Inventaris van het archief van het Ministerie van Economische Zaken. Administratie van de Handel. Dienst Handels- en Nijverheidseigendom. Fabrieks- en handelsmerken, 1879-1970.

Archive

Name: Ministerie van Economische Zaken. Administratie van de Handel. Dienst Handels- en Nijverheidseigendom. Fabrieks- en handelsmerken

Period: 1879-1970

Inventoried scope: 70 linear meters

Archive repository: National Archives of Belgium

Heading : Economy

Inventory

Authors: Filip Strubbe

Year of publication: 2018

Code of the inventory: I 648

...

Archiefvormer

Naam

Ministerie van Economische Zaken. Administratie van de Handel. Dienst Handels- en Nijverheidseigendom (en rechtsvoorgangers)

Geschiedenis

Basisprincipes

De toenemende industrialisering en commercialisering van de handels- en nijverheidssector in de loop van de 19de eeuw gingen gepaard met meer overheidsreglementering. Deze evolutie gold ook in het domein van de merken, d.i. tekens gebruikt door een onderneming ter identificatie en onderscheiding van haar handels- en nijverheidsproducten of diensten. Tot voor 1879 was het Belgisch merkrecht vrijwel uitsluitend gebaseerd op de wetgeving uit de Franse periode. (1) De wet van 1 april 1879 voorzag in een algemeen, uitgebalanceerd kader voor het gebruik en de registratie van merken. De wetgever hield het midden tussen de verstikkende regelgeving van de beroepsgilden uit het Ancien Régime en het wettelijk vacuüm dat na hun afschaffing was ontstaan: merken zouden enerzijds toelaten om de bedrijvigheid van de ondernemer in de verf te zetten (zonder daarbij te raken aan de marktvrijheid en de concurrentie tussen ondernemingen) en anderzijds ook de belangen van de consument vrijwaren door een garantie te bieden voor de kwaliteit van een product of dienst. Het exclusieve gebruik van merken door ondernemingen kon niet gebeuren zonder een zorgvuldige registratie, zowel op het niveau van de regionale rechtbank van koophandel als van de nationale overheidsadministratie.
De centrale merkregistratie waarmee men vanaf eind 1879 in België aanving, vertoonde een grote mate van continuïteit die wellicht te maken heeft met de eenduidige definitie van de term "merk". Het eerste artikel van de wet van 1 april 1879 omschreef een fabrieks- of handelsmerk als "tout signe servant à distinguer les produits d'une industrie ou les objets d'un commerce". (2) Een ministeriële omzendbrief van 8 juli 1879 naar de provinciegouverneurs benadrukte dat deze bondige definitie in de praktijk de meest diverse ladingen kon dekken: "[...] peuvent être employés comme marques les noms sous une forme distinctive, les dénominations, emblèmes, empreintes, timbres, cachets, vignettes, reliefs, lettres, chiffres, enveloppes, etc." (3) De tweede essentiële eigenschap van een merk kwam al ter sprake tijdens de parlementaire debatten in de aanloop naar de wet van 1879, met name het gegeven dat merken van nature geen onderdeel uitmaken van het product waarop zij zijn aangebracht. (4) In 1969 definieert de eenvormige Beneluxwet op de warenmerken dit principe (heden bekend als het specialiteitsbeginsel) als volgt: "Evenwel kunnen niet als merken worden beschouwd vormen, die door de aard van de waar worden bepaald, die de wezenlijke waarde van de waar beïnvloeden of die een uitkomst op het gebied van de nijverheid opleveren". (5) Een inschrijving als merk verleent dus enkel exclusieve rechten met betrekking tot een gebruik van het teken voor de waren of diensten waarvoor het werd geregistreerd (of voor soortgelijke waren of diensten), maar nooit een absolute bescherming. (6) Tenslotte impliceert de registratie van een merk ook een bescherming binnen een welomschreven geografisch gebied, het zgn. territorialiteitsbeginsel.
De drie bestendige basisprincipes achter de merkeconomie (de tekenfunctie van het merk, het specialiteitsbeginsel en de geografische afbakening) nemen niet weg dat er mettertijd een evolutie plaatsvond in de registratieprocedure van merken, zijn betekenis en de reikwijdte van de bescherming. Wat dat betreft kan men grosso modo drie periodes onderscheiden.

De merkregistratie uit de startblokken (1879-1931)

