Inventaris van het Archief van de Raad van Vlaanderen (Rijksarchief te Gent), 9 dln., 1353-begin 19de eeuw

Archive

Name: Raad van Vlaanderen

Period: 1353-begin 19de eeuw

Inventoried scope: 1012,75 linear meters

Archive repository: State archives in Ghent

Heading : Regional administrations (states, high officers at court, regional councils)

Inventory

Authors: Buntinx, Jeroen

Year of publication: 1979

Code of the inventory: GW8

...

Archiefvormer

Naam

Raad van Vlaanderen
Vroegere namen
: Camere van den Rade (van Vlaanderen); Raadkamer (van Vlaanderen)
Parallelle namen:
Conseil de Flandre; Chambre du Conseil (ordonnée en Flandre)
Rechtsvoorganger:
Audiëntie van de graven van Vlaanderen
Rechtsopvolger:
Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Geschiedenis

Als een van oorsprong middeleeuwse instelling is de Raad van Vlaanderen op 15 februari 1386 niet uit het niets ontstaan. De vorst liet zich immers al heel vlug omringen door een schare raadgevers (1). De feodale consilium et auxilium-gedachte, waarbij elke vazal de plicht had om zijn heer met raad en daad bij te staan, kreeg op die manier een praktische invulling: zo was er in Vlaanderen al tijdens de 11de eeuw een curia comitis aanwezig. Vanaf de 13de eeuw sprak men veeleer van een consilium, en in de 14de eeuw evolueerde dit naar de term raed of conseil. Deze 'instellingen' - voor zover er een term voor kan gebruikt worden die een bepaalde graad van organisatie en regelmaat inhoudt - hadden alle een ambulant karakter.
Zowel in Vlaanderen als daarbuiten vond vanaf de 13de eeuw een verschuiving in de bezetting van dergelijke raden plaats. Wegens de toenemende complexiteit van bestuursactiviteiten ruimden de traditionele adellijke raadsheren gedeeltelijk plaats voor personen met een grondige opleiding, veelal van gegoede afkomst. Van binnenuit ontstonden daarenboven informele kernen van raadsheren die zich over één of enkele bevoegdheidsaspecten bogen. Dergelijke organisch gegroeide situaties legden de kiem voor latere gespecialiseerde instellingen.
De grafelijke raad velde vanaf de 13de eeuw vonnissen, maar kon niet als een exclusief rechtsprekend orgaan worden aanzien: de machtige, geprivilegieerde Vlaamse steden zouden zo'n justitieraad immers nooit aanvaarden en de raad had nog talloze andere taken (2). In 1328 zorgde graaf Lodewijk van Nevers echter voor een doorbraak: tijdens de jaren die volgden op zijn overwinning te Cassel versterkte hij de bevoegdheden van de grafelijke raad door deze toe te staan zittingen te houden die uitsluitend gerechtelijke zaken behandelden. De specifieke benaming van die zittingen bezorgde de raad als gerechtshof tevens zijn naam: de Audiëntie van de graven van Vlaanderen.
Vanaf het midden van de 14de eeuw nam het aantal zittingen van de Audiëntie gestaag toe. Processen-verbaal ervan werden opgetekend in een apart register, het zogenoemde Bouc van de Audiencie. Daaruit blijkt dat deze gerechtelijke sectie zelfs tijdens de Gentse opstand van 1379-1385 werkzaam bleef (3). Met de komst van Filips de Stoute, de Bourgondische hertog die in 1384 het graafschap Vlaanderen van zijn schoonvader Lodewijk van Male erfde, zou de situatie echter grondig veranderen (4). Na de ondertekening van de vrede van Doornik op 18 december 1385, richtte hij te Rijsel de vroegste versie van de eigenlijke Raad van Vlaanderen op. De instelling die hij met zijn uiterst beknopte ordonnantie van 15 februari 1386 creëerde (5), heette toen nog de Camere van den Rade en bestond uit een gerechtelijke en een financiële sectie (6).
Beide afdelingen, waarvan de gerechtelijke zou uitgroeien tot de Raad van Vlaanderen en de financiële de latere Rekenkamer zou worden, kunnen worden gezien als een voortzetting van de informele kernen die reeds in de grafelijke raad ontstonden. De organisatiestructuur ervan was nog uitermate beperkt. De oprichtingsordonnantie telde slechts 21 artikelen: twee raadsheren kregen het hoofdzakelijk gerechtelijke takenpakket naar zich toe geschoven, terwijl de overigen het financiële luik voor hun rekening namen. Op het vlak van adviesgeving aan de vorst, een restant van de oorspronkelijke activiteiten van de grafelijke raad, vormden beide afdelingen een geheel. Vaak kregen zij daarvoor bovendien bijstand van andere leden uit de entourage van de graaf (7).
Tijdens de laatste jaren van de 14de eeuw ontwikkelde de gerechtelijke afdeling zich langzamerhand tot een zelfstandige justitieraad die steeds meer medewerkers telde. Algauw was er ook een vroege vorm van openbaar ministerie aanwezig om de belangen van de vorst en het graafschap te behartigen, wat anno 1386 nog niet expliciet werd vermeld (8). De financiële en gerechtelijke secties groeiden in de praktijk langzaam uiteen, tot ze tijdens de eerste jaren van de 15de eeuw ook geografisch van elkaar werden verwijderd: de Rekenkamer bleef te Rijsel, terwijl de justitieraad zich te Oudenaarde vestigde.
Er restte echter nog één moeilijkheid: door de oprichtingsordonnantie van 1386 hield die andere gerechtelijke instelling, de Audiëntie, nog niet op te bestaan (9). Wat bevoegdheden betreft, verschilden beide instellingen slechts weinig. Beide hadden een gerechtelijke taak. Voor de Raad van Vlaanderen was dit echter core business, terwijl de Audiëntie eerst en vooral een grafelijke adviesraad bleef die een bijkomende gerechtelijke opdracht had gekregen. Deze nuance was van wezenlijk belang voor de houding van de Vlaamse steden, die in de pas opgerichte Raad gedurende de volgende eeuwen een sterke bedreiging voor hun privileges zouden zien. De Leden van Vlaanderen waren begin 15de eeuw dan ook fervent voorstander van de Audiëntie. Toen het aantal zittingen afnam ten voordele van de Raad van Vlaanderen, volgde er algauw protest - in die mate zelfs, dat Filips de Stoute en Jan zonder Vrees de Audiëntie nooit officieel durfden afschaffen. Laatstgenoemde liet de instelling een stille dood sterven via zijn instructie van 17 augustus 1409: enkel een aantal raadsheren van de Raad van Vlaanderen konden, één of enkele keren per jaar en naar eigen inzicht wat de noodzaak ervan betrof, samen als Audiëntie zetelen. Het spreekt vanzelf dat dit het informele einde van de instelling betekende - een ingreep die duidelijk als een tactische zet van de Bourgondische hertogen kan worden beschouwd.
De Raad van Vlaanderen heeft in zijn bestaan heel wat verschillende residenties gekend, hoofdzakelijk tijdens de 15de eeuw. Telkens een conflict de werking van de instelling bedreigde, werd hij door de vorst van standplaats veranderd, evenwel meestal voor relatief korte duur (10). Bij de effectieve splitsing van de Camere van den Rade werd de gerechtelijke sectie op 1 augustus 1405 officieel naar Oudenaarde overgebracht. Nog geen twee jaar later, op 30 april 1407, verliet men deze stad ten voordele van Gent, nadat de Gentse stadsmagistraat hiervoor behoorlijk wat druk had uitgeoefend. Voor de allereerste keer hielden de raadsheren er zitting in het Gravensteen, een locatie die de voornaamste residentieplaats van de instelling gedurende het ancien régime zou worden.
Tijdens die eerste Gentse periode kreeg de oprichtingsordonnantie van 1386 een belangrijke opvolger met de al eerder genoemde ordonnantie van Jan zonder Vrees touchant certaine & nouvelle instruction pour les gens du conseil de mondict Seignieur, par luy ordonné faire residence continuele dans la ville de Gand - tevens het eerste echte gebruik van de benaming Conseil of Raad [van Vlaanderen]. Deze tekst, van 17 augustus 1409, behandelde niet alleen personeel en werking van de Raad: voor het eerst kwamen ook de bevoegdheden ervan uitvoeriger aan bod (11). Gevolg was dan ook een conflictsituatie met diverse Vlaamse steden, die hun voorrechten aanzienlijk beknot zagen. Ook te Gent rees heel wat tegenkanting, zodat Filips de Goede zich uiteindelijk genoodzaakt zag op 2 oktober 1439 de Raad te Gent te ontbinden en hem op 8 oktober te Kortrijk terug in te stellen. Deze twee acties werden op 13 oktober van datzelfde jaar gevolgd door een nieuwe grafelijke instructietekst.
Opnieuw op expliciete vraag van de stad Gent keerde de Raad van Vlaanderen terug naar het Gravensteen, ditmaal op 10 juli 1440. De situatie bleef echter gespannen en leidde onder meer tot verbanning van diverse raadsheren. De moeilijke positie waarin deze justitieraad zich bevond, valt niet alleen te verklaren via dergelijke geïsoleerde incidenten: in de herhaalde 15de-eeuwse krachtmetingen tussen vorst en steden werd de instelling heen en weer geslingerd tussen vorstelijk gezag en gewestelijke belangen. Deze tiende juli 1440 was dan ook de begindatum van een tweede Gentse periode, die slechts een kleine zeven jaar duurde. Eind 1447 volgde een overplaatsing naar Dendermonde, hoewel er behoorlijk wat onduidelijkheden bestaan rond deze verhuisactie (12). Op 24 november vertrok een eerste bode in naam van de Raad vanuit Dendermonde, maar in december 1447 en zelfs tijdens de zomer van 1448 bevonden de meeste raadsheren zich nog te Gent. De toestand regulariseerde zich pas bij de afschaffing van de Dendermondse Raad op 16 november en de eedaflegging in het Zaalhof te Ieper op 18 november 1451, reeds gepland in het voorjaar van datzelfde jaar. Rond de periode van de verhuizing werd voor de Raad te Ieper een nieuwe instructie opgesteld, die verscheen op 13 november.
