Inventaris van het archief van de Regie der Gebouwen (en rechtsvoorgangers). Plannen van het Brusselse Justitiepaleis.

Archive

Name: Ministerie van Openbare Werken. Bestuur der Gebouwen. Kaarten en Plattegronden van het Justitiepaleis, 1862-1950

Period: 1862-1950

Inventoried scope: 5 linear meters

Archive repository: National Archives of Belgium

Heading : Transport, Public Works and Infrastructure

Inventory

Authors: E. Van Besien — J. Snaet

Year of publication: 2013

Code of the inventory: I 550

...

Archiefvormer

Naam

Regie der Gebouwen (1971-heden) - Régie des Bâtiments (1971-présent).

Rechtsvoorgangers - prédécesseurs en droit:
Ministerie van Openbare Werken. Bestuur der Gebouwen - Ministère des Travaux publics. Administration des Bâtiments (1946-1970).
Ministerie van Openbare Werken. Bestuur van Bruggen en Wegen. Bijzondere Dienst der Burgerlijke Gebouwen van Brabant - Ministère des Travaux publics. Administration des Ponts et Chaussées. Service spécial des Bâtiments civils du Brabant (1884-1945).
Ministerie van Justitie. Speciale dienst voor de bouw van het nieuwe justitiepaleis te Brussel - Ministère de la Justice. Service spécial pour la construction du nouveau palais de justice de Bruxelles (1862-1883).

Geschiedenis

Tijdens de periode van de Verenigde Nederlanden was de rechtbank van Brussel ondergebracht geweest in het voormalig college van de jezuïeten. Ondanks de nodige aanpassingswerken bleek dit gebouw niet te voldoen aan de nieuwe functie. Bovendien bevond het zich in een bouwvallige staat. Omstreeks 1857 nam toenmalig Minister van Justitie, Victor Tesch, het initiatief om een nieuw justitiepaleis op te richten. In 1859 werd beslist het nieuwe gebouw op te richten op de heuvel die zich bevond boven het voormalige miniemenklooster, waar zich tevens een groot domein van de prinsen van Merode alsook een kleine woonwijk bevond. In 1860 werd een ontwerpwedstrijd georganiseerd, waarbij echter geen winnaar uit de bus viel. In juli 1861 werd Joseph Poelaert door Tesch aangesteld als architect, hoewel hij in de wedstrijdjury had gezeteld.
Op 19 mei 1862 werd het ontwerp van Poelaert goedgekeurd. (1) Het project werd geraamd op 9.723.418 fr. maar Tesch eiste dat het project goedkoper zou worden gemaakt. Poelaert diende vervolgens op 4 februari 1863 een nieuw project in zonder koepel en met een licht gewijzigde binneninrichting. Dit nieuwe project - waarvan geen plannen bewaard zijn gebleven - werd geraamd op 8.600.000 fr. en goedgekeurd. Op 31 oktober 1866 werd de eerste steen van het nieuwe justitiepaleis van Brussel gelegd in aanwezigheid van de nieuwe Minister van Justitie, Jules Bara.
De bouw van het justitiepaleis werd gefinancierd door de Belgische Staat, de stad Brussel en de Provincie Brabant. Aanvankelijk zouden de stad Brussel en de Provincie Brabant elk 1/6 deel van de kosten op zich nemen, terwijl de Belgische Staat moest instaan voor de overige uitgaven. Tijdens de bouw werd het paleis groter en rijkelijker uitgewerkt met ornamenteel beeldhouwwerk dan oorspronkelijk voorzien. Hoewel er bij aanvang voorbehoud was tegen de bouw van een koepel, kreeg het monument uiteindelijk een koepelconstructie van enorme afmetingen. Dit alles resulteerde in een finale kostprijs van meer dan dan 45.000.000 fr. die het veelvoud bedroeg van de oorspronkelijke raming. Nog tijdens de bouw vond een juridisch geschil plaats tussen de Belgische staat en de stad Brussel nadat laatstgenoemde op een gegeven ogenblik geweigerd had zijn aandeel nog verder te betalen.
Het justitiepaleis werd op 15 oktober 1883 officieel ingewijd in bijzijn van Bara, die toen een tweede ambtstermijn als Minister van Justitie bekleedde, en koning Leopold II. Poelaert was reeds enkele jaren voordien, op 3 november 1879, overleden.
In de loop van de 20ste eeuw vonden in het interieur van het enorme bouwwerk talloze aanpassings- en moderniseringswerken plaats. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bouwwerk ernstig beschadigd toen Duitse militairen in september 1944 een brand ontstaken in de koepelbekroning. Kort daarna liep het bijkomende schade op door een V2 die vlakbij het paleis insloeg. De koepel werd opnieuw geconstrueerd tussen 1947 en 1949 onder leiding van Albert Storrer, de toenmalige conservator van het paleis. Tijdens de ingrijpende herstelcampagne die hierop volgde werden ongeveer 150 lokalen vernieuwd en de salle des pas-perdus ingrijpend gerestaureerd. Tot op heden vinden werkzaamheden plaats in het justitiepaleis, dat vaak als een erg problematisch bouwwerk wordt ervaren wat de beveiliging betreft.