De wet van 1 april 1879 omschreef een rechtlijnige registratieprocedure voor merken. In eerste instantie kon een merk slechts voor exclusief gebruik worden geregistreerd door de persoon of onderneming die het eerst van dit merk gebruik had gemaakt. (7) Daartoe diende een model van dit merk in drievoud te worden geregistreerd bij de plaatselijke rechtbank van koophandel of de dienstdoende rechtbank van eerste aanleg (8) (met vermelding van de datum en het tijdstip van de neerlegging), waarna één exemplaar werd overhandigd aan de eigenaar van het merk, een tweede exemplaar werd bijgehouden door de rechtbank en een derde proces-verbaal van neerlegging uiterlijk binnen acht dagen werd verstuurd naar de centrale overheidsadministratie. (9) Vermeldenswaard is dat de opvatting van de 19de-eeuwse wetgever over de precieze aard van de neerlegging in twee belangrijke opzichten afweek van de registratiepraktijk in de loop van de 20ste eeuw. Ten eerste was een neergelegd merk voor onbeperkte tijd geldig. De eigendom van een fabrieks- of handelsmerk werd beschouwd als "dans la nature même des choses [et] la conséquence directe du droit de propriété existant" en in dat verband zelfs vergeleken met iemands handtekening, die evenmin een tijdelijk karakter had. (10) In tweede instantie kon een merk door registratie slechts worden toegekend aan de persoon of onderneming die het eerst van dit merk gebruik maakte. Het recht op het gebruik van een merk ging met andere woorden vooraf aan de registratie zelf, die enkel gold als een formele, post-factum bekrachtiging van een voorgegeven (eigendoms)recht: "Le dépôt ne crée pas le droit, il se borne à en constater l'existence. Le droit est préexistant [...] Il semble peu logique de subordonner la propriété de la marque au renouvellement du dépôt [...] qui n'a pas servi à constituer, mais seulement à révéler cette propriété." (11) Het wettelijk kader voorzag enkel in de mogelijkheid van een overdracht van een merk bij een overname van een onderneming: "Une marque ne peut être transmise qu'avec l'établissement dont elle sert à distinguer les objets de fabrication ou de commerce." (12) In dat geval diende ook de overdracht (cessation) van het merk in kwestie apart te worden geregistreerd door de plaatselijke rechtbank en de centrale overheidsadministratie.
De registratie van een merk verliep volgens een geijkte procedure waarbij het lokale registratiekantoor en de rechtbank van koophandel (of de dienstdoende rechtbank van eerste aanleg) als aanspreekpunt fungeerden. (13) Wie een of meerdere merken wilde neerleggen, diende eerst langs te gaan bij het regionale registratiekantoor waar een taks (aanvankelijk vastgelegd op 10 frank per merk) diende te worden betaald. De ontvanger mocht het merk zelf niet beschrijven, maar leverde wel een betalingsbewijs dat de betrokken ondernemer (of diens gemachtigde) nodig had voor de daaropvolgende neerlegging van het merk bij de plaatselijke rechtbank. (14) Deze fase van de registratie ging gepaard met de nodige formaliteiten: de persoon die aangifte deed van het merk diende naast de kwitantie van de ontvanger een model in drievoud (8 cm. hoog en 10 cm. breed) en een metalen negatief (cf. infra) van het bewuste merk mee te brengen. Indien een mandataris het merk kwam neerleggen namens de betrokken ondernemer, dan diende deze te beschikken over een machtiging. (15) Het model van het merk werd vervolgens door de griffier aangebracht op een speciaal formulier voorzien van een volgnummer dat als proces-verbaal van neerlegging fungeerde. Dit document vermeldde de dag en het uur van de neerlegging, de naam van de geïnteresseerde ondernemer (en de eventuele mandataris), diens beroep, woonplaats en de industrietak waarbinnen het merk zou circuleren. Net onder het aangebrachte model volgde nog een summiere beschrijving van (de visuele kenmerken van) het merk. Het door de neerlegger en de griffier ondertekende proces-verbaal werd in drievoud opgesteld: de betrokken persoon kreeg een exemplaar overhandigd, een tweede werd bijgehouden en op het eind van elk jaar gebundeld door de rechtbank en een derde exemplaar moest uiterlijk binnen acht dagen verstuurd naar de centrale overheidsadministratie. (16)
De registratie door de centrale overheidsadministratie beoogde een overzicht te geven van de neerlegging van merken in heel België. Het ruime publiek en de ondernemers in het bijzonder hadden er alle belang bij om te weten welke merken al in omloop waren en dus niet meer mochten worden gebruikt op straffe van geldboetes of celstraffen. (17) De eigenaar van een geregistreerd merk beschikt immers over een aantal exclusieve rechten op het gebruik ervan, waaronder het recht om anderen te verbieden om een identiek of overeenstemmend teken te gebruiken voor dezelfde of gelijksoortige waren of diensten. De wetgever lanceerde daarom de uitgave van een "recueil spécial", een officiële gedrukte verzameling van alle merken, uiterlijk zes maand na de registratie van hun deponering door de centrale overheid. Het metalen negatief van het merk dat de betrokken ondernemer of diens gemachtigde aan de lokale rechtbank diende te bezorgen, was bestemd om de gedrukte versie van het merk door de centrale overheid te faciliteren. (18)
De toenmalige wetgever was zich reeds bewust van het feit dat merken en economische belangen niet stopten aan de landsgrenzen. De wet van 1 april 1879 bevatte dan ook een aantal bepalingen die deze internationale dimensie van de handel en het merkrecht onderschreven. Vooreerst maakte men geen onderscheid tussen de neerlegging van merken door Belgen of door vreemdelingen die op Belgisch grondgebied verbleven. (19) Hetzelfde gold voor Belgen wiens onderneming in het buitenland gevestigd was indien België met dit land een internationaal reciprociteitsverdrag inzake merkerkenning had afgesloten. Was dit het geval, dan kon het merk door de betrokkene of diens gemachtigde worden neergelegd bij de griffier van de rechtbank van koophandel te Brussel, waarna ook de centrale overheid het registreerde. (20) De internationale groei van de merkeconomie liet zich reeds enkele jaren na de uitvaardiging van de wet van 1879 voelen. Op 20 maart 1883 ondertekende België samen met meer dan 20 andere landen het Unieverdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom. Dit verdrag regelt ook heden nog een aantal belangrijke aspecten van industriële eigendom (o.m. voor handelsmerken en dienstenmerken), waaronder het "voorrangsrecht": wie in één van de landen van de unie een eerste aanvraag indient voor het verkrijgen van een merk, geniet gedurende zes maanden een recht van voorrang om in andere landen van de unie bescherming te vragen voor datzelfde merk. (21) Een dergelijk internationaal kader voor merkerkenning vereist ook een registratie op supranationaal niveau, die werd geregeld door de schikking van Madrid van 14 april 1891 betreffende de internationale inschrijving van merken. De onderdanen van alle landen die de schikking ondertekenden, (22) konden de fabrieks- en handelsmerken in hun land van oorsprong voortaan ook in de andere verdragslanden beschermen via een neerlegging bij het Internationaal Bureau voor de Bescherming van industriële eigendom te Bern. Dit gebeurt met medewerking van de centrale overheidsadministratie in elke land van oorsprong van een merk: deze dient te verklaren dat de aanduidingen op het registratieformulier voor het Internationaal Bureau (beschrijving van het merk, depotnummer, enz.) overeenstemmen met die van het nationale register. Na de inschrijving geldt de bescherming van het merk in elk van de verdragslanden, alsof het daar rechtstreeks zou zijn gedeponeerd. (23) Op zijn beurt geeft het Internationaal Bureau ook een officieel blad van de ingeschreven merken uit, waarvan elke nationale administratie kosteloos exemplaren kan ontvangen. Elke nationale overheidsadministratie vormt op die manier zelf een tussenschakel in een ruimer, internationaal registratiecircuit van merken.
Wat België betreft, diende de wetgever in 1879 tenslotte ook een overgangsregeling te bedenken voor de merken die al jaren voordien in omloop waren. Er werd beslist dat de neerlegging van merken verricht voor de uitvaardiging van de wet van 1 april 1879 zonder gevolg zou zijn indien deze niet werd hernieuwd voor 1 januari 1881. Wie een oud merk niet opnieuw voor deze datum had neergelegd, kon zijn rechten natuurlijk op een later tijdstip laten gelden door het te laten registreren volgens de nieuwe procedure. Het vrijwaren van die mogelijkheid lag geheel in de 19de-eeuwse opvatting over merkregistratie als zijnde een formele bekrachtiging van een basisrecht: "L'intéressé qui n'aura pas renouvelé le dépôt de sa marque dans le délai fixé ne sera pas déchu de son droit à tout jamais [...] il conservera toujours la faculté de l'effectuer". (24) Het was de sluitsteen van een wettelijk kader dat ruim een halve eeuw ongewijzigd zou blijven.