Het verblijf te Ieper verliep relatief rustig en de raadsheren konden de vooraf bepaalde termijn van twaalf jaar volledig uitzitten. De laatste zitting in het Zaalhof vond plaats op 20 december 1463, waarna een derde verblijf in het Gentse Gravensteen aanving op 10 januari, de eerste zittingsdag van het nieuwe jaar. Luttele maanden voor de verhuizing, op 13 juli 1463, maakte Filips de Goede van de gelegenheid gebruik om nog vlug een nieuwe, uitgebreide instructie uit te vaardigen voor de instelling. Deze vijfde zogenoemde kerninstructie was aanzienlijk uitvoeriger dan de vorige teksten en stelde orde op zaken na de woelige eerste eeuwhelft.
Twintig jaar later, ten tijde van het eerste regentschap van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk over de minderjarige Filips de Schone, volgde een nieuwe ordonnantie. In deze uitgebreide instructie werd onder meer aan de samenstelling van de Raad getornd (13). De Nederlandstalige tekst, daterend van 6 september 1483, erkende het regentschap van Maximiliaan echter niet ten voordele van de regentschapsraad die door de Drie Leden van Vlaanderen in juni 1483 was opgericht. Nadat de eerste fase van deze 'Vlaamse Opstand' ten voordele van de aartshertog was beslecht, verloor de instructie van 1483 voor de Raad impliciet zijn bestaansrecht; president en raadsheren grepen in de praktijk vermoedelijk al heel snel terug naar de kerninstructie uit 1463. Ondanks verdere strubbelingen bleef de Raad nog enkele jaren in Gent resideren, tot Maximiliaan in 1487 het bevel gaf de instelling over te hevelen naar het iets minder woelige Brugge. Hiervoor werd het jaareinde gebruikt: op 18 en 22 december vonden de laatste zittingen te Gent plaats, terwijl de eerste acties van de Brugse Raad geregistreerd werden op 8 januari 1488 (14). De doortocht te Brugge zou echter van korte duur zijn: reeds op 24 mei 1488 werd de instelling terug naar Gent gebracht. Dit was het gevolg van de vrede van Brugge en de oprichting van een tweede regentschapsraad.
Die vierde Gentse periode blijkt achteraf de kortste uit de geschiedenis van de Raad. Tijdens deze eerste vijf maanden van 1488 werd even teruggegrepen naar de ordonnantie van 1483. In het najaar van 1489 sloeg de balans door in het voordeel van de vorstgezinden, wat een nieuwe verhuisactie met zich meebracht. De raadsheren vestigden zich in opdracht van Maximiliaan voor de tweede keer te Dendermonde, dicht bij het gezagsgetrouwere hertogdom Brabant. Volgens eigen registratie zetelde men er effectief vanaf 17 januari 1490 (15). Via Ieper, dat als residentiestad diende tussen 5 oktober 1492 en 5 maart 1498 (16), keerde de Raad als instelling nog op het einde van de 15de eeuw terug naar het centraal gelegen Gent. Hier zou hij ook blijven tot het einde van het ancien régime, met uitzondering van twee tumultueuze fases uit de verdere vroegmoderne geschiedenis (17).
Gedurende meer dan tachtig jaar was het Gravenkasteel de locatie waar de justitieraad zijn activiteiten in relatieve rust kon ontplooien. Tijdens diezelfde periode verscheen ook één der belangrijkste, zo niet de belangrijkste instructie voor de Raad van Vlaanderen: die van 9 mei 1522, later in de plakkaatboeken van Vlaanderen gepubliceerd als Ordonnance et instruction faicte et renouvellée par l'Empereur Charles cinquième, touchant la reigle, ordre & pollice sur le faict & administration de la Iustice provinciale du Pays de Flandres. Deze kerninstructie, al ten dele voorbereid door de 'ampliatie' of aanvulling op voorgaande instructies die door Margaretha van Oostenrijk op 18 juni 1510 was uitgevaardigd, bevat 145 artikelen en legt sterk de nadruk op interne organisatie (18).
Kort daarop volgde een nieuwe ampliatie. De tekst daarvan werd door keizer Karel officieel uitgevaardigd op 22 augustus 1531 en wakkerde het oude conflict tussen vorst en steden opnieuw aan. Ook deze keer bood Gent de sterkste weerstand en volgden er onderhandelingen met de Vier Leden, maar tot een verhuizing van de instelling kwam het niet: anno 1540 verstomde met de Concessio Carolina ook alle openlijk verzet tegen deze ampliatie (19).
Een crisisperiode van heel andere aard brak aan toen Gent een calvinistische Republiek werd. Sinds de aanvang in 1577 werden de zittingen van de justitieraad voortdurend gestoord, raadsheren werden fysiek aangevallen en sommigen bekochten hun positie zelfs met de dood. Op 16 december 1579 verlieten de meesten de stad en zochten veiliger oorden op (20). De eerste sporen van hun officiële zittingen te Douai zijn gedateerd op 2 januari 1580 (21).
Anders dan de voorgaande verhuisoperaties betekende dit een echte scheuring binnen de instelling. Ondertussen bleef in het Gravensteen immers een tweede Raad werkzaam, die vanaf 18 december 1579 de activiteiten gewoon voortzette (22). Pas een tijd na de inname van de stad door Farnese keerde de raadshelft uit Douai naar de zetel terug, ten nadele van de Gentse raadshelft. De eerste aantekening in het nieuwe resolutieregister stipte op 18 maart 1585 de Wedercompste vanden raedt van Douaije aan (23).
Een kleine honderd jaar daarna zou de geschiedenis zich herhalen, deze keer naar aanleiding van de verovering van Gent door de troepen van Lodewijk XIV (24). Na onderhandelingen met de Franse koning en bijhorende beloftes bleven toenmalig president Errembault en tien raadsheren in de stad. Op 23 maart 1678 legden zij de eed af. Elf anderen konden niet akkoord gaan met de voorstellen die op tafel lagen en vertrokken naar Brugge, waar ze op 19 april 1678 de activiteiten van de Raad onder Spaans bewind voortzetten. Beide instellingen bleven maandenlang naast elkaar bestaan. Pas na het definitieve vertrek van de Franse troepen, op 28 februari 1679, keerden de Brugse raadsheren op 3 maart terug naar Gent. Tussen de vrede van Nijmegen en deze gebeurtenis in hadden de Fransgezinde raadsheren al uitvoerig gelobbyd bij de Spaanse koning om hun daden te verdedigen. Beide groepen positioneerden zich een tweetal maanden pal tegenover elkaar, tot op 14 mei het statuut van de 'Gentse' fractie definitief werd geregeld: oud-president Errembault vertrok naar Frankrijk, terwijl de overigen op post konden blijven.
Vanaf de 16de-eeuwse kerninstructie met latere aanvullingen werd geen ordonnantie meer uitgevaardigd die fundamentele wijzigingen inhield of een breed gamma aan onderwerpen behandelde. Voor zowat alle aspecten van de werking van de Raad bleef men teruggrijpen naar de tekst van 1522. Bij eventuele onduidelijkheden of wanpraktijken verschenen wel toelichtingen of herhalende ordonnanties. Veruit de belangrijkste was die van 20 april 1624, met aangepaste versie van 23 september 1667. Nadien volgden nog enkele noemenswaardige regulerende teksten aangaande de procedure, meestal ter beteugeling van specifieke wanpraktijken. De voornaamste van deze uiterst beknopte ordonnanties werden als laatste opgenomen de lijst van instructies, zoals weergegeven in Bijlage B: het betreft de ordonnanties van 24 januari 1682, 1 april 1702 en 20 september 1720. Uiteraard is dit overzicht allesbehalve exhaustief: voor de volledige bestaansperiode van de Raad van Vlaanderen zijn tal van bijkomstige regelgevende teksten over organisatorische of bevoegdheidsaspecten te vinden, zeker vanaf het einde van de 16de eeuw.
Na de tweede cesuur in deze instellingsgeschiedenis volgt een lange eeuw van relatieve rust, enkel onderbroken door een ingrijpende verhuisoperatie: wegens plaatsgebrek en onaangepaste werkruimtes verliet de - ondertussen sterk uitgebouwde - Raad met al zijn medewerkers en het omvangrijke archief op 27 november 1778 voorgoed het Gentse Gravensteen, om zijn intrek te nemen in het voormalige Jezuïetenklooster in de Voldersstraat te Gent. Een verhuizing van dergelijke omvang was tot dan toe ongezien en werd dan ook uitvoerig voorbereid.
Alle moeite voor de herlokalisering ten spijt, volgde het definitieve einde van de instelling nauwelijks twee decennia later. Een eerste poging werd ondernomen door Jozef II, die de justitieraad op 1 januari 1787 afschafte binnen het kader van zijn grootschalige gerechtelijke hervormingen. Op exact dezelfde locatie werd een nieuw Koninklijk Tribunaal van Eerste Instantie opgericht, dat uiteraard bemand werd door heel wat medewerkers van de voormalige Raad. Luttele maanden later diende Jozef II zijn verregaande maatregelen op te schorten, wat te Gent meteen gebeurde: reeds in mei 1787 hernam de vroegere justitieraad zijn activiteiten (25). Op 11 januari 1790 kreeg de Raad zelfs tijdelijk een soeverein statuut naar aanleiding van de oprichting van de Verenigde Nederlandse Staten. Vanaf die datum, en tot ongeveer het einde van datzelfde jaar, werd in documenten gesproken van de 'Soevereine Raad van Vlaanderen' (26).
Anno 1791 kreeg de justitieraad zijn oude statuut terug. In de tumultueuze periode die daarop volgde, slaagde de instelling erin deze positie nog een vijftal jaar te handhaven. Uiteindelijk kwam het doodvonnis van de Raad er door het decreet van 6 Frimaire jaar IV (27 november 1795), dat bepaalde dat de raadsheren op 1 december daarop volgend definitief de registers dienden te sluiten. Na vier eeuwen activiteit werd te Gent in de Voldersstraat plaats geruimd voor het Tribunal de Première Instance (27), dat op gerechtelijk vlak het begin van de nieuwste tijd betekende.