Bevoegdheden en activiteiten

Ministerie van Justitie, Service spécial
Het beheer, bouw en onderhoud van rijksgebouwen was in principe weggelegd voor het Bestuur van Bruggen en Wegen onder Openbare Werken. Voor de bouw van het justitiepaleis werd echter een tijdelijke "Service spécial de la Construction du nouveau palais de justice de Bruxelles" opgericht bij het Ministerie van Justitie. Deze speciale dienst was belast met de uitwerking van de architecturale plannen die Joseph Poelaert ontwierp. François Wellens, toenmalig inspecteur-generaal van Bruggen en Wegen, werd aangesteld als hoofd van de speciale dienst: "[...] Le gouvernement a jugé opportun de faire de la composition architecturale du palais et de sa construction deux services distincts. M. Poelaert s'est naturellement réservé le travail purement artistique; quant à la confection des plans ou épures, à l'étude des moyens d'exécution et à la direction générale des travaux, elles ont fait l'objet d'un service unique qui, sur la demande du département de la justice, nous a été confié". (2)
Hoe de verhouding tussen de service spécial en Poelaert concreet verliep, blijkt onrechtstreeks uit de overgeleverde bronnen. Poelaert had een zeer sterke artistieke vrijheid gekregen, die vermoedelijk was vastgelegd in zijn aanstellingscontract (dat voor zover bekend niet bewaard is gebleven). Zijn inbreng had voornamelijk betrekking op het aanleveren van de algemene plannen alsook van detailplannen. De service spécial stond in voor het omzetten van deze plannen naar uitvoeringstekeningen, de opmaak van de bestekken en meetstaten, de aanbestedingen en de werfcontrole. Voorzeker vanaf omstreeks 1877 nam de service spécial de taak volledig op zich om bepaalde onderdelen van het gebouw, waaronder de overkapping van de portiek van het peristylium alsook de uitwerking van de koepel, technisch uit te werken waarbij de ontwerpen van Poelaert feitelijk "gecorrigeerd" werden. Na de dood van Poelaert nam de dienst waarschijnlijk ook de artistieke uitwerking van het gebouw op zich. Aanzienlijke delen van de interieurafwerking en vermoedelijk ook het bovenste deel van de koepelconstructie werden ontworpen door leden van de service spécial.