Tussen behoud en vernieuwing (1932-1968)

De Eerste Wereldoorlog en zijn nasleep hadden geen invloed op de merkregistratie. Het eenvoudige feit dat begin 1926 de registratietaks werd opgetrokken van 10 naar 50 frank (25) liet niet vermoeden dat de wetgever enkele jaren later een veel grondigere wijziging in de registratieprocedure zou doorvoeren. Deze hervorming lag vervat in de wet van 23 juli 1932 inzake de inkomstenbelastingen en de nijverheidseigendom en betrof de invoering van een tijdelijke, maar hernieuwbare beschermingstermijn van tien jaar volgend op de inschrijving van een fabrieks- of handelsmerk. Bij elke vernieuwing van een merk diende dan telkens wel een inschrijvingstaks van 50 frank te worden betaald. (26) De wetgever kwam echter snel terug op de beslissing om het exclusieve gebruiksrecht van een merk slechts voor bepaalde duur in te stellen: de bewuste passage in de wet van 23 juli 1932 werd afgeschaft bij koninklijk besluit van 30 juni 1933, (27) een opheffing die later nog eens zou worden bekrachtigd bij koninklijk besluit (nr. 85) van 17 november 1939. (28)
De consequente doorvoering van een geldigheidstermijn van tien jaar had een volledige breuk betekend met de 19de-eeuwse opvattingen inzake merkrecht. In plaats daarvan zou de wetgever in de loop van de jaren 1930 het pad van de geleidelijkheid bewandelen en een aantal kleinere, maar niettemin betekenisvolle wetswijzigingen invoeren. In eerste instantie werd de juridische waarde van de neerlegging van een merk steviger verankerd. Begin 1935 maakte de wetgever gewag van de "onveiligheid van de deponering" volgens de regels van de wet van 1879: elke persoon die kon bewijzen dat hij een merk het eerst had gebruikt, kon de registratie van dat merk door een andere ondernemer aanvechten en zelf een geldige neerlegging verrichten zonder de gedupeerde partij te moeten vergoeden. Om dergelijke onzekerheden uit de registratieprocedure te weren, werd bij koninklijk besluit van 29 januari 1935 besloten om het stelsel van de "toekennende deponering" uit de 19de eeuw te vervangen door de "verklarende deponering". Voortaan zou het recht van voorrang van de neerlegging toekomen aan diegene die voor het eerst een "kennelijk gebruik" van een merk had gemaakt in plaats van een eenvoudig (niet-publiek) gebruik. Deze "kennelijkheid" volgde "hetzij uit het feit dat het merk voor de deponering in belanghebbende kringen gekend was, hetzij uit de deponering zelf." (29) In dat laatste geval creëerde de eenvoudige formaliteit van de merkregistratie dus een grond van rechtszekerheid en was zij niet langer de formele bekrachtiging van "un droit préexistant" zoals de wet van 1879 had bepaald. Het (kennelijk) gebruik van een merk in het buitenland zou evenwel geen voorrang verlenen op eenzelfde Belgisch merk, tenzij het buitenlandse merk formeel was geregistreerd in een land waar het (op basis van een bi- of unilateraal akkoord) dezelfde juridische positie genoot. Was dit het geval, dan kon het Belgisch merk pas nietig worden verklaard binnen een termijn van drie jaar na de neerlegging in het buitenland. (30) Tenslotte voorzag het koninklijk besluit van 29 januari 1935 de mogelijkheid voor de titularis van een merk om ten allen tijde zelf een neerlegging te herroepen door de gedeeltelijke of volledige vernietiging van een merk aan te vragen. (31) Hiermee bracht de wetgever een nieuwe dynamiek in de registratieprocedure, daar waar het statuut van neergelegde merken voorheen enkel kon wijzigen bij een overdracht door een andere onderneming. De annulering van een merk bleef evenwel afhankelijk van de individuele ondernemer en gebeurde niet automatisch na een bepaalde tijd: in principe bleven merken die mettertijd niet meer in omloop waren en waarvan de annulering niet was aangevraagd nog voor onbepaalde duur geregistreerd. (32)
Nog in 1935 verscheen een tweede Koninklijke besluit in het kader van de zgn. collectieve merken. Deze worden niet door één welbepaalde fabrikant of handelaar neergelegd, maar fungeren als tekens die verschillende ondernemingen kunnen gebruiken ter onderscheiding van één of meer gemeenschappelijke kenmerken van hun waren of diensten. (33) Het koninklijk besluit gaf te kennen dat de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen reeds de aanzet had gegeven tot het neerleggen van collectieve merken, maar beoogde de wettelijke basis voor deze praktijk te verstevigen en uit te breiden. Voortaan konden niet alleen beroepsverenigingen van personen die eenzelfde beroep of ambacht uitoefenden een collectief merk neerleggen, maar ook beroepsverenigingen gevormd door personen behorend tot verschillende nijverheidsbedrijven of ambachten, samenwerkende vennootschappen, verenigingen zonder winstbejag, (groeperingen van) provincies en gemeenten en tenslotte instellingen van openbaar nut. (34) De neerlegging van een collectief merk kon enkel gebeuren voor de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel, tegen een taks van 500 frank, waarna een model werd doorgestuurd naar de centrale overheidsadministratie. Op het merk dienden de letters "M. C.-G." (Marque collective - Gemeenschappelijk Merk) duidelijk zichtbaar te zijn en naast het model diende elke vereniging of organisatie ook in zijn statuten of reglementen de voorwaarden van het gebruik van het collectief merk te bepalen. (35) Voorts voorzag de wetgever ook in de mogelijkheid tot schrapping van een collectief merk en in de neerlegging van collectieve merken door buitenlandse verenigingen. (36) Bestaande collectieve merken dienden tenslotte hun deponering te vernieuwen volgens de regels van het nieuwe koninklijk besluit binnen een termijn van 12 maand na de uitvaardiging ervan. Vreemd genoeg werd bij koninklijk besluit van 30 juni 1937 bepaald dat de nieuwe registratieprocedure voor collectieve merken (en daarmee ook de deadline van 12 maanden) pas van kracht werd vanaf 15 september 1937. (37) Deze halfslachtige uitvoeringsbepaling bracht de wetgever er uiteindelijk toe om de overgangstermijn van 12 maanden nietig te verklaren en geen sancties te voorzien voor de laattijdige registratie van bestaande collectieve merken. (38)
Ondanks de talrijke vernieuwingen die het merkrecht in de loop van de jaren 1930 onderging, bleef één element uit de 19de-eeuwse wetgeving vooralsnog overeind, met name de onbeperkte beschermingstermijn van een neergelegd merk en de sterke juridische band met zijn titularis, die als enige het merk kon herroepen. De bepaling in de wet van 23 juli 1932 die een tijdelijke beschermingstermijn vooropstelde, bleef minder dan een jaar in voege. In het verslag aan de koning bij het koninklijk besluit van 17 november 1939 werd de bal volledig in het midden gelaten: "De vraag of het stelsel van de periodieke vernieuwing van de deponering der merken het al dan niet wint van dit der bescherming voortvloeiende uit de slechts eenmaal verrichte deponering dient te gelegener tijd door het parlement opgelost". De toenmalige wetgever kon allicht niet vermoeden dat de knoop pas drie decennia later zou worden doorgehakt en dan meteen op internationaal niveau.