Bevoegdheden en activiteiten

Een exhaustieve opsomming van de competenties van een ancien-régime-organisatie is een mission impossible. Dit geldt zeker voor een overheidsinstelling met een lange levensduur, zoals de Raad van Vlaanderen. Toevoegingen, inkrimpingen, betwistingen en verschuivingen binnen zowel tijd als ruimte waren veelvuldig. Bevoegdheden waren meestal het resultaat van een organisch groeiproces, dat pas naderhand geconsolideerd werd in formele teksten (28). Deze gang van zaken is ons al bekend van bij de beschrijving van de ontstaanswijze van de instelling en de bijhorende kerninstructies. Tijdens het bestaan van de Raad moet het voor het personeel en voor alle belanghebbenden geen sinecure zijn geweest om het overzicht te behouden. Dat is duidelijk merkbaar in allerhande normatieve teksten en eigentijdse drukwerken. Wat bevoegdheden betreft, werd ook daarin volledigheid angstvallig vermeden.
Bovenstaande bedenkingen indachtig, werd gepoogd de informatie die vandaag voorhanden is in een logische structuur samen te brengen (29). Deze werd hoofdzakelijk geïnspireerd door de samenstelling van het archiefbestand 'Raad van Vlaanderen' en biedt bijgevolg een veeleer archivistische blik op de zaak. Het resultaat is echter allesbehalve diachroon en houdt niet of nauwelijks rekening met de genoemde verschuivingen. Onderstaand overzicht is bovendien behoorlijk algemeen en biedt als het ware een 'grootste gemene deler' als introductie tot het onderwerp. Een diepgaande studie van de competenties van de Raad is gespecialiseerde materie, waarin de onderzoeker zich via bestaande publicaties verder kan verdiepen (30).
Een eerste aandachtspunt, dat minder tot de eigenlijke bevoegdheden maar des te meer tot het takenpakket van de Raad hoorde, was de opdracht om zich intern te organiseren. Het runnen van een openbare instelling met een uitgestrekt ressort vergde immers heel wat inspanningen. Om alles vlot te laten verlopen, zeker met het oog op enkele woelige episodes in de geschiedenis van de Raad, kon niet enkel op instructies van hogerhand worden gesteund. Het personeel had genoeg bewegingsvrijheid om zelf voor een interne taakverdeling te zorgen en zich voldoende te documenteren. Dit blijkt duidelijk uit de aanwezigheid van archiefstukken in verband met het personeel, instructies en jurisdictie, rekeningen, inventarissen en dergelijke meer, eigen aan de interne keuken van een instelling.
Bij het begrip 'Raad van Vlaanderen' wordt automatisch de idee van een gerechtshof opgeroepen. Dat is uiteraard correct, maar de instelling beschikte ook over een aantal competenties die in sommige overzichten gewoon weggelaten worden. Nochtans is die nuance al te lezen in het allereerste artikel van de oprichtingsordonnantie van 15 februari 1386: de twee raadsheren, die samen de zogenoemde gerechtelijke sectie vormden, waren 'hoofdzakelijk' aangesteld voor gerechtelijke taken of dus ordonnez principalement pour le faict de Iustice (31). Helaas zijn, zoals J. Dumolyn al vaststelde, de bronnen niet altijd even duidelijk over welke andere bevoegdheden het gaat (32).
In voorliggende reconstructie worden de voornaamste bijkomende taken, met risico voor anachronismen, onder een bestuurlijke koepel gegroepeerd. Daaronder bevindt zich een tweedeling bestaande uit enerzijds advisering en anderzijds registratie en publicatie.
Beide bestuurlijke competenties van de Raad weerspiegelen de rol die de instelling speelde binnen het graafschap Vlaanderen enerzijds en binnen de Nederlanden anderzijds. De Raad van Vlaanderen was immers het opperste openbare bestuur op gewestelijk niveau en fungeerde in dat opzicht als doorgeefluik tussen de centrale instellingen en de lokale en regionale besturen van het graafschap. Dit werkte in beide richtingen en betrof niet alleen het louter doorgeven van informatie (33); de Raad vormde duidelijk ook een eigen mening en werd in de loop van zijn bestaan steeds frequenter geraadpleegd over allerhande onderwerpen. De instelling verkeerde vaak in een moeilijke positie, aangezien niet alleen verwacht werd dat de raadsheren de belangen van het graafschap behartigden, maar ook de vorstelijke rechten in het gebied vrijwaarden (34).
In zijn adviesverlening probeerde de Raad van Vlaanderen dan ook rekening te houden met beide richtingen. De behandelde onderwerpen waren heel uiteenlopend (35). Als schakel tussen het centrale en het lokale gezag was de Raad bijvoorbeeld het eerste controleorgaan voor de samenvoeging van diverse gewoonterechtelijke tradities tot formele uitgevaardigde wetten (36). Andere aspecten waarover de Raad werd geconsulteerd, waren benoemingen van lokale en regionale ambtenaren, militaire acties, organisatie van vieringen, bijvoorbeeld naar aanleiding van inauguraties, financiële kwesties van lokale en regionale besturen, ... Er was, begrijpelijkerwijs, onderwerpsmatig een overlapping tussen hetgeen de Raad als bestuurlijk corpus besprak en hetgeen onder de toezichthoudende functie van het officie-fiscaal viel (37). Dat dit evenwicht in de praktijk niet eenvoudig te vinden was, blijkt uit onderwerpsmatige overlappingen in de deelbestanden van beide archiefvormers. Het officie-fiscaal zou, naar het einde van het ancien régime toe, bovendien steeds meer bestuurlijke bevoegdheden naar zich toe trekken en in een hogere mate van zelfstandigheid gaan werken (38).
Onder 'registratie en publicatie' worden allereerst de ontvangst en verdere verdeling van plakkaten en ordonnanties begrepen. De ruime verzameling normatieve documenten in het archief van de Raad houdt verband met de eerder genoemde toetsing aan gewestelijke en lokale privileges. De justitieraad speelde echter ook een belangrijke rol bij de inwerkingtreding van wetgeving. Pas wanneer een tekst gepubliceerd was in het consistorie van de Raad en er met hetzelfde doel exemplaren aan lokale en regionale besturen waren bezorgd, was de inhoud ervan geldig in het graafschap Vlaanderen. Andere sporen van registratie zijn hoofdzakelijk te vinden in enkele nagelaten registers van 'anoblissementen' (adelsbrieven) en van 'commissiën' (aanstellingsbrieven).
Het uitgebreide gerechtelijke takenpakket is het meest gedocumenteerde, zowel wat beschikbare archiefbestanddelen als hedendaagse literatuur betreft (39). Een primaire opsplitsing kan eenvoudig worden gemaakt via het onderscheid tussen vrijwillige rechtspraak en rechtspraak in conflicten, ook wel voluntaire respectievelijk contentieuze rechtspraak genoemd.
De vrijwillige of voluntaire rechtspraak heeft in oorsprong niets met conflicten te maken (40). Dit hield in dat partijen voor de Raad van Vlaanderen verschenen en allerhande overeenkomsten afsloten. De neerslag daarvan werd in een speciale reeks geregistreerd. Zo'n overeenkomsten, waarvoor ook de termen 'akten en contracten', 'wettelijke passeringen' of 'voluntaire condemnatiën' gebruikt worden, hielden in feite in dat de partijen zich vrijwillig lieten veroordelen tot het navolgen van de inhoud van de overeenkomst. Verkopen, verpachtingen of schenkingen zijn slechts enkele voorbeelden van de veelzijdige inhoud van de registers. Het grote voordeel bij het laten 'passeren' van deze akten bij de Raad en niet bij een lokale schepenbank, was dat de gewestelijke justitieraad de partijen een grotere garantie kon bieden wat de naleving ervan betrof. Vanuit Gent kon immers de uitvoering van de akten en contracten doorheen het hele graafschap worden afgedwongen. Voornamelijk de hogere sociale klasse en in het bijzonder de medewerkers van de Raad maakten gebruik van deze mogelijkheid.
Veel omvangrijker was de rechtspraak in conflicten, waarin opnieuw een tweedeling kan worden gemaakt (41): enerzijds de civiele of burgerlijke rechtspraak en anderzijds de criminele of strafrechtspraak, die vanaf het einde van de 16de eeuw elk apart werden geregistreerd. De strafprocedure kon leiden tot doodstraffen of zware lijfstraffen, maar ook geldboetes of verbanningen konden worden uitgesproken.
Binnen het civiele deel sprak men recht in zowel eerste als tweede (soms ook derde) aanleg, waarbij de eerste aanleg vooral voorbehouden was voor enkele uitzonderingsgevallen. De bekendste daarbij zijn de zogenoemde casus reservati, cas réservés of voorbehouden gevallen, waarvan nooit een exhaustieve lijst verschenen is. Vast staat wel dat het om een aantal items gaat waarbij de persoon van de vorst, zijn domein en zijn rechten betrokken waren, of zaken die hij om bepaalde redenen naar zich toe wou trekken (42). Het gaat onder meer om majesteitsschennis, overtredingen van specifieke vorstelijke bevelen, inbreuken tegen personen en instellingen onder vorstelijk sauvegarde, aanslagen tegen het vorstelijk domein en de bijhorende rechten, misdrijven door en tegen vorstelijke ambtenaren tijdens de uitoefening van hun ambt of door voorname edelen, zware vormen van oproer en verstoring van de openbare orde, valsmunterij en processen aangaande bezitrecht. Laatstgenoemde 'possessoire' geschillen werden tijdens het ancien régime als een privaatrechtelijke materie behandeld, maar werden zo belangrijk geacht voor het behoud van de openbare vrede, dat ze rechtstreeks tot de bevoegdheden van de vorstelijke hoven werden gerekend. De beoordeling van zaken ratione personae in eerste aanleg, waarbij de Raad van Vlaanderen zich bevoegd verklaarde over bepaalde categoriëen personen, was nauw verwant met de voorbehouden gevallen en in het bijzonder met de term sauvegarde. Vorstelijke ambtenaren en eigen personeel vielen hierdoor onder de bevoegdheid van de Raad van Vlaanderen, een voor hen gunstige praktijk (privilegium fori).
Ook via het 'recht van preventie' kwamen zaken in eerste aanleg voor de Raad. Partijen, waaronder ook de procureur-generaal van Vlaanderen, konden van oordeel zijn dat een zaak beter bij de Raad van Vlaanderen aanhangig werd gemaakt in plaats van bij een andere, meestal lokale rechtbank (43). Ook de Raad zelf kon van mening zijn dat een bepaalde zaak die reeds aanhangig was gemaakt bij een lokale of regionale rechtbank, beter door de eigen instelling kon worden behandeld. Dan 'evoceerde' hij de zaak. Deze evocatie gebeurde meestal onder het voorwendsel dat een snel optreden vereist was, vooral bij zaken die de openbare orde dreigden te verstoren en die aanleiding zouden kunnen geven tot verdere wanordelijkheden. Tot slot was er nog een laatste mogelijkheid om processen in eerste aanleg door de Raad Van Vlaanderen te laten berechten, waarbij opnieuw de identiteit van de partijen een rol speelde: conflicten van diverse aard tussen twee overheden of tussen een overheid en een particulier. Daarbij kon het zowel om een kerkelijke als om een wereldlijke instelling gaan. De Raad trad hier dus op als een bevoegdheids- of attributierechter.
Een tweede, zo niet de belangrijkste bestaansreden van de Camere van den Rade, later gekend als Raad van Vlaanderen, was uiteraard zijn functie als beroepshof. De mogelijkheid om in civiele zaken in beroep te gaan bij deze vorstelijke rechtbank was eeuwenlang een doorn in het oog van de Vlaamse steden en lag aan de basis van talrijke conflicten met de vorst. De idee dat er zoiets zou bestaan als hogere en lagere rechtbanken, wat 'in hoger beroep gaan' toch impliceert, stootte de steden tegen de borst (44). Het zou uiteindelijk tot het midden van de 15de eeuw duren eer Gent zich als laatste tegenstander moest neerleggen bij wat de stad als een aanslag op de stedelijke soevereiniteit beschouwde. Dit betekende de doorbraak van het hoger beroep of appel, dat Frans van oorsprong was en vanaf het begin van de Raad van Vlaanderen werd toegepast bij zaken uit Vlaanderen gallicant. Voor de Nederlandstalige regio's van het graafschap was ondertussen al de techniek van reformatie ontstaan, een tweede vorm van 'beroep' waarbij de uitvoering van het vonnis van eerste aanleg niet werd opgeschort. Beide soorten beroep zouden vanaf het midden van de 15de eeuw tot aan het einde van de 18de eeuw naast elkaar blijven bestaan.
Een beroepsprocedure tijdens het ancien régime was in theorie niet zozeer tegen de tegenpartij, dan wel tegen de rechters zelf gericht. Zij werden de 'geappelleerde(n)' genoemd, terwijl de partij die gedaagd werd door de 'appellant(en)' de term 'geïnthimeerde(n)' kreeg toegekend (45). Op het eerste gezicht lijkt dit tegenstrijdig, indien de hierboven aangehaalde middeleeuwse visie op rechtspraak in herinnering wordt gebracht. In een beroepsprocedure volgde oorspronkelijk echter geen nieuwe beoordeling van de feiten - en dus van het beoordelingsvermogen van de rechters in eerste aanleg - ; er werd veeleer nagegaan of het eerste proces volgens de regels van de kunst was gevoerd. Dit evolueerde tijdens het ancien régime echter in de richting van het huidige beroepssysteem, namelijk rechtspraak ten gronde.
Uit het bovenstaande overzicht van bevoegdheden, zowel bestuurlijk als gerechtelijk, is al impliciet gebleken dat de Raad zich voortdurend op een spanningsveld tussen vorst en graafschap bevond. Enerzijds diende hij de eigenheden van het graafschap te verdedigen, wat onder meer tot uiting kwam in de toetsing van ordonnanties aan plaatselijke privileges. Anderzijds was het de taak van de gewestelijke justitieraad om binnen zijn territorium de belangen van de landsheer te behartigen, een positie die de Raad ook wel eens de stempel van instelling met een 'januskop' opleverde. Het officie-fiscaal of het openbaar ministerie, onder leiding van de procureur-generaal en de advocaat-fiscaal, was het orgaan binnen de Raad dat specifiek als 'waakhond' voor de vorstelijke belangen optrad, dat toezag op de naleving van ordonnanties en dat de openbare orde moest handhaven (46). De taakuitvoering van het officie-fiscaal sloot dan ook nauw aan bij de hoofdbevoegdheden van de Raad (47).
Het officie-fiscaal stond uiteraard in beperkte mate in voor zijn eigen organisatie. Wat bestuurlijke aspecten betreft, gingen de fiscalen vooral tijdens de 18de eeuw een belangrijke rol spelen binnen het geheel van de Raad. De vele opdrachten die vanuit de centrale instellingen aan de gewestelijke justitieraden werden toebedeeld, werden in Vlaanderen hoofdzakelijk door het openbaar ministerie uitgevoerd. Door middel van algemene circulaires en individuele vragenlijsten wonnen de fiscalen informatie in over diverse onderwerpen. Beheer van steden, dorpen en heerlijkheden, van religieuze instellingen, controle op bepaalde beroepsgroepen, informatiegaring over economische activiteiten, infrastructuur en talrijke andere aspecten uit het dagelijkse beheer van het graafschap komen in het bestuurlijke archief van de fiscalen aan bod.
In het kader van deze toezichthoudende functie kon het officie-fiscaal aansluitend zowel burgerlijke als strafrechtelijke vorderingen instellen of lokale hoven verplichten in een bepaalde zaak op te treden. Omgekeerd, indien de vorst door een bepaald geding dreigde geschaad te worden, voegden de fiscalen zich als partij in dat geding bij de aanleggende of verwerende partij. Oorspronkelijk mochten zij ook als gewone advocaten of procureurs voor particulieren optreden, maar die praktijk werd in 1522 een halt toegeroepen. Tot slot konden de fiscalen ook worden ingeschakeld om toe te zien op de correcte uitvoering van een vonnis of een besluit van de Raad van Vlaanderen. Strikt gezien was ook dit immers een 'zaak van de vorst', aangezien het een beslissing van een vorstelijke rechtbank betrof. Zo kon één der fiscalen aanwezig zijn bij een executie of zelfs de begrafenis van een veroordeelde.
Tot slot zetelde de Raad van Vlaanderen tijdens de 18de eeuw sporadisch in een totaal andere hoedanigheid. Toen op 30 april 1694 de Conseil d'Amirauté suprême werd afgeschaft, werden de bevoegdheden van deze rechtbank voor maritieme zaken overgedragen aan de Raad van Vlaanderen (48). Het archief van de oude instelling werd anno 1696 overgebracht naar het Gravensteen, maar zou in 1900 getransporteerd worden naar het Algemeen Rijksarchief te Brussel. De 18de-eeuwse activiteiten van de Raad van Vlaanderen als Admiraliteit Suprême zijn uiteraard wel gedocumenteerd in een aparte afdeling van het Gentse archiefbestand (49). Er kan uit worden geconcludeerd dat de raadsheren zich daarvoor apart organiseerden en een beperkte registratie van prises sur mer in de vorm van kaapvaartdossiers bijhielden, maar dat de hoofdactiviteit van de Raad als Admiraliteit op het gebied van rechtspraak in hoger beroep kan worden gesitueerd.
Uit bovenstaand overzicht kan worden geconcludeerd dat het begrip scheiding der machten, door Montesquieu en anderen vanaf het midden van de 18de eeuw theoretisch uitgewerkt, tijdens het ancien régime totaal niet van toepassing was (50). Naast het overduidelijke domein van de rechterlijke macht was de Raad ook actief op beide andere vlakken: wetgevend, onder meer via de rol van de instelling in het ontstaan van allerhande ordonnanties, en uitvoerend, via zijn activiteiten als toezichthoudend orgaan.
Met de beschrijving van de veelomvattende bevoegdheden van de Raad van Vlaanderen is het bevoegdhedenverhaal echter nog niet ten einde. Het bovenstaande overzicht dient immers in samenhang met de territoriale bevoegdheid of dus het ressort van de instelling te worden gezien. De volledige territoriale geschiedenis van het graafschap Vlaanderen met alle verschuivingen door de tijd heen, globaal genomen het ressort van de Raad, zou ons hier echter te ver leiden en werd reeds uitvoerig gedocumenteerd (51).