Ministerie van Openbare Werken
In 1884 werd het beheer van het justitiepaleis overgedragen aan de Bijzondere Dienst der Burgerlijke Gebouwen van Brabant, die in 1870 onder het Ministerie van Openbare Werken was opgericht om in het onderhoud van de rijksgebouwen te voorzien. (3) Samen met de rijksnormaalscholen vormde het justitiepaleis van Brussel dus een uitzondering op de regel dat de gerechtsgebouwen en schoolgebouwen respectievelijk door het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Onderwijs werden beheerd. Adolph Engels (cf. infra) werd aangesteld als eerste conservator van het paleis.
De tweedeling tussen de Bijzondere Dienst der Burgerlijke Gebouwen van Brabant en de centrale dienst voor burgerlijke gebouwen binnen het Bestuur van Bruggen en Wegen bleef bestaan tot 1946. In dat jaar werd een afzonderlijk Bestuur der Gebouwen onder het Ministerie van Openbare Werken ondergebracht. Het gebrek aan financiële middelen en het personeelstekort waarmee het Bestuur der Gebouwen kampte, leidde op 1 april 1971 tot de oprichting van de Regie der Gebouwen, die als instelling van openbaar nut (categorie A) over een grotere autonomie beschikte en soepeler kon optreden.

Organisatie

Ministerie van Justitie, Service spécial
De service spécial die binnen het Ministerie van Justitie werd opgericht om de uitwerking van de bouwplannen van het justitiepaleis te verzorgen, valt moeilijk onder te brengen in het officiële organogram van het voormalige departement. Een oprichtingsbesluit werd niet teruggevonden. Wel kan met grote waarschijnlijkheid worden gesteld dat de speciale dienst in de algemene diensten van het voormalige Ministerie was ingebed, meer bepaald bij de algemene comptabiliteit van het departement. Tot 1871 kende het departement Justitie nog een aparte afdeling van de comptabiliteit en de pensioenen, maar vanaf 1872 werd een dienst "algemene comptabiliteit" ondergebracht bij het algemeen secretariaat. (4) In 1880 ging deze sectie echter opnieuw deel uitmaken van een ruimer geheel, met name het Bestuur der Algemene Comptabiliteit, Wedden en Pensioenen, Gerechtskosten. (5) Aangezien de Algemene Comptabiliteit ondermeer was belast met de bouw, de onderhouds- en verbeteringswerken van de justitiehuizen, ligt het voor de hand dat de service spécial via deze dienst met het departement Justitie was verbonden. (6)
De hoofdingenieur van de Service spécial was François Wellens, die bij de aanvang van de werken ook de functie van inspecteur général ad interim bij het Ministerie van Openbare Werken uitoefende. Tussen 13 februari 1865 en 12 april 1897 was hij tevens president van de Commission royale des Monuments. De nieuwe service spécial was samengesteld uit ingenieurs en architecten en telde vermoedelijk een aanzienlijk tekenbureau alsook een studiebureau. De belangrijkste medewerkers binnen deze nieuw opgerichte dienst waren A. Marcq, ingénieur, D. Carpentier, architecte principal des bâtiments civils, Adolph Engels, architecte-conducteur des travaux en Joseph Joachim Benoît, architecte, chargé de la direction du bureau des études. Van Marcq en Carpentier weten we met zekerheid dat ze gerekruteerd werden uit het Ministerie van Openbare Werken.

Ministerie van Openbare Werken
Na de voltooiing van het justitiepaleis werd de Bijzondere Dienst der Burgerlijke Gebouwen van Brabant verantwoordelijk voor het onderhoud van het gebouw. Deze dienst was bij koninklijk besluit van 9 april 1870 bij het hoofdbestuur van Bruggen en Wegen opgericht om diens Brabantse buitendienst te vervangen. Voorheen was het onderhoud van de Brusselse en Brabantse staatsgebouwen immers een zorgenkind gebleken: de vele bevoegdheden van het Bestuur van Bruggen en Wegen had geleid tot de verwaarlozing van het onderhoud van de rijksinstellingen binnen deze regio. Het ministerieel Besluit van 28 juni 1884 had intussen alle burgerlijke rijksgebouwen opgelijst die door de dienst werden beheerd. (7)
Na de Tweede Wereldoorlog zag een gespecialiseerde gebouwenadministratie het licht. Vanaf 1946 werd er een Bestuur der Gebouwen opgericht dat voortaan verantwoordelijk was voor het beheer van alle rijksgebouwen in België. Aangezien het Bestuur der Gebouwen op gelijke hoogte stond met het Bestuur der Bruggen en Wegen, was het gebouwenbeheer hiermee voor het eerst losgekoppeld van het beheer van de wegen. Voor elke provincie beschikte de nieuwe administratie over een gespecialiseerde buitendienst. (8) De Bijzondere Dienst der Burgerlijke Gebouwen van Brabant werd afgeschaft en opgevolgd door de Directie der Gebouwen van Brussel.
De oprichting van de Regie der Gebouwen in 1971 bracht belangrijke organisatorische veranderingen met zich mee. Het koninklijk besluit van 30 augustus 1972 reorganiseerde de diensten van het Bestuur der Gebouwen en paste hun ambtsgebieden aan. (9) Vanaf 1983 was het Bestuur der Gebouwen enkel nog verantwoordelijk voor het beheer en het onderhoud van de gebouwen in het Brussels Gewest, een bevoegdheid die met de uitvoering van de programmawet van 22 december 1989 op 1 januari 1990 definitief werd opgeheven. (10)