Merkregistratie in een ruimer verband (1969-heden)

De eerste decennia in de naoorlogse periode werden geen grote veranderingen doorgevoerd in het merkrecht. Het bestaand wettelijk kader kon economische vernieuwingen in verband met normalisatie (39) of internationale tentoonstellingen (40) gemakkelijk opvangen. Pas met de ondertekening van het Benelux-Verdrag inzake warenmerken van 19 maart 1962 stond een grondige hertekening van het juridisch-institutionele kader in het vooruitzicht. Het verdrag bevatte een eenvormige Beneluxwet op de warenmerken die elk van de drie lidstaten in zijn nationale wetgeving diende op te nemen. Ruim zeven jaar later, op 30 juni 1969, had België een wet houdende goedkeuring van het Benelux-Verdrag klaargestoomd. (41) Deze wettekst voorzag in de opheffing van vrijwel alle artikelen uit de merkenwet van april 1879 alsook de koninklijk uitvoeringsbesluiten van 29 januari 1935 en 17 november 1939 die de praktische regelgeving sinds het einde van het interbellum hadden bepaald. Binnen afzienbare tijd zou de registratie van merken in België, Nederland en Luxemburg worden gecentraliseerd in een Benelux-merkenbureau in Den Haag.
Artikel 1 van de eenvormige Beneluxwet, die nog steeds de basis vormt van het huidige juridisch kader, omschrijft merken als "benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakking en alle andere door grafische voorstelling vatbare tekens, die dienen om de waren van een onderneming te onderscheiden". Het uitsluitend recht op een merk wordt verkregen door het eerste depot ervan, hetzij binnen het Beneluxgebied, hetzij bij het Internationaal Bureau te Bern. (42) De nieuwe wet koppelt elk Benelux-depot aan een (hernieuwbare) geldigheidsduur van tien jaar, waarmee de onbeperkte inschrijvingstermijn die in de jaren 1930 nog aarzelend werd gehandhaafd definitief tot het verleden behoort. (43) Het uitsluitend recht op een merk kan tevens overgaan of het voorwerp van een licentie uitmaken voor een gedeelte of voor alle waren onder het depot. (44) Andere dynamische elementen in het merkrecht liggen vervat in het verval van een recht op een merk (na vrijwillige doorhaling, wegens het verstrijken van de geldigheidsduur of wegens onbruik (45)) en de nietigverklaring ervan. (46) Daarnaast gelden een aantal specifieke uitsluitingsgronden voor het recht op een merk, bijvoorbeeld wanneer een depot te kwader trouw werd verricht, een merk overeenstemt met een voor soortgelijke waren gedeponeerd individueel/collectief merk of wanneer een merk strijdig wordt geacht met de goede zeden. (47) Zowel de inschrijving, de afstand als de doorhaling van merken bij het Benelux-depot gelden voor het hele Benelux-gebied. (48)
Het Benelux-merkenbureau is sinds 1 januari 1971 belast met de uitvoering van een eenvormige merkenwet en de reglementering hieromtrent. Hoewel nationale depots van merken sindsdien niet meer ontvankelijk zijn, is er toch nog een rol weggelegd voor de nationale registratiediensten in elk Benelux-land. In het Belgisch Staatsblad van 3 oktober 1970 verscheen in extremis nog een koninklijk besluit dat aan de voormalige Dienst voor de Handels- en Nijverheidseigendom deze taak toevertrouwde. (49) In essentie vormt de nationale administratie een "landelijke" schakel in de inschrijving van Benelux-merkdepots (of de registratie van wijzigingen), een beetje zoals de rechtbanken van koophandel voordien op regionaal niveau de eerste inschrijving van een merk verzorgden. De inschrijving van een merk kan evenwel meteen gebeuren bij het Benelux-merkenbureau en is dus niet langer verplicht op nationaal niveau. De eenvormige Benelux-wet voorzag tenslotte in een aantal overgangsbepalingen, waaronder het behoud van uitsluitende (nationale) rechten op individuele of collectieve merken neergelegd voor haar inwerkingtreding. Deze rechten eindigden echter met terugwerkende kracht tot 1 januari 1971 indien binnen een termijn van één jaar geen (gratis) Benelux-depot van de desbetreffende merken werd verricht. (50)

Bevoegdheden en activiteiten

Krachtens de wet van 1 april 1879 was de centrale overheidsadministratie bevoegd voor de nationale registratie van alle gedeponeerde handels- of nijverheidsmerken in België. (51) De inschrijving gebeurde eerst op het niveau van de (dienstdoende) rechtbank van koophandel, waarna een door de neerlegger en de griffier ondertekend exemplaar van het proces-verbaal van neerlegging naar de administratie werd verstuurd. De schaalvoordelen van een nationaal overzicht van gedeponeerde merken leidden tot de uitgave van een "recueil spécial", een officiële gedrukte verzameling van alle merken gebaseerd op een metalen negatief van elk merk dat de betrokken ondernemer of diens gemachtigde aan de lokale rechtbank diende te bezorgen. De 19de-eeuwe wetgeving voorzag niet in een geldigheidsduur voor de neergelegde merken. Het gebruik van merken voor onbepaalde termijn werd voor het eerst schoorvoetend in vraag gesteld in de jaren 1930, maar pas vanaf 1971 zou een (hernieuwbare) geldigheidstermijn van 10 jaar voor neergelegde merken definitief in voege treden. Wel werd in 1935 het primaat van de registratie voor het geldig gebruik van merken benadrukt en de neerlegging van collectieve merken, d.i. merken toebehorend aan groeperingen van fabrikanten of handelaars, samenwerkende vennootschappen of vzw's, juridisch verankerd.
Al aan het eind van de 19de eeuw was men er zich van bewust dat de economische en industriële expansie ver buiten de landsgrenzen kleurde, wat aanleiding gaf tot het Unieverdrag van Parijs (1883) en de Schikking van Madrid (1891) om zowel het gebruik van merken voor buitenlandse goederen op Belgisch grondgebied als Belgische goederen geproduceerd of verhandeld in het buitenland te regelen. Fabrieks- en handelsmerken konden voortaan ook in de andere verdragslanden worden beschermd via een neerlegging bij het Internationaal Bureau voor de Bescherming van industriële eigendom te Bern. Ook hier speelt de nationale overheidsadministratie in elk land van oorsprong van een merk haar rol: deze dient te verklaren dat de aanduidingen op het registratieformulier voor het Internationaal Bureau (beschrijving van het merk, depotnummer, enz.) overeenstemmen met die van het nationale register.
De internationalisering van de merkregistratie zou uiteindelijk de Belgische registratieprocedure ten gronde wijzigen. Vanaf 1 januari 1971 verzorgt het Benelux Merkenbureau in Den Haag de centrale registratie van merken die exclusief mogen worden gebruikt op het grondgebied van de Benelux-landen. Dit bureau, onder leiding van een raad samengesteld uit vertegenwoordigers van de Benelux-landen, is belast met de uitvoering van een eenvormige wet en de reglementen: het verzorgt de inschrijving (en eventuele wijzigingen hierin) van individuele of collectieve Benelux-merkdepots, verstrekt afschriften aan belanghebbenden en coördineert de uitgave van een maandblad met vermelding van de depots. (52) De nationale diensten krijgen niettemin nog een rol in dit proces toebedeeld: het Benelux-depot van een individueel of collectief merk (en wijzigingen hierin) hoeft niet noodzakelijk rechtstreeks te gebeuren bij het Benelux-Merkenbureau maar kan ook bij de nationale administratie van elk Benelux-land, uiteraard met inachtneming van de vormvereisten. (53)