Organisatie

Bij de bespreking van de samenstelling van de Raad dient eerst en vooral een zelfde kanttekening te worden gemaakt: een volledig overzicht, inclusief alle mutaties wat onder meer aantallen en statuten betreft, is onbegonnen werk voor een beknopte inleiding. Gelukkig is ook voor dit aspect heel wat literatuur voorhanden. Uit een aantal basiswerken werd een schema gepuurd, waarin het personeel van de Raad van Vlaanderen in vijf grote clusters wordt opgedeeld (52). De eerste groep, de Raad stricto sensu, is tevens de meest bestudeerde groep medewerkers van de instelling. Reeds tijdens het bestaan van de instelling en gedurende de 19de eeuw werden al overzichten opgesteld (53), maar ook in de 20ste eeuw was het hogere personeel vaak het voorwerp van gedetailleerde studies voor een bepaalde periode (54). Bijna alle aangehaalde werken behandelen ook het openbaar ministerie, dat eveneens tot het hoger personeel wordt gerekend. De definitie 'lager personeel' verschilt van auteur tot auteur en houdt een impliciet waardeoordeel in. De term wordt hier dan ook bewust vermeden.
Onder de Raad stricto sensu worden allereerst de president en zijn raadsheren verstaan, aangevuld met eventuele commissarissen. Allen waren doorgaans juristen. De president, ook wel voorzitter of eerste der raadsheren genoemd, droeg uiteraard de eindverantwoordelijkheid en verpersoonlijkte de rol van de Raad als vertegenwoordiging van de vorst in het graafschap. Dit hield een breed takenpakket in, zoals de ordehandhaving binnen de instelling, de verdeling van de procesdossiers ter rapportering en de voortgang van lopende zaken tijdens vakantieperiodes. Het overige personeel diende bovendien in zijn handen de eed af te leggen. Bij afwezigheid werd hij vervangen door de oudste onder de gewone of ordinaire raadsheren.
Wat de raadsheren betreft, zijn er tijdens het lange bestaan van de instelling diverse statuten mogelijk geweest. Ook hun aantal verschilde met verloop van tijd: van de oorspronkelijke twee raadsheren uit 1386 klom het cijfer vlug, tot het tijdens de 15de en 16de eeuw een relatief stabiele zes (in 1463), acht (in 1522) tot twaalf personen bereikte (55). Begin 17de eeuw waren er officieel veertien à vijftien raadsheren, hoewel de groep in de laatste twee eeuwen soms veeleer het twintigtal naderde. Er zijn, met andere woorden, een aantal pieken en dalen waar te nemen die vooral verband hielden met de toestand van de staatskas. Een en ander groeide uiteraard ook historisch, zoals de reïntegratie van de 'afvalligen' na het bestaan van twee Raden tijdens het laatste kwart van de 17de eeuw. Ook werden geregeld extra raadsleden zoals extraordinaire, supernumeraire of plaatsvervangende raadsheren in dienst genomen. Tot slot veranderde het statuut van de raadsheren-commissarissen in het begin van de 17de eeuw: deze functie, die via de kerninstructie van 1451 in het leven werd geroepen, werd anno 1610 gelijkgeschakeld met het statuut van gewone raadsheer. Aanvankelijk betrof het echter vier personen die speciaal werden aangenomen om alle enkwesten uit te voeren. Hun bezoldiging verschilde van die van de gewone raadsheren, aangezien zij geen standaardbedrag ontvingen: hun 'wedde' werd enkel gebaseerd op hun werkvolume, wat uiteraard spanningen tussen beide soorten van raadsheren opleverde.
De twee topfunctionarissen binnen het openbaar ministerie of het officie-fiscaal worden doorgaans ook tot de raadsheren gerekend (56). Beiden werden pas voor het eerst vermeld in de instructie van 1409. Zowel de procureur-generaal als de advocaat-fiscaal namen aanvankelijk deel aan de gewone zittingen en namen enkwesten voor hun rekening, voor zover zij zelf geen belanghebbende partij waren. Samen waren zij verantwoordelijk voor de speciale taken die het officie-fiscaal te beurt vielen. Daarbij speelde de procureur-generaal de voornaamste rol van 'waakhond' voor de vorstelijke belangen: hij was het immers die de eindverantwoordelijkheid voor de informatiegaring droeg, die tot vervolging overging of die zich partij stelde in zaken die de vorst aanbelangden. De advocaat-fiscaal pleitte vervolgens de zaken die door zijn collega waren aangebracht. Sinds het ontstaan van het ambt was hij steeds een universitair geschoold jurist, wat niet altijd kan worden gezegd van de procureur-generaal.
Al vroeg in het bestaan van het officie-fiscaal werd officieel voorzien in een substituut voor de procureur-generaal. Deze werd hoogstwaarschijnlijk gerecruteerd onder de procureurs van partijen, die deel uitmaakten van de zogenoemde 'balie' (57) die aan de Raad was verbonden. Pas een kleine eeuw later kon ook de advocaat-fiscaal een beroep doen op een substituut. Deze ambtenaar droeg indien nodig alle verantwoordelijkheden van de eigenlijke fiscaal, maar werd over het algemeen niet als vaste medewerker van de Raad beschouwd. Uiteraard kon zowel de procureur-generaal als de advocaat-fiscaal zich, net als alle andere besproken functionarissen, ten persoonlijken titel van medewerkers voorzien. Dergelijke onofficiële bedienden bewogen zich in de grijze zone van de instelling en zijn als dusdanig nauwelijks te identificeren.
In de griffie waren binnen de 'schrijversfamilie' drie verschillende functietypes aanwezig: griffier, klerk en notaris. Laatstgenoemde diende als plaatsvervanger voor de griffier en de functie werd in het begin vaak gecumuleerd met de ontvangerij van de exploten, die zich bij de ondersteunende diensten bevindt. De griffie groeide in de loop der eeuwen uit van een eenmanszaak tot een dienst met diverse vaste medewerkers, onder leiding van één tot maximum vier griffiers. Het aantal klerken, die door de griffiers persoonlijk in dienst werden genomen, was al sinds de 15de eeuw gestaag stijgend. Het is echter praktisch onmogelijk om het aantal klerken precies te berekenen.
In tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld, kan deze bezetting niet zomaar tot het 'lagere personeel' worden gerekend. Met name de griffiers waren heel vaak universitair geschoolden, afkomstig uit welgestelde bevolkingsgroepen.
Aansluitend bij deze drie duidelijk te onderscheiden clusters waren er enkele specifieke functionarissen actief die, overkoepelend, als ondersteunende diensten kunnen worden beschouwd. De ontvanger der exploten, een functie die eveneens in 1409 werd gecreëerd maar waarvan de taken oorspronkelijk door achtereenvolgens notaris en procureur-generaal werden uitgevoerd, stond daarvan het dichtst bij de activiteiten van de Raad. Als rekenplichtig ambtenaar was hij verantwoordelijk voor ontvangsten van boetes uit vonnissen en veroordelingen, vergoedingen voor exploten en voor de geconfisqueerde goederen. Uitgaven, in het algemeen betalingen ten behoeve van de werking van de justitieraad, bestonden onder meer uit vergoedingen voor reizen van boden, deurwaarders en raadsheren, voor getuigen, beulen, biechtvaders en voor allerhande materiaal. Soms regelde de ontvanger ook praktische zaken, zoals de voorbereiding van een verblijf voor één of meer raadsheren, of werd hij als speciaal gezant uitgestuurd om gevoelige boodschappen over te brengen. Aan zijn functie waren tevens belangrijke machtigingen verbonden: hij kon de inning van boetes zelfs met dwang laten voltrekken, waardoor hij in nauw contact stond met de deurwaarders van de Raad.
De functie van de tweede ontvanger, de ontvanger der rapporten, werd pas ca. 1590 gecreëerd. Voorheen was de boekhouding betreffende de inning en verdeling van de rapportgelden in handen van de griffie. Het was dan ook op initiatief van de griffiers van de Raad dat deze taak werd uitbesteed aan een ontvanger die er voldoende aandacht aan kon schenken. Het bijhouden van welke raadsheer in welk proces als rapporteur aan de Raad was opgetreden, welke raadsheren bij dat rapport aanwezig waren en welke financiële transacties hiervoor dienden te gebeuren, hield een uitgebreide administratie in. Er was dan ook sprake van een apart 'comptoir' van de rapporten.
Reeds tijdens de 15de eeuw groeide het aantal deurwaarders gestaag aan: van twee in 1409 tot zestien in 1483 (58). Gaandeweg werd aan elke persoon een vaste residentieplaats toegekend, verspreid over het graafschap. Dit proces liep gelijk met de verschuiving binnen hun functie-inhoud: oorspronkelijk was een deurwaarder immers belast met de toegangscontrole tot de zittingen van de Raad en, bijgevolg, met het binnenleiden van de partijen. Dit bleef de taak van de zogenoemde eerste deurwaarder, maar over het algemeen evolueerden zij tot uitvoeringsambtenaren van de vonnissen en bevelschriften van de justitieraad. Deurwaarders waren meestal geen juristen, maar werden toch verondersteld een uitgebreide praktische kennis van het recht te hebben. Deze praktizijnen werden dan ook vaak ingeschakeld voor andere taken, zoals het uitvoeren van enkwesten.
Een derde groep, de gezworen boden of messagiers, waren de enigen die gesloten brieven van de Raad van Vlaanderen mochten bezorgen. Deze groep stond dan ook in dienst van de voltallige instelling. Wanneer een messagier niet aan het werk was, werd hij geacht in de buurt van de Raad en in het bijzonder de president te blijven, om de dienst waar te nemen. Deze functionarissen mochten trouwens naar eigen inzicht - maar ook op eigen verantwoordelijkheid - taken delegeren aan persoonlijke medewerkers.
De zetel van de instelling, globaal genomen het Gentse Gravensteen, kon uiteraard niet zonder technische medewerkers. De huisbewaarder of conciërge stond in voor alle lokalen die door de Raad werden gebruikt. Deze verantwoordelijkheid was behoorlijk vergaand: de huisbewaarder moest bijvoorbeeld zorgen dat aan alle materiële voorwaarden was voldaan opdat een zitting kon plaatsvinden, inclusief het onderhoud van de klok en het aanmaken van een vuur. Ook de huiskapel viel onder zijn 'werkterrein'. Zijn collega, de cipier, droeg zorg voor de gevangenis.
Alle genoemde functionarissen binnen deze ondersteunende diensten worden als vaste medewerkers van de Raad beschouwd (59). In het bijzonder de ontvanger der exploten, de huisbewaarder en de cipier, kwamen het meest van allen in contact met allerhande 'leveranciers' die zich in de schaduw van de instelling bewogen en niet tot de medewerkers worden gerekend: kaarsenmakers, boekverkopers, houtleveranciers, horlogemakers, verkopers van schrijfgerei, maar ook de biechtvader en de beul horen bij de talloze voorbeelden.
Tot slot mag de aanwezigheid van een groot aantal procureurs en advocaten, die gezamenlijk onofficieel 'de balie' kunnen worden genoemd, niet over het hoofd worden gezien. Hoewel jaarlijks beëdigd door de Raad, gaat het hier echter niet om vaste medewerkers van de instelling zelf. Ze waren in het kader van hun functie dan ook vaak niet exclusief aan de instelling verbonden. Toch worden ze gerekend bij de 'suppoosten' van het hof, een verzamelnaam voor alle medewerkers van de Raad, en vielen ze onder het privilegium fori.
De verhouding tussen beide functies was hierboven reeds merkbaar via de taakverdeling tussen de functionarissen van het officie-fiscaal, respectievelijk de procureur-generaal en de advocaat-fiscaal. Partijen werden bij de rechtbank vertegenwoordigd door een procureur, terwijl hun zaak inhoudelijk werd gepleit door advocaten. Laatstgenoemden waren universitair geschoolde juristen, die de functie soms als opstap gebruikten: onder de raadsheren en de griffiers bevonden zich vaak voormalige leden van de advocatuur. De leden van de balie verzamelden zich in twee verschillende verenigingen, waaronder een soort van corpus - vaak verkeerdelijk als tuchtraad beschouwd - dat 'deken en eed van de praktizijnen' werd genoemd. Dit orgaan werkte nauw samen met de justitieraad en diende in zijn rol van beroepsvereniging tevens als aanspreekpunt. Benoemingen binnen deken en eed werden zelfs frequent genoteerd in de resolutieregisters van de Raad, aangezien het laatste woord in dergelijke beslissingen de raadsheren toekwam. Verder was er ook de Confrerie of Broederschap van de heilige Ivo, patroonheilige der juristen. Deze werd in 1677 te Gent opgericht en verzorgde naast de belangen van zijn eigen leden hoofdzakelijk kosteloze rechtsbijstand voor armlastigen Pro Deo et Sancto Yvone (60).
Het precieze aantal procureurs en advocaten dat aan de Raad verbonden was, is quasi onmogelijk te achterhalen wegens gebrek aan systematische registratie. Volgens P. Van Peteghem kende het aantal advocaten de grootste evolutie: zo zou er sprake zijn van een tiental in 1477 tot ca. 247 aan het einde van het ancien régime. De andere functies, waaronder het procureurschap, werden in de mate van het mogelijke in beperkt getal gehouden: zo blijkt een lijst anno 1720 slechts 47 procureurs te bevatten (61). Beide functies zijn in de historiografie lange tijd onderbelicht gebleven, hoewel er tijdens het laatste decennium een kentering merkbaar is (62).
Wat de interne organisatie betreft, staat het onderzoek nog in zijn kinderschoenen. In de kerninstructies wordt een aantal basisprincipes aangereikt, maar over de eigenlijke invulling daarvan is nauwelijks iets bekend. Hier zijn nochtans uiterst interessante onderzoeksthema's aan verbonden, zoals de taalproblematiek die duidelijk leefde binnen de instelling. De officiële voertaal van de Raad was gedurende het grootste deel van zijn bestaansperiode Nederlands, met uitzonderingen tijdens de Bourgondische periode. Deze algemene stelregel gaf uiteraard problemen voor Franstalige partijen, een situatie waarvan men zich van in het begin bewust was: reeds in de kerninstructie van 1409 werden voorzieningen getroffen om ingediende geschriften in de griffie te laten vertalen.
Enkele organisatorische elementen behoren toch tot de algemene kennis (63). Zo had de Raad een vast weekschema voor zijn zittingen, dat verschilde naargelang van de daglichtsterkte: in de zomerregeling begonnen de zittingen een uur vroeger dan tijdens de winter, waarbij elke dag aanving met een misviering in de kapel van de Raad. Daarnaast werd een vakantiesysteem gehanteerd, waarbij de activiteiten van de instelling werden opgeschort tussen Kerstmis en Driekoningen, van Palmzondag tot Beloken Pasen, van Pinksteren tot Sacramentsdag en van half juli tot half augustus (64). Deze vakantiedagen werden bovendien aangevuld met een groot aantal 'mesdagen' die tevens tot de zon- en feestdagen of zogenoemde 'solemnele feriën' behoorden. Daarnaast onderscheidde Wielant, die de term 'solemnele feriën' gebruikte, nog 'repentine feriën' en 'rustieke feriën' (65). Deze laatste werden ingeroepen uit economische noodzaak, bijvoorbeeld oogst, of om andere noodzakelijke redenen in het belang van de gemeenschap. Repentine feriën konden om diverse andere redenen worden uitgeroepen door de vorst. Uiteraard zijn ook heel wat uitzonderlijke situaties te noemen die niet binnen deze categorieën te plaatsen zijn, zoals barre weersomstandigheden. Doorgaans wordt geschat dat de activiteiten van de Raad elk jaar gedurende 180 à 190 dagen werden opgeschort. Er werd echter in permanentie voorzien voor dringende zaken, zoals problemen met dijken of conflicten met buitenlanders die niet lang ter plaatse bleven.
Hoewel de Raad oorspronkelijk startte met één enkele 'kamer' of zitting, werd dit tijdens het eerste kwart van de 17de eeuw verdubbeld tot twee kamers. De aanwezige raadsheren werden verdeeld, waarbij de eerste kamer werd voorgezeten door de president en de tweede kamer door de oudste raadsheer. Ieder jaar werden de kamers 'vernieuwd' en de raadsheren herverdeeld. Deze verdubbeling was echter geen eenmalige evolutie. Tijdens de laatste twee eeuwen van de Raad werd af en toe met drie, en op bepaalde momenten zelfs met vier of vijf kamers gewerkt. De periodisering en de praktische repercussies daarvan zijn tot nu toe onvoldoende onderzocht. Vast staat wel dat dit systeem los stond van een ander organisatorisch element, de Secrete Camere. Deze term werd gebruikt voor een besloten zitting van de Raad van Vlaanderen waarin delicate materies werden besproken, zowel wat interne werking als bestuurlijke en gerechtelijke zaken betreft. Oorspronkelijk werden dergelijke zittingen tussen de gewone door genotuleerd, maar al vanaf 1516 ontstond een aparte reeks registers van de Secrete Camere.