Archief

Geschiedenis

Voor zover bekend bleef het archief tot in 2010 steeds bewaard in situ op het justitiepaleis. De plannen zijn via de voormalige Service spécial wellicht doorgegeven aan de Bijzondere Dienst der Burgerlijke Gebouwen van Brabant en later aan de Regie der Gebouwen.

Verwerving

Begin 2010 werden de 800 plannen vanuit het Justitiepaleis overgebracht naar het hoofdbestuur van de Regie der Gebouwen aan de Guldenvlieslaan nr. 87 te Brussel. In februari 2010 werd contact opgenomen met het Algemeen Rijksarchief. Na een kort inspectiebezoek werd besloten om de plannen zo snel mogelijk over te brengen, met het oog op hun conditionering en inventarisatie. De overdracht naar het Algemeen Rijksarchief vond plaats in mei 2010.

Inhoud

Het archief dat het voorwerp van deze inventaris uitmaakt, bestaat hoofdzakelijk uit plannen die door de Service spécial werden opgemaakt ter voorbereiding van de bouw en tijdens de uitvoering van de werken. Een tweede, kleiner deel bevat plannen en enkele andere documenten die werden opgemaakt na de voltooiing van de bouwwerkzaamheden en de overdracht van het justitiepaleis aan de Bijzondere Dienst der Burgerlijke Gebouwen van Brabant. Alsdus kan het archief chronologisch ingedeeld worden in een deel dat dateert van de periode van de bouw tussen 1862 en 1883 en in een deel dat dateert vanaf 1884.

Periode 1862-1883
Het archiefbestand bevat slechts een zeer beperkt aantal plannen die het justitiepaleis volledig in grondplan of in opstand weergeven. De datering en toeschrijving van de meeste van deze algemene plannen is onzeker vanwege het summiere karakter van de opschriften. Twee plannen kunnen we wel in verband brengen met de aan Poelaert toegeschreven plannen bewaard in de bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. (11)Eén plan toont het project van 1862 met een opstand van de gevel langs de zijde van de Miniemenstraat (inventaris nr. 1). Een ander plan toont een doorsnede van het interieur van het project van 1872 (inventaris nr. 52). Van dit project wordt in de bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis een buitenopstand bewaard.
Van bijzonder belang binnen het archiefbestand is de door Poelaert gesigneerde ontwerpschets. Deze toont een deel van de Miniementrap in opstand en is schetsmatig opgezet
in grafiet (inventaris nr. 19). Dit plan werd gemaakt in 1870, toen de werken volop in uitvoering waren. Opmerkelijk is dat de op het plan afgebeelde architectuuropstand in verscheidene details verschilt van het uitgevoerde trapgedeelte alsook van de door de service spécial opgestelde steensnedes van het trapgedeelte (inventaris nr. 362). Slechts twee andere, niet gesigneerde plannen kunnen met de nodige voorzichtigheid toegeschreven worden aan Poelaert (inventaris nrs. 348 en 748).
Het grootste deel van de bewaarde plannen zijn uitvoeringsplannen. Deze plannen tonen steevast onderdelen van het bouwwerk en bevatten meestal opschriften die toelaten deze te situeren binnen het geheel van het reusachtige bouwwerk. De plannen hebben in regel ook een nummering, een datum en handtekening van de bevoegde ingenieur of architect. Een aanzienlijk aantal plannen bevatten ook een meetstaatnummer.
De bestekken en meetstaten alsook de gebruikelijke correspondentie die oorspronkelijk bij de plannen hoorden, ontbreken echter. In het archiefbestand werden slechts enkele sporadisch bewaarde brieven, een offerte en een lastenboek betreffende de meubilering en opknapwerken in het justitiepaleis teruggevonden. Tevens werd één bestek betreffende de schilderwerken in het interieur van het justitiepaleis uit 1881 bewaard.
Op basis van het historisch onderzoek (12) en van de opschriften op de plannen kunnen de volgende fasen in het bouwproces onderscheiden worden:

1. De bouw van de fundamenten
Deze werken werden uitgevoerd door de firma Tanneveau voor een bedrag van 1.616.803,55 fr. vanaf 1866 tot omstreeks 1868.

2. De bouw van het drie verdiepingen tellende hoofdvolume
Hiertoe was een bestek opgemaakt dat werd goedgekeurd op 16 juli 1868. Dit deel van de werken werd onderverdeeld in twee secties. Een eerste sectie omvatte de verdere werken vanaf de fundamenten tot aan het niveau van het rez-de-chaussée, oftewel de onderste verdieping. De tweede sectie omvatte het rez-de-chaussée en de bovenste verdieping (oorspronkelijk was het leggen van het dak hierin inbegrepen maar niet de bouw van de koepel die op dat ogenblik niet voorzien was). Op 22 augustus werden de werken aan de eerste sectie toegekend aan de aannemer Louis Devestel-Delille uit Brugge voor een totale forfaitaire prijs ten bedrage van 3.062.149,21 fr. Het bestek voorzag dat dezelfde aannemer de nodige plannen en meetstaten zou krijgen wanneer hij aan de tweede sectie zou beginnen.
Het grootste deel van de bewaarde plannen hebben betrekking op deze werken. Ze tonen steensnedes van kleinere onderdelen van het gebouw en zijn hoofdzakelijk gerangschikt volgens de aard van de toegepaste steensoorten. Sommige plannen uit deze fase van de werken tonen ook trapconstructies en verankeringen met ijzers.
In het bestand bevinden zich twee reeksen van officieel door de Minister van Justitie goedgekeurde plannen van deze fase van de werken. Een eerste reeks dateert uit 1868 en draagt de handtekening van Jules Bara. Het toont het rez-de-chaussée inférieur (oftewel de kelderverdieping of eerste sectie). Een tweede reeks dateert uit 1870 en draagt de handtekening van zijn opvolger Prosper Cornesse. Het toont het rez-de-chausée deuxième section (première partie),oftewel de gelijkvloerse verdieping.
Voor de bouw van het rez-de-chaussée werden reeds vanaf 1874 grote ijzeren liggers toegepast, onder meer voor de overspanning van een aantal grote ruimten. Tevens werd op grote schaal gebruik gemaakt van ijzeren trekstangen en verankeringsijzers, onder meer voor de constructie van de kroonlijst.
Vanaf 1875 kreeg Devestel een aantal werken toegewezen die betrekking hadden op de afwerking van het rez-de-chaussée. Deze werken werden aan Devestel toegewezen omdat in het bestek van 1868 clausules waren opgenomen die toestonden dat de aannemer ("selon son bon plaisir") vergoedingen kon eisen wanneer andere aannemers gebruik maakten van zijn werfvoorzieningen en stellingen. Hierdoor konden andere bedrijven onmogelijk een offerte opmaken met een prijs die kon concurreren met deze van Devestel.
Op 3 april 1875 diende Devestel een prijs in om de dakspanten te construeren in ijzer, hoewel het aanvankelijk de bedoeling was ze in hout te construeren. Op 1 augustus 1876 werd een overeenkomst met de aannemer afgesloten voor de werken aan de plafonnages. Het oudste plan van plafondwerken dateert van op 21 maart 1877. Op 19 januari 1877 kreeg de aannemer ook de opdracht voor de afwerking van het schrijnwerk. Deze werken omvatten voornamelijk de constructie en plaatsing van de deuren en ramen. In het bestand bevinden zich ook talrijke plannen die lambriseringen voor verschillende audiëntiezalen tonen, waarvan sommige zijn uitgewerkt in marmer. Het is mogelijk dat deze kostbare marmeren lambriseringen een apart onderdeel van de werken betroffen of dat de benodigde marmers rechtstreeks door de Service spécial werden besteld.
In het bestand vinden we ook veel plannen weer die de afwerking van de stenen vloeren tonen. De oudste plannen dateren van 1877. Ook hier is het onduidelijk of de installatie van deze stenen vloeren al dan niet een apart administratief onderdeel van de werken vormde. Een aanzienlijk deel van de plannen draagt het opschrift "Usines de Belvoye. Près Dole (Jura). A. Violet. Propriétaire". We weten dat de Service spécial aparte aanbestedingen had georganiseerd voor de trappen en vloeren van sommige gedeelten van het justitiepaleis. Deze plannen lijken er op te wijzen dat de leverancier de stenen in het juiste formaat en geschikt voor onmiddellijke plaatsing diende te leveren.
Ook het oudste plan van de verwarmingsinstallatie dateert van 1877. De constructie hiervan werd toegewezen aan de firma Geneste en Herscher. Wellens vermeldt in zijn boek dat hiertoe een aparte aanbesteding was georganiseerd, maar specifieert niet wanneer deze werd gehouden. Ook de duur van de installatiewerken is onbekend. Het bestand bevat een reeks grondplannen uit 1889 waarop de hele installatie gedetailleerd in kaart is gebracht. Deze reeks werd vermoedelijk geruime tijd na de voltooing van de verwarmingsinstallatie gemaakt ten behoeve van de verantwoordelijken voor het onderhoud van het gebouw.