Organisatie

Tot 1884 was het toezicht op de merkregistratie een bevoegdheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, maken de jaarlijkse uitgaven van de "Almanach Royal" reeds vanaf 1847 melding van een eerste bureel onder de derde afdeling van het departement (Troisième Division - Industrie) dat in hoofdzaak belast was met uitvindingoctrooien, maar tevens met fabrieksmerken en -tekeningen. Het is evenwel onduidelijk wat het takenpakket van het bureel in verband met merken inhield (bij gebrek aan een duidelijk wettelijk kader) en in hoeverre dit aanleiding gaf tot de vorming van centrale archiefreeksen zoals dat vanaf eind 1879 het geval was. Wanneer de centrale merkregistratie van start ging eind 1879, viel de materie onder het Bestuur voor Landbouw en Nijverheid binnen het departement Binnenlandse Zaken, waarvan "Industrie" de derde afdeling vormde. (54)
In 1884 werden de bevoegdheden van het Bestuur voor Landbouw en Nijverheid rond industriële eigendom overgeheveld naar het bij koninklijk besluit van 16 juni van datzelfde jaar opgerichte Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Openbare Werken. De organisatorische omwenteling ging gepaard met de oprichting van een afdeling voor "Propriété industrielle", naast "Industrie" binnen het nieuwe ministerie. (55) Een decennium later werd het bevoegdheidspakket rond industriële ontwikkeling opnieuw overgeheveld naar een nieuw departement: het Ministerie voor Nijverheid en Arbeid, opgericht bij koninklijk besluit van 25 mei 1895. Alle aspecten met betrekking tot industriële eigendom (wetgeving, octrooien, merken en modellen) werden voortaan behandeld binnen de Tweede Afdeling van het Bestuur der Nijverheid van het kersverse ministerie. (56) Midden jaren 1920 was deze tak van het departement omgedoopt tot de Algemene Directie van het Nijverheidswezen, waarbinnen het tweede en derde bureel belast waren met Nijverheidseigendom. (57) In 1930 waren beide burelen samengesmolten tot een Ambt van het Nijverheidseigendom, een benaming die ongewijzigd bleef toen het departement over de jaren 1932-1934 bekend stond als het Ministerie van Arbeid en Nijverheid. (58)
Vanaf 1934 ressorteerde de bevoegdheid inzake industriële eigendom onder het departement Economische Zaken, (59) meer bepaald onder de afdeling "Dienst van de Nijverheidseigendom" binnen de dienst "Nijverheidswetgeving, Tentoonstellingen en Jaarbeurzen" van de Algemene Directie van het Nijverheidswezen. In de naoorlogse periode werd de Administratie van de Handel de "thuisbasis" voor de Dienst Handels- en Nijverheidseigendom". Deze bestond zelf uit drie diensten: een technische afdeling, een afdeling studiën en een administratieve afdeling waaronder "uitvindingsoctrooien en merken" vielen. (60) Zoals tevoren aangegeven, betekende de oprichting van het Benelux Merkenbureau in 1971 niet het einde van de nationale registratiediensten. De resterende bevoegdheden inzake merkregistratie behoorden vanaf 1982 tot het takenpakket van de "Algemene Inspectie van de Intellectuele eigendom en de concurrentie" onder de Administratie van de Handel. (61) Binnen de huidige FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie is de Dienst voor de Intellectuele Eigendom onder de Algemene Directie voor Economische Reglementering belast met het communiceren van gegevens over merkregistratie.
Over de interne organisatie en concrete werking van de dienst belast met de centrale merkenregistratie is bij gebrek aan archief weinig bekend. Vast staat, dat de registratie met weinig ambtenaren kon functioneren, gelet op het eenvoudige en repetitieve takenpakket. De Gids der Ministeries van 1959 vermeldt "3 sous-chefs de bureau" binnen de administratieve afdeling binnen de Dienst Handels- en Nijverheidseigendom. (62) Wellicht zal elk van deze ambtenaren (respectievelijk voor uitvindingsoctrooien, merken en nijverheidsmodellen) de leiding gehad hebben over enkele klerken die elk voor hun materie de dagelijkse administratieve formaliteiten volbrachten.

Archief

Geschiedenis

Een omzendbrief aan de provinciegouverneurs van 8 juli 1879 maakt melding van het voormalig "Musée de l'Industrie" te Brussel als centrale bewaarplaats van gedeponeerde merken in België. (63) Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat deze maatregel in de praktijk werd toegepast. De reeks processen-verbaal van neerleggingen van individuele en collectieve merken (en hun toegangen) werden wellicht steeds bewaard op de locatie waar de verantwoordelijke overheidsdienst was gevestigd. Van het begin van de 20ste eeuw tot 1965 huisde deze in een pand aan de Wetstraat nr. 19. De komende drie decennia, van 1966 tot 1995, fungeerde een gebouw in de De Motstraat nr. 24-26 als onderkomen voor de administratie. In 1996 verhuisden de diensten van Economische Zaken naar het North Gate III gebouw aan de Emile Jacqmainlaan 154 en vanaf het jaar 2000 werd het archief bewaard in een kelder van het North Gate II gebouw aan de Albert II-laan 16.

Verwerving

Het archief dat het voorwerp van onderhavige inventaris uitmaakt, belandde in twee fasen op het Algemeen Rijksarchief. De hoofdmoot van het bestand, met name de toegangen (registers en dossiers) en de processen-verbaal van neerlegging van individuele merken, werd op 21 juni 2017 overgedragen. Eind 2017 kwamen ook de processen-verbaal van neerlegging van de collectieve merken aan het licht: deze werden samen met een kleine strekkende meter dossiers inzake internationale depots van Belgische merken overgedragen op 3 januari 2018.