Archief

Geschiedenis

Tijdens het najaar van 1795 werden alle activiteiten van de Raad van Vlaanderen stopgezet (66). Het archief bevond zich op dat moment in de laatste residentieplaats van de justitieraad, namelijk het voormalige Jezuïetenklooster in de Voldersstraat te Gent (67). Daar nam het niet alleen de ruimte van de oude kloosterbibliotheek, maar ook een achttal kamers op de zolderverdieping in. De omstandigheden waren er allesbehalve ideaal, aangezien de rechtsopvolger - het Tribunal de Première Instance - uiteraard zelf behoorlijk wat ruimte nodig had om zijn taken naar behoren uit te voeren. Bovendien was er van een eigentijdse inventaris geen spoor te vinden.
Kort na de onafhankelijkheid van België werd de verantwoordelijkheid voor het archief van de Raad aan het dépôt de l'Etat à Gand toegekend, meer bepaald bij Koninklijk Besluit van 15 oktober 1832. Die tekst had het over titres historiques et administratifs, wat de toenmalige Algemeen Rijksarchivaris Louis Prosper Gachard in 1842 en 1848 inspireerde tot een radicaal voorstel. In een rapport aan de minister van Binnenlandse Zaken deelde hij het archief op in twee verschillende lijsten: stukken van aanzienlijk belang en stukken die enkel lokaal enige waarde hadden. Voor de eerste categorie, waarin heel wat van de registers en het archief van het officie-fiscaal waren opgenomen, dacht hij aan transport richting Algemeen Rijksarchief te Brussel, terwijl de tweede groep stukken te Gent mocht blijven. Gelukkig zag men bij het ministerie in dat deze praktijk onherroepelijke schade zou toebrengen aan het bestand en zijn voorstel werd tot tweemaal toe geweigerd, zelfs in gewijzigde versie.
Door de nakende verhuizing van het gerechtshof naar de gebouwen aan het Koophandelsplein te Gent werd een actieplan voor het archief van de oude Raad van Vlaanderen noodzakelijk. Na een lange onderhandelingsfase werd uiteindelijk, bij Ministerieel Besluit van 21 februari 1852, de Commission de surveillance du classement et du triage des archives de l'ancien Conseil de Flandre opgericht (68). Dit compromisorgaan, bestaande uit twee leden verbonden aan het Ministerie van Justitie, twee verbonden aan de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen en twee leden uit het archiefwezen, stelde eerst en vooral drie employés spéciaux aan om het eigenlijke archiefwerk te verrichten. Victor Gaillard, een 27-jarige doctor in de rechten, kreeg de eindverantwoordelijkheid voor de inventarisatie en de overbrenging van het archief naar het nieuwe gerechtsgebouw. Hij kon daarbij rekenen op de assistentie van Eduard Vermandel en August Van Hoorebeke. Reeds op 12 april, amper twee weken na de start van hun werkzaamheden, richtte Gaillard een brief aan de lezers van de Messager des Sciences Historiques waarin hij de aangetroffen toestand en zijn plan van aanpak uit de doeken deed (69).
Met het oog op de verhuizing stelde hij zo vlug mogelijk een classement de service op, waarbij hij eerst en vooral de reeksen registers en pakken identificeerde en nummerde. Deze nummering bestond uit een lettercode per reeks, gevolgd door een cijfer, en voorzag elk stuk zodoende van een unieke combinatie (70). Zo kon het grootste deel van de inhoud van de voormalige kloosterbibliotheek relatief vlug worden verwerkt, terwijl aan de losse stukken en het grote volume aan procesdossiers voorlopig niet geraakt werd. De zolderruimtes, waar de pakken zich bevonden, waren bijgevolg de laatste lokalen die werden leeggehaald.
Na de verhuisactie, die beëindigd was op 10 augustus 1853, zette de archiefploeg haar activiteiten voort in het nieuwe gerechtsgebouw. Het vroegtijdige overlijden van Victor Gaillard tijdens het najaar van 1856 remde de productiviteit van de groep echter behoorlijk af. Onder leiding van zijn opvolger, Edmond De Busscher, werden heel wat individuele documenten ontleed en kreeg een aantal reeksen registers nieuwe banden, maar de eigenlijke ordening ging nauwelijks vooruit. Toen het Koninklijk Besluit van 30 december 1870 het archief van de Raad van Vlaanderen toewees aan het Rijksarchief te Gent, stond de inventarisatie dan ook niet veel verder dan in 1856.

Verwerving

Anno 1875 werd het immense bestand overgebracht naar het pas aangekochte Geraard de Duivelsteen, anno 2013 nog steeds de locatie van het Gentse Rijksarchief. Deze dure operatie nam in totaal zes maanden in beslag en werd afgerond op 31 augustus 1875. Het archief onderging daar opeenvolgende, partiële bewerkingen door diverse archivarissen. Door gebrek aan overkoepelende visie en aan grondige voorbereiding raakten enkele reeksen, hoofdzakelijk briefwisseling en stukken van de fiscalen, in dit stadium helaas vermengd. Bovendien bleef, na de creatie van een eerste en een tweede reeks processen en een reeks correspondentie, een niet onaanzienlijk volume aan losse stukken nog steeds onbehandeld.
Pas meer dan een halve eeuw later, in 1938, kreeg archivaris Jan Buntinx de opdracht definitief orde op zaken te stellen. Het resultaat van zijn jarenlange werkijver wordt tot op heden als toegang in de leeszaal van het Rijksarchief te Gent gebruikt. Ca. 90% van het archief van de Raad van Vlaanderen werd tijdens deze operatie beschreven.

Inhoud

Het archiefbestand bevat bescheiden die werden gecreëerd en / of ontvangen in het kader van de ruime bevoegdheden van de Raad van Vlaanderen, zowel op bestuurlijk als op gerechtelijk vlak. De aanwezige stukken, daterend van de 14de eeuw tot 1795, betreffen hoofdzakelijk eigen instellingsarchief, archief van de fiscalen, niet-gelichte (fragmenten van) procesdossiers en geconsigneerde stukken.

Taal en schrift van de documenten
De stukken werden in een eigentijdse hand opgesteld, hoofdzakelijk in het Frans en het Nederlands. Sporadisch komen documenten voor die Latijn bevatten of in het Spaans werden opgesteld.

