuele ordening is geïnspireerd door het archiefschema van DE KEYZER W., MINKE A., VAN DER EYCKEN M. en VAN LAERE A., Richtlijnen en aanbevelingen voor het beheer van het archief van de kerkfabriek en van andere parochiearchieven (Miscellanea Archivistica Studia, 96), Brussel, 1997, p. 91-98.
De openbaarheid en raadpleegbaarheid van het archief worden geregeld door de vigerende wetgeving. Voor de raadpleging van bestanddelen jonger dan 30 jaar is een schriftelijke machtiging vanwege de archiefvormer vereist. De modaliteiten inzake raadpleging en reproductie zijn vastgelegd in het leeszaalreglement van het Rijksarchief (K.B. van 16 september 2011 en M.B. van 19 september 2011).
BROUETTE E., Abbaye de Parc-les-Dames, à Rotselaar, in: Monasticon belge, dl.4: Province de Brabant, Luik, 1968, p. 511-530.
CLOET M., Het decanaat Leuven in 1732-1734. Visitatieverslag van Rombout Van Kiel (Koninklijke Commissie voor Geschiedenis), Brussel, 1990.
GERITS T.J., De kluis van Rotselaar, Een bijdrage tot de geschiedenis van het reclusenwezen in Brabant in de XVe en XVIe eeuw, in Mededelingen van de Geschied- en oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 1966, 6, p. 223-242.
MINNEN B., Een landelijke parochie in de middeleeuwen: Rotselaar van 1044 tot 1559 (Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis, Pulicatie 99), Leuven, 1991.
MINNEN B., DOPERÉ F., VAN ELDERE D., CARDON B., De Sint-Pieterskerk van Rotselaar, 1844-1848, Een nieuwe kerk met oude wortels, z.p., 1998.
PERSOONS E., Beknopte Inventarissen van Archieven door Kerkfabrieken op het Algemeen Rijksarchief in bewaring gegeven, Brussel, 1969.
VAN HAECHT J., Bijdrage tot de kerkgeschiedenis van Rotselaer, in Eigen Schoon en de Brabander, 1949, 32, p. 97-103, 224-233, 290-296.
De beschrijving en de ordening werden verzorgd door Bart Minnen en Willy Stevens, die daarbij gedeeltelijk konden gebruik maken van de oudere beschrijvingen door Ernest Persoons. Eddy Put volgde hun werk op en nam de algemene beschrijving van het archief voor zijn rekening.
Daniël (vóór 1219 - 1242/9)
Willem van Rotselaar (vóór 1261 - vóór 1276)
Gerard (ca. 1276)
Hendrik (ca. 1286)
Willem Payn (ca. 1307)
Everardus (ca. 1339)
Reinerus (ca. 1346)
Marcelius van Nienwenhuysen (vóór 1362 - 1371/5)
Nicolaas Van den Eynde (ca. 1401 - vóór 1410)
Walter (ca. 1423)
Hendrik van Achel (1429 - ?)
Willem Potters of Potgieters (vóór 1487 - 1488)
Wouter Busschers of de Busschere, alias van Hove (1488 - 1520)
Adam Ansems of Ancelmi, alias van Ghemert (1520 - 1541)
Embertus Goossens of Andreas Embrechts, alias van Oosterwyc (1541 - 1542)
Benedictus Thielens, alias van Erp (1542 - 1546)
Sebastiaan Dillen (1546 - 1557)
Benedictus Thielens (1557 - 1571)
Antonius de Mera (1571 - 1610)
Bruno Mertens (1610 - 1648)
Bernardus Van den Briel (1648 - )
Augustus Van Eysendyck (1677 - 1690)
Andreas Van der Heyden (1690)
Ambrosius (Aart) Nys (1690 - 1693)
Gabriël Rapers (1693 - 1722)
Lucas Van der Heyden (1722 - 1727)
Ignatius Verhiel (1727 - 1730)
Siardus Clement (1730 - 1762)
Franciscus Salesius Coenegras (1762 - 1795)
Thomas de Boeck (1795 - 1816)
Johannes Norbertus Dierckx (1816 - 1834)
Johannes-Michael Calders (1834 - 1876)
Franciscus Philippus Vandervloedt (1876 - 1881)
Petrus Eduardus Van Droogenbroeck (1886 - 1891)
Johannes Ludovicus Van der Donck (1892 - 1904)
Joannes Ludovicus Van der Donck (1892-1904)
Remigius Henricus Wouters (1905-1924)
Jean François Camille Spruyt (1924-1937)
Maria Ludovicus Braeckmans (1937-1956)
Aloysius Petrus Konings (1956-1966)
Gaston Eysermans (1967-1994)
Paul Van Herck (1994-2003)
Peter Kastekkere (2003-heden)
1 | Verzoekschrift van pastoor, kerk- en Heilige-Geestmeesters aan de hertog van Croy om hulp bij het opmaken van nieuwe staten van hun goederen. 1608. | 1 stuk | |||||||
2 | Processen-verbaal van de verhuring van de eigendommen van de kerk en de Heilige-Geesttafel. 1628-1755. | 7 katernen | |||||||
3 - 4 | Manualen van de ontvangsten en de uitgaven van de pastoor namens de kerkfabriek. | ||||||||
3 | 1762-1795. | 1 deel | |||||||
4 | 1795-1830. | 1 deel | |||||||
5 | Manuaal van de inkomsten van de kerkfabriek en de Heilige-Geesttafel. 1781-1801. | 1 deel |