Inhoud

De bulk van het archiefbestand bestaat uit chronologisch geordende processen-verbaal van neerlegging van individuele en collectieve merken, al dan niet met bijlagen. Ook de toegangen op deze archiefreeksen zijn chronologisch geordend en bestaan uit registers en dossiers inzake jaarlijks neergelegde merken per gerechtelijk arrondissement. De processen-verbaal van neerlegging zijn in de meeste gevallen geïllustreerd, daar waar het gaat om het depot van een nieuw merk. In geval van een afstand/overdracht of schrapping/annulering van een merk bevat het proces-verbaal geen afbeelding en wordt enkel verwezen naar de oorspronkelijke neerlegging waarop de wijziging betrekking heeft. Elk proces-verbaal vermeldt de datum en plaats van de neerlegging (of wijzigingen hierin), de persoon (of de vertegenwoordiger van het bedrijf) die het depot/de wijziging verricht en de aard van de goederen of diensten waarvoor de merknaam wordt/werd aangevraagd.
Het seriële en picturale element van de merkdepots maken dat het bestand zowel kwalitatief als kwantitatief kan worden benaderd. Als iconografische documenten vormen de merkdepots een uitgelezen bron om de mentaliteitsgeschiedenis en de geschiedenis van de reclame rond producten en waren te analyseren. De afbeeldingen vertonen immers tal van evoluties: de vele nadrukkelijke referenties (al dan niet in Art Nouveau stijl) naar roemrijke figuren uit het eigen verleden of naar koloniale en oosterse landen uit de late negentiende eeuw maken tijdens het interbellum plaats voor merken die stijlelementen van Art Déco overnemen, terwijl invloeden uit de (Angelsaksische) populaire cultuur en stilistische vereenvoudigingen van merken tot lettertekens zich meer laten gelden in de naoorlogse periode. Interessant is ook dat de merkdepots tijdens de beide wereldoorlogen doorlopen, zij het minder talrijk: wat was de impact van dergelijke gebeurtenissen op de lancering van merknamen? Daarnaast kan men de processen-verbaal van neerlegging ook kwantitatief analyseren. Hoeveel merken werden er over een bepaalde periode en in specifieke regio's neergelegd? Over welke waren of goederen ging het dan? Als graadmeter voor de commerciële en industriële activiteit binnen een regio of stad vormen de merkdepots ook een interessante bron voor stadsgeschiedenis: hoe verliep de stedelijke inplanting van bedrijven en welke evoluties zijn mettertijd merkbaar?

Taal en schrift van de documenten:
De stukken zijn opgesteld in het Frans en in het Nederlands. De statuten van ondernemingen die soms opduiken als bijlagen bij de neerlegging of overdrachten van merken (inzonderheid bij collectieve merken) zijn soms opgesteld in andere talen (waaronder Duits of Engels), maar steeds vergezeld van een vertaling in het Frans of Nederlands. De teksten zijn doorgaans in goed leesbaar handschrift geschreven of getypt en vereisen dus geen bijzondere kennis van de paleografie.

Selecties en vernietigingen

Er werd geen selectie doorgevoerd in de processen-verbaal van neerlegging van merken, uiteraard omwille van de historische waarde van de stukken en de schaalvoordelen die een quasi-volledige reeks op nationaal niveau inhoudt. Enkel in de kleine dossierreeks inzake de internationale deponering van Belgische merken werd geselecteerd: van de aanvankelijk zes archiefdozen met stukken uit de periode 1945-1950 werd slechts één doos als specimen bewaard. Het betreft immers merken die eerst in België waren geregistreerd en dus zowel in de hoofdreeks als in de gedrukte uitgaven van internationale merken terug te vinden zijn.
Sporadisch werden wel kleine lacunes aangetroffen in de reeks processen-verbaal van individuele merken. Zo ontbreken de stukken voor de maand december 1880, alsook voor de jaren 1881 en 1889 grotendeels. Wat het interbellum betreft, schuilen er hiaten in de processen-verbaal die eind juli 1933, in augustus 1935 en in oktober 1935 werden gedeponeerd. Ook de originele stukken daterend van mei 1952 en de tweede helft van april 1954 zijn niet terug te vinden in de reeks. In dat geval kan de geïnteresseerde onderzoeker evenwel terecht bij de "Recueil spécial", de gepubliceerde versie van de neergelegde merken.

Toekomstige aangroei/aanvullingen

Tot op heden kunnen nog steeds merken worden gedeponeerd bij de Dienst voor de Intellectuele Eigendom onder DG Economische Reglementering van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. Dit aandeel van de Belgische federale administratie in de registratieprocedure van het Benelux-depot geeft in principe nog aanleiding tot een wellicht beperkte archiefvorming, vermits de registratieprocedure online mogelijk is en papieren exemplaren ook rechtsreeks naar het Benelux Bureau voor Intellectuele Eigendom kunnen worden verzonden. (64) Bovendien is de archiefreeks op federaal niveau niet langer historisch waardevol aangezien zij slechts een deel van de registratieprocedure en reeksvorming dekt.

Ordening

De ordening van de archiefstukken verliep volgens een geijkt patroon: eerst komen de toegangen (registers en dossierreeks), vervolgens de twee reeksen processen-verbaal, respectievelijk met betrekking tot individuele en collectieve merken. Tenslotte volgt het specimen van dossiers inzake deponering van Belgische merken bij het internationaal bureau voor intellectuele eigendom te Bern.

Voorwaarden voor de raadpleging

De archiefstukken beschreven in onderhavige inventaris zijn vrij raadpleegbaar.

Voorwaarden voor de reproductie

Voor de reproductie van archiefstukken gelden de voorwaarden en tarieven van toepassing in het Algemeen Rijksarchief.

Toegangen

Er bestaan drie verschillende toegangen op de reeks processen-verbaal van merkneerleggingen. In eerste instantie registreerde de centrale overheidsadministratie alle gedeponeerde merken in een chronologische reeks registers, met achteraan elk volume een alfabetische klapper. Dit zoekinstrument moest de administratie toelaten om zelf gericht opzoekingen te verrichten, al dan niet op vraag van derden. Zeker vanaf begin 20ste eeuw werden de naams- of adreswijzigingen van de merkeigenaar, alsook eventuele overdrachten en (gedeeltelijke of volledige) annuleringen van een merk neergeschreven. Als dusdanig vormen de registers een uitgelezen "diachronische" toegang voor de onderzoeker die evolutie van een merkdepot tot in de details wil nagaan.
Daarnaast bevat het bestand voor de jaren 1895-1968 een nagenoeg volledige dossierreeks inzake neergelegde merken per gerechtelijk arrondissement. De vorming van deze dossiers is eveneens te wijten aan een wettelijke verplichting vastgelegd in het uitvoeringsbesluit bij de merkenwet van 1 april 1879: aan het begin van elk jaar diende de griffier in elke rechtbank immers een overzicht op te stellen van alle merken die het jaar voordien werden neergelegd. (65) In tegenstelling tot de voornoemde registers lenen de dossiers zich voor een heemkundig of geografisch afgebakend onderzoek naar de geschiedenis van merkdepots binnen een stad of regio.
Tenslotte kan de onderzoeker ook de "recueil spécial" of gedrukte verzameling van alle merken raadplegen. Ieder volume van deze officiële uitgave bevat achteraan een alfabetisch-thematisch overzicht met een aanduiding van merkdepots per rubriek (voeding, transport, textiel, enz.) en een verwijzing naar de internationale verdragen rond merkrecht. De bibliotheek van het Algemeen Rijksarchief bewaart enkel voor de jaren 1879-1897 (onder code A4P 237), maar een volledige collectie is terug te vinden in haar zusterinstelling, de Koninklijke Bibliotheek van België (onder code 713R).