Ordening

De huidige toegang tot het voorliggende hoofdarchiefblok, van de hand van Jan Buntinx, beslaat maar liefst negen boekdelen en beschrijft ca. 34600 bestanddeelnummers (71). Boekdeel 1 beschrijft het kernarchief, waarin alle hoofdreeksen en stukken betreffende de dagelijkse werking werden opgenomen (72). Dit kan worden aangevuld met boekdeel 7, waarin het archief van de fiscale camere en van de Raad als Admiraliteit Suprême wordt beschreven. Boekdelen 2 tot en met 6 bestaan volledig uit procesdossiers, ingedeeld in diverse categorieën, boekdelen 8 en 9 bevatten tenslotte de indexen op alle archiefbeschrijvingen. De uiterste datering van dit bestand valt, mede door de aanwezigheid van enkele stukken van de Audiëntie van de graven van Vlaanderen, iets ruimer uit dan de eigenlijke bestaansperiode van de Raad, namelijk van 1353 tot 1795. Tijdens de 19de eeuw werden daarenboven enkele stukken toegevoegd, hoofdzakelijk betreffende zaken die anno 1795 nog lopende waren en betreffende de rechtbank van eerste aanleg als rechtsopvolger.
De ordening, die op maat werd gemaakt van het archief van de Raad van Vlaanderen, bevat de volgende basisstructuur, bestaande achtereenvolgens uit het kernarchief, procesdossiers, archief van de fiscale camere en archief van de Admiraliteit Suprême:

I. Het archief van de Raad van Vlaanderen (1e afd., boekdeel 1 van de gedrukte inventaris)
A. Algemeenheden
B. Organisatie - jurisdictie - bestuur - financies
C. Personeel
D. Registratie en publicatie
E. Administratie, kontrool en advies
F. Rechtspraak
II. De processen (2e afd., boekdelen 2-6 van de gedrukte inventaris)
A. Processen in eerste aanleg
B. Fiscale processen
C. Processen par escript
D. Processen in beroep bij de Raad van Vlaanderen
E. Processen in hoger beroep bij de Grote Raad van Mechelen
F. Procedurestukken op perkament
III. Het archief van de fiscalen (3e afd., boekdeel 7 van de gedrukte inventaris)
A. Algemeenheden
B. Justitie
C. Beheer van het graafschap, administratie en kontrool
D. Fiscale camere
E. Geconsigneerde papieren
F. Collectie van de advocaat-fiscaal J.B. Van Steenberghen
IV. De Raad van Vlaanderen als Admiraliteit Suprême (4e afd., boekdeel 7 van de gedrukte inventaris)
A. Algemeenheden - beheer - inrichting - werking
B. Prijzen ('prises sur mer') van schepen
C. Processen
D. Geconsigneerde stukken

In de gedrukte negendelige toegang wordt de eerste afdeling voorafgegaan door een inleiding (boekdeel 1, p. 5-78) en wordt de vierde afdeling gevolgd door een index van persoons- en plaatsnamen en een index van zaaknamen (boekdelen 8 en 9).

Voorwaarden voor de raadpleging

Het archief is ouder dan 100 jaar en bijgevolg openbaar. De raadpleging is vrij.

Voorwaarden voor de reproductie

Voor de reproductie van archiefstukken gelden de voorwaarden en tarieven van toepassing in het Rijksarchief zoals verschenen in het Belgisch Staatsblad op 23 september 2011, onder voorbehoud van herziening.

Fysieke kenmerken en technische vereisten

Een aantal stukken in deze inventaris kennen een perkamenten drager.

Toegangen

Het archief van de Raad van Vlaanderen is, wat dit hoofdarchiefblok betreft, integraal beschreven in de negendelige inventaris van de hand van Jan Buntinx: BUNTINX J., Inventaris van het archief van de Raad van Vlaanderen (Rijksarchief te Gent, toegang 008), Brussel, 1964-1979, 9 dln. Het zijn de beschrijvingen uit dit werk die online beschikbaar zijn via de website van het Rijksarchief.
Daarnaast bestaan een aantal naslagwerken die als nadere toegang tot bepaalde nummers kunnen worden beschouwd. Liesbeth De Frenne maakte in het kader van haar stage archivistiek onder meer een nadere toegang op nummers 32722-32761, pakken papieren van de fiscale camere voor de jaren 1658-1662: DE FRENNE L., Het archief van de fiscalen van de Raad van Vlaanderen. Een denkoefening over het statuut van de procesdossiers en een nadere toegang hierop voor de periode 1658-1662, onuitgegeven verhandeling, Brussel, 2005. Van de hand van Gilbert Rogiers verschenen vier boekdelen analyses van criminele processen uit het einde van de 17de eeuw, gebaseerd op bestanddeelnummers 8570 en volgende (registers van criminele examens) en bestanddeelnummer 8595 (register van criminele sententiën): ROGIERS G., Criminele processen voor het hoogste gerechtshof in Vlaanderen, de Raad van Vlaanderen, eind zeventiende begin achttiende eeuw (1671-1723), Oostende, 2008-2012, 4 dln.
Enkele stukken werden, bij uitbreiding, integraal uitgegeven. Dit geldt voor de twee oudst bewaarde registers van acten en sententiën, meer bepaald nummers 2327 (maart 1370 - 3 juli 1374) en 2328 (1374 - 5 september 1378). Beide dateren van voor de oprichting van de Raad van Vlaanderen en zijn in strikte zin archief van de Audiëntie van de graven van Vlaanderen: DE PAUW N. (red.), Bouc van de Audiencie. Acten en sentenciën van den Raad van Vlaanderen in de XIVe eeuw (Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. 3e reeks, 17), Gent, 1901-1903, 2 dln. Uitgaven van andere documenten, al dan niet integrale bestanddeelnummers, kunnen her en der in wetenschappelijke tijdschriften of studies worden aangetroffen. Vooral tijdens de 19de eeuw waren dergelijke kleine uitgaven heel frequent, bijvoorbeeld door Victor Gaillard in het tijdschrift Messager des Sciences Historiques. Hij wijdde ook enkele aparte bronnenuitgaven aan interessante documenten die hij aantrof tijdens zijn bewerking van het archief van de Raad, zoals onder meer GAILLARD V., Archives du Conseil de Flandre ou recueil de documents inédits relatifs à l'histoire politique, judiciaire, artistique et littéraire, mis en ordre et accompagnés de notes et éclaircissements, Gent, 1856.
Alle genoemde naslagwerken zijn consulteerbaar in de leeszaal van het Rijksarchief te Gent en - met uitzondering van de verhandeling van De Frenne - in de leeszaal van de Universiteitsbibliotheek te Gent. Voor de nadere toegangen van Rogiers wordt daarenboven verwezen naar diens website http://users.skynet.be/gilbert.rogiers (geraadpleegd 15.05.2013) of http://www.law.ugent.be/grond/bdbaenst/newwebsite/medewerkers/gilbert/gilbert.html (geraadpleegd 15.05.2013) voor online consultatie.

Aanwijzingen voor het gebruik

De aanwezige archiefstukken in dit bestand werden gedetailleerd beschreven. Een index van persoons- en plaatsnamen en van zaaknamen is voor de raadpleger een extra hulpmiddel. Er wordt tevens gewezen op het bestaan van een uitgebreide archiefgids, terug te vinden in de bibliografie van deze algemene bestandsbeschrijving.
De documenten kunnen worden aangevraagd door het opgeven van het nummer van de toegang, namelijk 008, en het bestanddeelnummer dat wordt aangetroffen links voor elke archiefbeschrijving. Het verdient daarenboven aanbeveling om, bij het verwijzen naar documenten in een wetenschappelijke tekst, het archief de eerste maal te citeren met zijn volledige naam. Nadien kan worden volstaan met een verkorte referentie (73).

Bestaan en bewaarplaats van originelen

Het Rijksarchief te Gent heeft een tweede archiefblok betreffende de Raad van Vlaanderen, dat evenwel ongeordend is en slechts raadpleegbaar is op vraag. Het archiefblok Raad van Vlaanderen (rebuut) kan worden aangevraagd via toegangsnummer 999/RV.
Het Gentse stadsarchief bewaart een aantal stukken van of gerelateerd aan de Raad van Vlaanderen. Eerst en vooral is er het bestand Raad van Vlaanderen en Wetachtige Kamer (15de-18de eeuw), waarin onder meer afschriften en indices van sententiën, rekwesten, briefwisseling, rekeningen, namptissementsboeken, handboeken en stukken betreffende rapportgelden en procedure worden bewaard. Deze 45 registers, acht pakken en één rol vormen een rechtstreekse aanvulling bij het kernarchief van de Raad van Vlaanderen. Verder bewaart men in de Zwarte Doos ook een dossier inzake de verkoop van het Gravensteen (1779) en een klein archiefbestand van de Praktizijnen van de Raad van Vlaanderen (1497-1795), samen zeven registers en 25 pakken.
Uiteraard bevat het stadsarchief ook een groot aantal stukken die de relatie tussen de Raad en de stad documenteren, zoals Ingekomen brieven van de Raad van Vlaanderen (1550-1794), Plakkaten van de vorst (1531-1799), diverse verzamelingen Stadsprocessen (15de-19de eeuw), allerhande Rekeningen (14de-18de eeuw) (waaronder exemplaren van de ontvanger der exploten van de Raad van Vlaanderen) en stukken betreffende Rapportgelden (1705-1727). Bijzonder interessant is uiteraard ook de verzameling Repertoria van juridische en administratieve bescheiden (11de-18de eeuw).
Verdere informatie over de collectie en modaliteiten van raadpleging is te vinden in de archiefgids oud archief, in combinatie met de webstek van het stadsarchief: DECAVELE J. en VANNIEUWENHUYSE J., Stadsarchief van Gent. Archiefgids oud archief, Gent, 1983. Zie ook http://www.gent.be/eCache/THE/2/122.html (geraadpleegd 15.05.2013) voor een online, doorzoekbare versie.

Documenten met een verwante inhoud

In zijn artikel over de Raad van Vlaanderen, opgenomen in het standaardwerk over de gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Vlaanderen, behandelt Paul Van Peteghem een groot aantal complementaire archiefbronnen: VAN PETEGHEM P., Raad van Vlaanderen (1386-1795), in AUGUSTYN B. en PREVENIER W. (red.), De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Vlaanderen tot 1795 (Studia 72), Brussel, 1997, p. 153-156.
Hij wijst onder meer op het belang van het Gentse stadsarchief en, bij uitbreiding, andere stads- of gemeentearchieven om persoonlijke gegevens te vinden van medewerkers van de Raad. Zowel in het stadsarchief, de Universiteitsbibliotheek van Gent als de Koninklijke Bibliotheek van Brussel worden bovendien handschriftelijke bronnen en drukken bewaard over de geschiedenis van Vlaanderen en / of de Raad, handboeken van advocaten, procureurs of notarissen, briefwisseling, adviesliteratuur, inventarissen op en analyses van registers van de Raad, kopieën van vonnissen en handschriften over procedure. Sommige van deze stukken komen uit de verspreid geraakte handbibliotheek van de Raad van Vlaanderen, waarover tot nu toe nauwelijks onderzoek werd verricht, of uit het persoonlijk bezit van functionarissen.
Dit overzicht kan worden aangevuld met enkele verzamelingen die bewaard worden in het Rijksarchief te Gent (74). Zo zijn er de Varia-reeksen, 19de-eeuwse verzamelingen van verspreide aanwinsten of van stukken die men om de één of andere reden meende te moeten verwijderen uit archiefbestanden. Vooral de Varia D-reeks bevat een aantal documentaire banden aangaande de Raad van Vlaanderen. Aanvullend is er ook het Fonds Gent, dat een heterogene verzameling bescheiden betreffende de stad Gent bevat. De algemene verzameling van familiearchieven - kortweg het Algemeen Familiefonds - bevat tot slot een schat aan informatie betreffende allerhande (Oost-Vlaamse) personen en families, waaronder tal van stedelijke en gewestelijke functionarissen. Sommige familiearchieven werden daarenboven apart behandeld en hebben hun eigen inventaris. Een overzicht ervan is te vinden in het archievenoverzicht van het Gentse Rijksarchief of op de portaalwebsite van de Belgische Rijksarchieven: BUNTINX W., AUGUSTYN B., CEÛPPENS L. en VERFAILLIE J., Archiefvormers in het gerechtelijk arrondissement Gent, 3 dln., Brussel, 2008. Zie ook http://www.arch.be (geraadpleegd 15.05.2013), optie 'Zoeken in archieven'; DIEGERICK A. en SCHOORMAN R., Stad Gent. Documenten betreffende de Stad Gent (Fonds Gent) (Rijksarchief te Gent, toegang 018), Gent, z.d.; Inventaris van de algemene verzameling van familiearchieven (Algemeen Familiefonds), bewaard in het Rijksarchief te Gent (Rijksarchief te Gent, toegang 191), 8 dln., Gent, z.d. en RENSON S., Inventaris van de Varia-reeksen (Rijksarchief te Gent, toegang 125), Gent 1989.
Aangezien het ressort van de Raad van Vlaanderen gedurende de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd op geregelde tijdstippen wijzigde, is het raadzaam ook even een blik te werpen over de grenzen van het 18de-eeuwse graafschap Vlaanderen. Hoofdzakelijk het noorden van Frankrijk en het zuiden van de Noordelijke Nederlanden zijn daarbij van belang, met respectievelijk het Parlement de Flandre (1668) en de Staatse Raad van Vlaanderen (1599) die de taken van de Raad van Vlaanderen in de overgenomen regio's hebben verdergezet. Het archief van het Franse Parlement wordt bewaard in de Archives Départementales du Nord te Rijsel, dat van de Staatse Raad in het Zeeuws archief te Middelburg. Voor beide bestanden bestaat een gids voor de onderzoeker: CASTELAIN S. et CLIQUETEUX-LEBEL A., Petit guide à l'usage des personnes intéressées par les archives du parlement de Flandre (Archives Départementales du Nord - VIII B 1e et 2e série), Lille, 2004. Zie ook http://www.archivesdepartementales.cg59.fr (geraadpleegd 15.05.2013); LE BAILLY M.C., Staatse Raad van Vlaanderen te Middelburg. De hoofdlijnen van het procederen in civiele zaken zowel in eerste instantie als in hoger beroep (Procesgidsen 6), Hilversum, 2007. Zie ook http://www.zeeuwsarchief.nl (geraadpleegd 15.05.2013).
Niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd vormde de Raad uiteraard geen constante. Zo moet rekening worden gehouden met zowel rechtsvoorgangers als -opvolgers. Vooral wat de rechtsvoorganger, de Audiëntie van de graven van Vlaanderen betreft, is er heel weinig materiaal bewaard gebleven. Deze instelling heeft zelfs nooit veel eigen archief voortgebracht: enkel de processen-verbaal van de zittingen werden opgetekend. Twee van deze Boucken van de Audiencie zijn bewaard gebleven in het archief van de Raad van Vlaanderen en werden ondertussen integraal uitgegeven. Het allereerste register van acten en sententiën van de Raad zelf bevat bovendien nog enkele pv's van zittingen van de Audiëntie voor de jaren 1386-1389. Van de 19de-eeuwse rechtsopvolger is heel wat meer materiaal voorhanden. Het Tribunal de Première Instance of dus de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, die anno 1795 de lokalen in de Voldersstraat overnam, heeft reeds op diverse tijdstippen archief overgedragen aan het Belgische Rijksarchief. Dit wordt momenteel bewaard in het Rijksarchief te Beveren, net als vele andere archiefbestanden van Belgische rechtbanken. Het archievenoverzicht ressort Vlaanderen biedt de lezer inzicht in de verschillende bestanden en toegangen. Zie BUNTINX J., Inventaris van het archief van de Raad van Vlaanderen (Rijksarchief te Gent, toegang 008), Brussel, 1964, deel 1, p. 54-55 en 133; DE PAUW N. (red.), Bouc van de Audiencie. Acten en sentenciën van den Raad van Vlaanderen in de XIVe eeuw (Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. 3e reeks, 17), 2 dln., Gent, 1901-1903 en PRENEEL M., Overzicht van de archieven in het Rijksarchief te Beveren: archiefvormers van het ressort Vlaanderen (Archievenoverzichten 7), Brussel, 2006. Zie ook http://www.arch.be (geraadpleegd 15.05.2013), optie 'Zoeken in archieven' voor een up-to-date versie van overgedragen bestanden.
Binnen het graafschap Vlaanderen kan het archief van diverse andere gewestelijke en regionale instellingen aangestipt worden, alle hoofdzakelijk bewaard in het Rijksarchief te Gent. De Staten van Vlaanderen, het voornaamste orgaan van volksvertegenwoordiging binnen het gewest, is veruit het belangrijkste daarvan. De Raad en de Staten stonden voortdurend in contact met elkaar en werkten op bepaalde vlakken samen. Uit praktisch oogpunt kan het daarenboven aangewezen zijn om de archieven van instellingen die tegelijk met de Raad in het Gravensteen zetelden, te bekijken. Zo deelde de justitieraad deurwaarders en messagiers met de Wetachtige Kamer en met de Rechtbank van de Indaginge (ook wel Luitenant-Civil van de Indaginge genoemd). Aangezien het archiefbestand van de Soevereine Kamer van de Hoofdredeninge (een boekhoudkundig controleorgaan voor de ontvangers van de graaf) en het eigenlijke archief van de Vorstelijke Domeinen ooit zijn afgescheiden van respectievelijk de bestanden van de Raad van Vlaanderen en van de Wetachtige Kamer, kunnen ook deze bestanden als verwante archieven worden beschouwd. Tot slot was ook het hoofdcollege van de kasselrij Oudburg in het Gravensteen gevestigd, tot het einde van het ancien régime. BUNTINX W., AUGUSTYN B., CEÛPPENS L. en VERFAILLIE J., Archiefvormers in het gerechtelijk arrondissement Gent, deel 1, Brussel, 2008 biedt een introductie tot de opgesomde instellingen en hun archief aan; in PREVENIER W. en AUGUSTYN B. (red.), De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Vlaanderen tot 1795 (Studia 72), Brussel, 1997 komen deze instellingen in hun respectievelijke artikels uitgebreider aan bod. Voor raadpleging wordt verwezen naar de volgende toegangen: BUNTINX W., Inventaris van het archief van de Vorstelijke Domeinen van Oost-Vlaanderen (Rijksarchief te Gent, toegang 014/2), Brussel, 1988; BUNTINX W., Inventaris van het archief van de Wetachtige Kamer van Vlaanderen (Rijksarchief te Gent, toegang 014), Brussel, 1988; Inventaris van het archief van de Oudburg. Kasselrij en Leenhof (Rijksarchief te Gent, toegang 005), Gent, 1905; NUYTTENS M., Inventaris van het Archief van de Staten van Vlaanderen (Rijksarchief te Gent, toegang 002), Brussel, 1986 en VIAENE D., Inventaris van het archief van de Rechtbank van de Indaginge van Gent (1562-1796) (Rijksarchief te Gent, toegang 286), Brussel, 2006.
Uiteraard is er ook een schat aan informatie te vinden op diverse hogere hiërarchische niveaus. Wat hogere beroepsinstanties betreft, is er achtereenvolgens het archief van het Parlement de Paris en dat van (het Parlement, vervolgens) de Grote Raad van Mechelen, respectievelijk bewaard in de Archives Nationales te Parijs en het Algemeen Rijksarchief te Brussel. Het archief van diverse centrale instellingen, waaronder de collaterale raden en in het bijzonder de Geheime Raad, biedt daarenboven een inzicht in de meest uiteenlopende bevoegdheden van de Raad van Vlaanderen en de relatie van de Raad met het centrale en, bij uitbreiding, het supranationale niveau. Vooral correspondentie en daaruit ontstane dossiers zijn hierbij van groot belang. Alle relevante informatie over deze archiefvormers en een basisintroductie tot de samenstelling en de onderzoeksmogelijkheden van hun archiefbestanden is te vinden in een uitstekende gids, die de centrale overheidsinstellingen van de Habsburgse Nederlanden behandelt.
Een extra vermelding verdient het archief van de opeenvolgende rekenkamers, waarover eveneens een uitgebreide gids werd samengesteld. Omwille van rekenplichtigheid werden diverse rekeningen van onder meer exploten, zegel- en augmentatierechten van de Raad van Vlaanderen bij de bevoegde rekenkamer ingediend. Ook andere, in dit geval secundaire bronnen uit de rijke reeksen van de rekenkamers kunnen een beeld schetsen van de werking van de Raad, en onder meer van zijn concurrerende houding ten opzichte van bepaalde stedelijke instellingen. Hierbij mogen zeker ook de aanwezige stukken in Série B van de collectie van de Archives Départementales du Nord te Rijsel niet vergeten worden. Verdere informatie kan worden gevonden in AERTS E. e.a. (red.), De centrale overheidsinstellingen van de Habsburgse Nederlanden (1482-1795) (Studia 55), 2 dln., Brussel, 1994; AERTS E., Geschiedenis en archief van de Rekenkamers (Overzichten en Gidsen 27), Brussel, 1996; Archives de l'Ancien Régime: guide général d'orientation, Paris, 2011; LEYDER D., Les archives du Grand Conseil des Pays-Bas à Malines (vers 1445 - 1797) (Gidsen 73), Brussel, 2010 en Série B - Cours et juridictions d'Ancien Régime, via http://www.archivesdepartementales.cg59.fr (geraadpleegd 15.05.2013).
Informatiegaring kan tevens in de omgekeerde richting gebeuren. Binnen het grondgebied van het vroegere graafschap Vlaanderen was een kluwen van regionale en lokale openbare instellingen actief. Archief van deze overheden is verspreid te vinden in allerhande rijks-, stads- en gemeentearchieven van ruwweg het huidige West- en Oost-Vlaanderen. Ook hier dient er rekening mee te worden gehouden dat het ressort van de Raad zich tijdens zijn bestaan niet tot deze grenzen en zelfs niet tot de grenzen van het huidige België beperkte. Wat de Rijksarchieven betreft, zijn in dat kader hoofdzakelijk de ancien-régimecollecties van de Rijksarchieven te Brugge, Kortrijk, Gent en Beveren van belang. Via de website, http://www.arch.be (geraadpleegd 15.05.2013) kan, zoals reeds aangehaald, kennis worden gemaakt met de verschillende archiefbewaarplaatsen en hun collecties. De lezer vindt er tevens de referenties van alle gedrukte archievenoverzichten. Het bestaan van heel wat stads- en gemeentearchieven is dan weer gerepertorieerd in de Vlabidocgids, die via de website van de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie beperkt raadpleegbaar is. Zie http://www.vvbad.be (geraadpleegd 15.05.2013), waarop de Vlabidocgids te bereiken valt via 'Informatiebronnen' - 'Bronnen en Publicaties'. De meeste stads- en gemeentearchieven beschikken bovendien over een website waarin ze hun collectie voorstellen, die via een eenvoudige zoekrobot zoals Google bereikt kan worden.
Wat vergelijkingsmateriaal binnen de Zuidelijke Nederlanden betreft, is het uitgebreide archief van de Raad van Brabant om verscheidene redenen het meest aangewezen onderzoeksspoor. Dit archief wordt bewaard in het Rijksarchief te Anderlecht en bestaat uit diverse bestanden, waaronder verschillende reeksen procesdossiers. Het griffie- en secretariaatsarchief bieden inzicht in samenstelling, organisatie en werking van deze justitieraad, die naar analogie met de Raad van Vlaanderen bevoegd was voor het hertogdom Brabant, het hertogdom Limburg en de Landen van Overmaas. De Raad van Brabant kon zich evenwel soeverein noemen, op enkele korte onderbrekingen na. Zie PUT E., Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Deel 1: Archief van de Griffies, Brussel, 1995 en PUT E., Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Deel 2: Archief van de Secretariaten, Brussel, 1999 voor geschiedenis, samenstelling, organisatie, bevoegdheden en procedure van de instelling, een toelichting over het archiefbestand, mogelijke zoekschema's en verdere verwijzingen.

Bibliografie

Een algemeen naslagwerk over de Raad van Vlaanderen bestaat tot op heden niet. In het verleden verschenen heel wat detailstudies met historische of rechtshistorische invalshoek, waarvan een aantal publicaties verouderd zijn. Onderstaande lijst bevat enkele van de voornaamste titels; daarnaast bestaan er uiteraard heel wat bronnenuitgaven en thematische publicaties. Deze laatste handelen hoofdzakelijk over bepaalde gehanteerde procedures.
Recent verscheen een archiefgids betreffende het archief van de Raad van Vlaanderen, die heel wat achtergrondinformatie biedt over de samenstelling en inhoud van het bestand, de (gerechtelijke) procedures en zoekmogelijkheden in het archief. Deze gids kan naast de bestaande inventaris worden gebruikt.