Aanwijzingen voor het gebruik

Een onderzoeker die de chronologische merkregisters (inventarisnummers 1-36) raadpleegt, zal een beroep moeten doen op de alfabetische klapper achteraan elk register. Deze bevat naast de naam van de persoon of de onderneming die het merk neerlegt een verwijzing naar het paginanummer in het bewuste register, waar de volledige referentie (met datum van het depot) terug te vinden is. Aan de hand van deze gegevens kan de onderzoeker dan het proces-verbaal van de neerlegging opvragen. Vanaf 1937 bevatten de registers op het eind van elk jaar ook een pagina met verwijzingen naar de neergelegde collectieve merken. Zoekt men een merk gedeponeerd door een Naamloze Vennootschap ("Société anonyme") of een onderneming waarvan de naam begint met "Société", dan staat de verwijzing in de klapper doorgaans onder de letter 'S'. Bij de raadpleging van de registers of de processen-verbaal houdt de onderzoeker best voor ogen dat een eenzelfde bedrijf vaak meerdere merken op eenzelfde datum of binnen een kort tijdsbestek deponeert: doorgaans gaat het dan om lichtjes gewijzigde merknamen of logo's voor gelijkaardige producten van de onderneming in kwestie. De notities in de registers bevatten dikwijls metadata die verwijzen naar een vernieuwing/overdracht van een merk ("cédé"), een naams- of adreswijziging van een onderneming ("changement de nom / d'adresse"), de gedeeltelijke of volledige schrapping van een merk ("annulation partielle / complète)" en tenslotte de afkorting "Ren.t" of "Renouvellement" die enkel opduikt tijdens de jaren 1932-1933, toen gedurende korte tijd een tienjaarregel voor merken werd geïntroduceerd. Tenslotte duiken in de registers daterend van voor de Eerste Wereldoorlog een aantal archetypische afkortingen voor maanden op: "7bre" (september), "8bre" (oktober), "9bre" (november) en "10bre" (december).
De reeks dossiers inzake jaarlijkse neerleggingen per gerechtelijk arrondissement bevat naast de registratiedatum van elk neergelegd merk enkel het lokale registratienummer van elk depot. Hoewel de datum van neerlegging het centrale identificatie-element is, kan men de (doorlopende) nummering op arrondissementeel niveau als een statistisch gegeven beschouwen om na te gaan hoeveel merken er jaarlijks binnen een regio werden neergelegd.
Bij de inventarisatie werd er ook voor geopteerd om de nummering van de merken door de centrale overheidsadministratie te vermelden in de beschrijvingen. Aan de hand van dit bijkomende beschrijvingselement kan de onderzoeker gemakkelijk nagaan hoeveel merkdepots er per jaar of gedurende een specifieke periode in heel België werden neergelegd.
De nummering op centraal niveau onderging mettertijd wel een aantal wijzigingen: aanvankelijk opteerde de archiefvormer voor een enkele doorlopende nummering, die omstreeks 1902 blijkbaar te ingewikkeld werd. Van 1902 tot 1925 werd de centrale nummering daarom meermaals heropgestart, tot in 1926 besloten werd om de centrale nummering jaarlijks te hervatten. Soms kreeg de centrale overheidsinstantie processen-verbaal van neergelegde merken pas enkele weken na hun registratie op lokaal niveau doorgestuurd (in tegenstelling tot de wettelijk voorziene verzendtermijn van acht dagen) en slopen er ook fouten in de chronologische bundeling van de merken, zoals aangegeven in de opmerkingen bij de beschrijvingen. Hoewel de jaarlijkse merknummering op centraal niveau een soort kwantitatief-statistisch overzicht van de economische bedrijvigheid vormt, zijn de cijfers potentieel misleidend voor de jaren 1880, 1932-1933 en 1970. De opmerkelijke stijging van het aantal neergelegde merken tijdens deze drie jaren is te wijten aan wettelijke wijzigingen in de neerleggings- en registratieprocedure van merken. (66)

Bestaan en bewaarplaats van originelen

Volgens de wettelijke bepalingen diende een proces-verbaal van een neergelegd merk in drievoud te worden opgesteld: een exemplaar werd bezorgd aan de (vertegenwoordiger van) de persoon of onderneming die het merk deponeerde, een tweede exemplaar werd bewaard door de griffie van de rechtbank van koophandel (of dienstdoende rechtbank van eerste aanleg) en tenslotte moest een exemplaar naar de centrale overheidsadministratie worden verstuurd. In principe zouden de processen-verbaal van de neergelegde merken in deze inventaris dus ook in de archieven van de rechtbanken (van koophandel of eerste aanleg) in de verschillende depots van het Rijksarchief in de Provinciën moeten berusten, al is het verre van zeker of deze reeksen volledig bewaard zijn. Bovendien zullen dergelijke stukken verspreid zijn over verschillende reeksen en archiefbestanden, waardoor zij de "schaalvoordelen" van de centrale reeks processen-verbaal missen. In theorie zou er ook een derde exemplaar kunnen bewaard zijn in de privéarchieven van de (voormalige) ondernemingen die het merk neerlegden, al is dit zeer onwaarschijnlijk bij gebrek aan een wettelijke bewaarplicht voor deze categorie van archiefvormers.

Bestaan en bewaarplaats van kopieën

Na de inventarisatie en net voor de etikettering werden de registers die het voorwerp uitmaken van de eerste 36 inventarisnummers gedigitaliseerd. Het gebruik van de digitale beelden door onderzoekers moet de goede bewaring van de oude toegang garanderen, vermits gevreesd werd dat de raadpleging van de originelen mettertijd ten koste zou gaan van hun materiële staat.

Documenten met een verwante inhoud

Al in de Franse periode werd bepaald dat de deponering van merken gebeurde bij de "Conseils des Prud'hommes", de zgn. werkrechtersraden (de voorlopers van de arbeidsrechtbanken tot 1970). Artikel 4 van het Keizerlijk Decreet van 11 juni 1809 "contenant règlement sur les conseils de prud'hommes" belastte de werkrechtsraden met de bewaring het toezicht op de verschillende eigendomsmerken aangebracht op fabriekswaren. Bijgevolg kunnen in archieven van werkrechtsraden daterend uit de periode voor 1879 stukken betreffende gedeponeerde merken opduiken.
Elke geïnteresseerde onderzoeker dient voor ogen te houden dat merkedepots deel uitmaken van het klassieke trias van intellectuele eigendomsgoederen. Naast merken genieten ook uitvindersoctrooien en nijverheidsmodellen juridische bescherming. Het Algemeen Rijksarchief 2 (Depot Cuvelier) bewaart een volledige reeks uitvindingsbrevetten daterend van de laat-Hollandse periode tot de jaren 1970. Aangezien nijverheidsmodellen tot voor 1970 werden neergelegd bij de werkrechtsraden, dienen onderzoekers zich te richten tot de depots van het Rijksarchief in de Provinciën. Het Algemeen Rijksarchief bewaart wel een centrale reeks registers en overzichtsdossiers inzake gedeponeerde nijverheidsmodellen voor de jaren 1884-1975 [Blok 2563].