DE PAUW N., La Cour d'Appel de Gand depuis cinq siècles, Gent, 1897.
DUMOLYN J., Het hogere personeel van de hertogen van Bourgondië in het graafschap Vlaanderen (1419-1477), Gent, doctoraatverhandeling, 2001, 5 dln.. Uitgegeven in twee publicaties: DUMOLYN J., De Raad van Vlaanderen en de Rekenkamer van Rijsel. Gewestelijke overheidsinstellingen als instrumenten van de centralisatie (1419-1477) (Studia 94), Brussel, 2002 en DUMOLYN J., Staatsvorming en vorstelijke ambtenaren in het graafschap Vlaanderen 1419-1477 (Studies in urban social, economic and political history of the medieval and early modern Low Countries 14), Leuven, 2003.
FOPPENS J., Histoire du Conseil de Flandre, précédée d'une notice historique et accompagnée de notes par A. O'Kelly et Huyttens, Brussel, 1869. Zie ook FOPPENS J., Histoire du Conseil de Flandre (Reprints 91), Brussel, 1997.
GANSER M., Le conseil de Flandre. Discours prononcé à l'audience de rentrée de la Cour d'Appel de Gand le 19 octobre 1846, à l'occasion de l'inauguration du nouveau palais de justice, Gent, 1846.
MATTHIEU A., Histoire du conseil de Flandre, in Annales de l'Académie d'Archéologie de Belgique, 1879, XXXV, p. 173-460 of als monografie uitgegeven te Antwerpen, 1880.
MONBALLYU J., De gerechtelijke bevoegdheid van de Raad van Vlaanderen in vergelijking met de andere 'wetten' (1515- 1621), in JACOBS B.C.M. en NEVE P.L. (red.), Hoven en banken in Noord en Zuid. Derde colloquium Raad van Brabant, Tilburg, 30 en 31 januari 1993 (Brabantse Rechtshistorische Reeks, VII), Tilburg, 1994, p. 1-26.
VANDENPEEREBOOM A., Des cours de justice qui ont exercé jurisdiction souveraine sur la ville d'Ypres et la West-Flandre: le conseil de Flandre à Ypres (1451-1464), et deuxième séjour du conseil de Flandre à Ypres (1492-1498), Ieper, 1872.
VAN DER VYNCKT L.J.J., Recueil des recherches historiques et chronologiques du Conseil provincial ordonné en Flandre. Contenant la premiere institution, le progres et les changemens arrivés audit conseille ... depuis l'an de grace 1385 jusqu'au present 1771, Gent, [18de eeuw], 3 dln.
VAN PETEGHEM P., Centralisatie in Vlaanderen onder Keizer Karel (1515-1555). Een onderzoek naar de plaats van de Raad van Vlaanderen in de Habsburgse Nederlanden, Gent, doctoraatverhandeling, 1979, 3 dln.. Uitgegeven als: VAN PETEGHEM P., De Raad van Vlaanderen en staatsvorming onder Karel V (1515-1555). Een publiekrechtelijk onderzoek naar centralisatiestreven in de XVII Provinciën (Rechtshistorische reeks van het Gerard Noodt Instituut, XV), Nijmegen, 1990.
VAN PETEGHEM P., Raad van Vlaanderen (1386-1795), in AUGUSTYN B. en PREVENIER W. (red.), De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Vlaanderen tot 1795 (Studia 72), Brussel, 1997, p. 131-156.
VERFAILLIE J., Het archief van de Raad van Vlaanderen (1386-1795): gids voor de gebruiker, Brussel, 2013.

Beschrijvingsbeheer

De inventarisatie van dit bestand werd in het midden van de 20ste eeuw uitgevoerd door Jan Buntinx, archivaris bij het Rijksarchief te Gent. Tijdens de periode 2009-2011 werd de gedrukte inventaris, bestaande uit negen delen, heringevoerd om deze online ter beschikking te kunnen stellen. De beknopte algemene beschrijving van het archief, aangemaakt ter begeleiding van de online versie van de inventaris, werd anno 2013 opgesteld door Joke Verfaillie, tevens archivaris in het Rijksarchief te Gent.

Residentieplaatsen

15 februari 1386 - 1 augustus 1405 Rijsel
1 augustus 1405 - 30 april 1407 Oudenaarde
30 april 1407 - 2 oktober 1439 Gent (Gravensteen)
8 oktober 1439 - 10 juli 1440 Kortrijk
10 juli 1440 - [eind] 1447 Gent (Gravensteen)
[eind] 1447 - 16 november 1451 Dendermonde
18 november 1451 - 20 december 1463 Ieper
10 januari 1464 - [8 januari] 1488 Gent (Gravensteen)
[8 januari] 1488 - 24 mei 1488 Brugge
24 mei 1488 - 27 januari 1490 Gent (Gravensteen)
27 januari 1490 - 18 september 1492 Dendermonde
5 oktober 1492 - 5 maart 1498 Ieper
5 maart 1498 - 16 december 1579 Gent (Gravensteen)
16 december 1579 - 18 maart 1585
* [18 december] 1579 - 18 maart 1585 Gent (Gravensteen)
* [2 januari] 1580 - 18 maart 1585 Douai
18 maart 1585 - 23 maart 1678 Gent (Gravensteen)
23 maart 1678 - 3 maart 1679
* 23 maart 1678 - 3 maart 1679 Gent (Gravensteen)
* 19 april 1678 - 3 maart 1679 Brugge
3 maart 1679 - 22 november 1778 Gent (Gravensteen)
22 november 1778 - 1 januari 1787 Gent (Voldersstraat)
1 januari 1787 - [14 mei] 1787 Gent (Voldersstraat) (75)
[14 mei] 1787 - 11 januari 1790 Gent (Voldersstraat)
11 januari 1790 - [midden december] 1790 Gent (Voldersstraat) (76)
[midden december] 1790 - 1 december 1795 Gent (Voldersstraat)

Instructies

In dit overzicht werden alle normatieve bronnen over samenstelling, organisatie en werking opgenomen die in de geschiedenis van de Raad van Vlaanderen als onontbeerlijk worden beschouwd, zeker voor wat de 14de-16de eeuw betreft. Voor de 17de en 18de eeuw werd een selectie gemaakt (77).
Bij wijze van bronvermelding werd, indien mogelijk, zo vaak mogelijk verwezen naar de eigen uitgegeven versies van de Raad van Vlaanderen, met name naar de relevante passages in de plakkaatboeken. Indien er in het archiefbestand van de Raad bovendien een archivalische weergave van de normatieve bron te vinden is, werd ook die verwijzing hieronder opgenomen.

1386, 15 februari: Oprichtingsordonnantie van de Raad- en Rekenkamer te Rijsel
BRON: Instruction pour les gens du conseil du monsieur le Duc de Bourgoingne, Comte de Flandres, par luy ordonné faire residence en la ville de Lille, in Tweeden druck Vanden Eersten Bouck der Ordonnancien, Statuten, Edicten ende Placcaerten soo van weghen der Keyserlyke ende Koninghlyke Maiesteyten, als huerlieder Doorlughtighste Voorsaeten, Graven ende Graefneden van Vlaendren, Nieuwelinghs Ver-meerdert met Door-Gaende Marginale Aen-wysinghen ende Vol-kommentafel, Gent, 1639, p. 234 e.v.

1409, 17 augustus: Instructie voor de Raad van Vlaanderen te Gent
BRON: RAG, RVV, 141: Instructie voor de Camere van den Rade in Vlaanderen gegeven door Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, te Douai.
BRON: Ordonnance touchant certaine & nouvelle instruction pour les gens du conseil de mondict Seignieur, par luy ordonné faire residence continuele dans la ville de Gand, in Tweeden druck Vanden Eersten Bouck der Ordonnancien... , p. 237 e.v.

1439, 13 oktober: Instructie voor de Raad van Vlaanderen te Kortrijk
BRON: RAG, RVV, 34305 (ongefolieerd): Raden van Vlaanderen, Artois en Luxemburg; Parlement van Dôle: instructies, inrichting en werking, 16de en 17de eeuw.
BRON: Lettres patentes de Philippe-le-Bon, duc de Bourgogne, décrétant la composition et l'organisation du Conseil de Flandre à Courtrai, in VANDENPEEREBOOM A., Des cours de justice..., p. XV e.v.

1451, 13 november: Instructie voor de Raad van Vlaanderen te Ieper
BRON: Instructions données par Philippe-le-Bon, duc de Bourgogne, aux gens et suppôts du Conseil de Flandre, siégeant à Ypres, in VANDENPEEREBOOM A., Des cours de justice..., p. LX e.v.

1463, 13 juli: Uitgebreide instructie voor de Raad van Vlaanderen
BRON: Instructions données par Philippe-le-Bon, Duc de Bourgogne, aux gens et suppôts du Conseil de Flandre renouvelé, siégeant à Ypres, in VANDENPEEREBOOM A., Des cours de justice..., p. CV e.v.

1483, 6 september: Uitgebreide instructie voor de Raad van Vlaanderen
BRON: RAG, RVV, 2415: Register van acten en sententiën, 3 oktober 1483 - 13 april 1484, fol. 224 e.v.
BRON: Instructie omme de Raedslieden van de Camere van den Rade, zie STRUBBE E., De verordening van 1483 voor de Raad van Vlaanderen, in STRUBBE E. (red.), De luister van ons oude recht. Verzamelde rechtshistorische studies, Gent, 1973, p. 543 e.v.

1510, 18 juni: 'Ampliatie', aanvulling op voorgaande instructies voor de Raad van Vlaanderen
BRON: Instructions données au conseil de Flandre par Marguerite d'Autriche, in Recueil des ordonnances des Pays-Bas, 2me série. Deel 1, Brussel, 1893, p. 136 e.v.

1522, 9 mei: Uitgebreide instructie voor de Raad van Vlaanderen
BRON: Ordonnance et instruction faicte et renouvellée par l'Empereur Charles cinquieme, touchant la reigle, ordre & pollice sur le faict & administration de la Iustice provinciale du Pays de Flandres, in Tweeden druck Vanden Eersten Bouck der Ordonnancien..., p. 249 e.v.

1531, 22 augustus: 'Ampliatie', aanvulling op de instructie van 1522 voor de Raad van Vlaanderen
BRON: Ordonnance et ampliation sur l'instruction du Conseil en Flandres, in Tweeden druck Vanden Eersten Bouck der Ordonnancien..., p. 274 e.v.

1624, 20 april: Ordonnantie betreffende de procedure en de suppoosten van de Raad van Vlaanderen
BRON: RAG, RVV, 142: Nieuwe instructie up 't faict van procederen in den Raed van Vlaenderen (minuut of copie), 1624.
BRON: Ordonnantie ghemaect by myne heeren vanden Raedt gheordonneert in Vlaendren, tot voorderynghe van Iustitie, ende goede directie vande proceduren vande zaecken in den zelven Raedt belet mitsgaders vande Greffien Deurwaerders ende Messagiers, van dien behelsende en wel d'Ordonnantien vanden Hove ghemaeckt in de Iaeren XVc LXXVII ende XVc XCIIII als diverssche andere voorgaende, in Tweeden deel van den placcaert-boeck inhoudende diverse ordonnantien, edicten ende placcaerten vande konincklycke Maiesteyten ende haere duerluchtighe Hoogheden Graven van Vlaenderen, mitsgaeders van huerliederen provincialen raede aldaer, Antwerpen, 1662, p. 190 e.v.

1667, 23 september: Aanpassing van en 'ampliatie' of aanvulling op de ordonnantie van 1624 betreffende de procedure en de suppoosten van de Raad van Vlaanderen
BRON: Ordonnantie van den Raede in Vlaenderen ter vervoorderinghe van justitie, ende goede directie vande Proceduren, etc vanden 20 April 1624 met de modificatien ende ampliatien zedert ghemaeckt, in Derden placcaet-boeck van Vlaenderen, inhoudende de Placcaeten, Ordonnancien, Reglementen, Tractaeten, Alliancien ende andere Edicten, gheëmaneert van weghen de koninghen van Spagnien ende van hunne doorluchtighste voorsaeten Graven van Vlaenderen, ende Souveraine Princen van dese Nederlanden, 2 dln., Gent, 1685, p. 110 e.v.

1682, 24 januari: Korte ordonnantie betreffende de procedure van de Raad van Vlaanderen
BRON: Ordonnantie op het faict van proceduren in den Raede van Vlaenderen, in Derden placcaet-boeck van Vlaenderen..., p. 1379 e.v.

1702, 1 april: Corrigerende ordonnantie betreffende de procedure van de Raad van Vlaanderen
BRON: Ordonnantie van den Hove om te weiren de prolixiteyt van proceduren ende andere abuysen daer in geglisseert, in Vierden placcaet-boeck van Vlaenderen, behelsende alle de Placcaeten Ordonnantien ende Decreten, gheëmaneert voor de Provincie van Vlaenderen sedert 't jaer 1684 tot ende met 1739, 3 dln., Brussel, 1740, p. 110 e.v.

1720, 20 september: Corrigerende ordonnantie betreffende de procedure van de Raad van Vlaanderen
BRON: Ordonnantie van den Raede in Vlaenderen ten regarde van de abuysen in de proceduren, in Vierden placcaet-boeck van Vlaenderen..., p. 121 e.v.

Samenstelling

Raad stricto sensu

President
Raadsheren
Commissarissen

Openbaar ministerie

Procureur-generaal
Advocaat-fiscaal
Substituten

Griffie

Griffier(s)
Notaris
Klerk(en)

Ondersteunende diensten

Ontvanger der exploten
Ontvanger der rapporten
Deurwaarders
Boden
Huisbewaarder en cipier

Balie

Procureurs
Advocaten

1"Recueil des recherches historiques et chronologiques du conseil provintial ordonné en Flandres.", z. d. (c. 1795).1 register
2"Histoire du Conseil en Flandre" (copie), z. d. (begin van de 19e eeuw).1 register