Bibliografie

BRIAVOINNE N., De l'industrie en Belgique : cause de décadence et de prospérité, sa situation actuelle, Brussel, 1839.
DE RO G., Commentaire de la loi du 1er avril 1879 sur les marques de fabrique de commerce,Brussel, 1879.
DOUNY J., Loi du 1er avril 1879 sur les marques de fabrique et de commerce, Verviers, 1879.
Lois et règlements concernant les brevets d'invention, les marques de fabrique ou de commerce, les dessins et modèles industriels : Conventions internationales pour la protection de la propriété industrielle
, Brussel, 1912.
TERRIZZI R., Les ministères de l'Emploi et du Travail et de la Prévoyance sociale (1895-1990). I. Étude structurelle de l'administration centrale et répertoire des organes y attachés (Algemeen Rijksarchief. Miscellanea Archivistica. Studia 28), Brussel, 1993.
GUINAND M. en ANNAERT P., Le Ministère des Affaires Economiques (1934-1992). I. Etude de l'organisation et répertoire des commissions et parastataux (Algemeen Rijksarchief. Miscellanea Archivistica. Studia, 62), Brussel, 1994.

Beschrijvingsbeheer

De auteur van deze inventaris is Filip Strubbe, archivaris bij het Algemeen Rijksarchief. De archiefstukken in dit bestand werden een eerste maal beschreven op 10, 17, 24 en 31 mei 2017, tijdens een verpakkingsoperatie binnen de FOD Economie. Een gedetailleerdere beschrijving werden voltooid tijdens augustus en september 2017. Begin januari 2018 werden de processen-verbaal van neerlegging van collectieve merken overgebracht en meteen toegevoegd achteraan de inventaris (nummers 991-1002). De digitalisatie van de merkregisters gebeurde door de firma Acmis NV in maart 2018: vermits de inventaris aanvangt met deze archiefbescheiden, lag hun definitieve nummering al vast. De definitieve nummering, etiketteringen en finale verpakking van de overige inventarisbeschrijvingen werd in mei-juni 2018 verricht door Marie-Louise Niyigena, medewerkster van afdeling 5 (Hedendaagse Archieven) van het Algemeen Rijksarchief. Eind augustus 2018 kon de eindversie van de inventaris ter goedkeuring worden voorgelegd.
Télécharger l'inventaire publié- Download de gepubliceerde inventaris

Bijlagen

Bijlagen


 1Nummers 1-3040, 1 oktober 1879 - 1 december 1884.1 deel
 2Nummers 3041-6030, 11 december 1884 - 2 mei 1891.1 deel
 3Nummers 6031-9160, 2 mei 1891 - 2 juin 1896.1 deel
 4Nummers 9161-13706, 2 juni 1896 - 30 december 1902.1 deel
 5Nummers 1-2849, 2 januari 1903 - 31 mei 1905.1 deel
 6Nummers 1-6538, 1 juni 1905 - 31 maart 1908.1 deel
 71 april 1908 - 30 september 1911.1 deel
 ---1 oktober 1911 - 31 december 1912.
 81 oktober 1911 - 31 december 1912, 1 januari 1921 - 31 december 1921.1 deel
 91 januari 1913 - 31 december 1920.1 deel
 102 januari 1922 - 3 november 1923.1 deel
 113 november 1923 - 1 september 1925.1 deel
 121 september 1925 - 10 juli 1927.1 deel
 1311 juli 1927 - 6 april 1929.1 deel
 146 april 1929 - 7 april 1931.1 deel
 158 april 1931 - 28 januari 1933.1 deel
 1628 januari 1933 - 31 januari 1934.1 deel
 171 februari 1934 - 28 november 1936.1 deel
 1829 november 1936 - 31 december 1939.1 deel
 191 januari 1940 - 28 februari 1945.1 deel
 201 maart 1945 - 31 oktober 1946.1 deel
 212 november 1946 - 15 juli 1948.1 deel
 2216 juli 1948 - 8 maart 1950.1 deel
 239 maart 1950 - 31 januari 1952.1 deel
 241 februari 1952 - 25 november 1953.1 deel
 2525 november 1953 - 30 juli 1955.1 deel
 261 augustus 1955 - 21 mei 1957.1 deel
 2721 mei 1957 - 17 januari 1959.1 deel
 2819 januari 1959 - 13 juli 1960.1 deel
 2914 juli 1960 - 25 januari 1962.1 deel
 3026 januari 1962 - 25 juni 1963.1 deel
 3126 juni 1963 - 30 januari 1965.1 deel
 321 februari 1965 - 29 juli 1966.1 deel
 331 augustus 1966 - 31 december 1967.1 deel
 342 januari 1968 - 29 mei 1969.1 deel
 3529 mei 1969 - 20 augustus 1970.1 deel
 3621 augustus 1970 - 31 december 1970.1 deel
 371895.1 omslag
 381896.1 omslag
 -1897.1 omslag
 391898.1 omslag
 401899.1 omslag
 411900.1 omslag
 421901.1 omslag
 431902.1 omslag
 441903.1 omslag
 451904.1 omslag
 461905.1 omslag
 471906.1 omslag
 481907.1 omslag
 491908.1 omslag
 501909.1 omslag
 511910.1 omslag
 521911.1 omslag
 531912.1 omslag
 541913.1 omslag
 551914.1 omslag
 561915.1 omslag
 571916.1 omslag
 581917.1 omslag
 591918.1 omslag
 601919.1 omslag
 611920.1 omslag
 621921.1 omslag
 631922.1 omslag
 641923.1 omslag
 651924.1 omslag
 661925.1 omslag
 671926.1 omslag
 681927.1 omslag
 691928.1 omslag
 701929.1 omslag
 711930.1 omslag
 721931.1 omslag
 731932.1 omslag
 741933.1 omslag
 751934.1 omslag
 761935.1 omslag
 771936.1 omslag
 781937.1 omslag
 791938.1 omslag
 801939.1 omslag
 811940.1 omslag
 821941.1 omslag
 831942.1 omslag
 841943.1 omslag
 851944.1 omslag
 861945.1 omslag
 871946.1 omslag
 881947.1 omslag
 891948.1 omslag
 901949.1 omslag
 911950.1 omslag
 921951.1 omslag
 931952.1 omslag
 941953.1 omslag
 951954.1 omslag
 961955.1 omslag
 971956.1 omslag
 981957.1 omslag
 991958.1 omslag
 1001959.1 omslag
 1011960.1 omslag
 1021961.1 omslag
 1031962.1 omslag
 1041963.1 omslag
 1051964.1 omslag
 1061965.1 omslag
 1071966.1 omslag
 1081967.1 omslag
 1091968.1 omslag