3. De bouw van de koepel
Pas laat in het bouwproces werd uiteindelijk beslist om de koepel te construeren. Een eerste koepelproject werd goedgekeurd op 20 juni 1876. Een tweede, verbeterd ontwerp werd op 17 februari 1877 goedgekeurd. In het archiefbestand werden geen algemene plannen teruggevonden die de koepelontwerpen uit 1876 of 1877 tonen. Vanaf 1877 komen we wel op verschillende constructieplannen het opschrift Construction du Dôme tegen. De bouw van de koepel werd eveneens ondernomen door Devestel. De koepel werd intern geconstrueerd met behulp van longerons (geklinknagelde ijzeren liggers) waarvan telkens aparte plannen gemaakt werden.
In het bestand werd één plan van de koepelbekroning gevonden dat werd ondertekend door Bara op 3 juni 1882 (inventaris nr. 577). Het plan, dat de interne ijzeren structuur van de koepel afbeeldt, toont aan dat er nog erg laat in het bouwproces veranderingen zijn doorgevoerd in het ontwerp van de koepel.

4. De bouw van de rampes oftewel de helling met oprit aan de kant van de Miniemenstraat
Ook deze werken werden toegewezen aan Devestel. De oudste plannen dateren van 1877 en tonen de fundamenten. Bara ondertekende twee van deze plannen op 29 maart 1879 en één op 11 januari 1881.
De meeste van de gedetailleerde uitvoeringsplannen zijn gesigneerd door de leden van de service spécial. De vroegste plannen zijn getekend door Carpentier en Marcq. Na de dood van laatstgenoemde in 1875 tekende enkel Carpentier. Na de dood van Carpentier in 1882 werden de plannen gesigneerd door Benoît. Vanaf omstreeks 1879 verschijnen ook namen van andere architecten op de plannen, waaronder bijvoorbeeld deze van Jean Baes, de latere ontwerper van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg.
Op een aantal plannen zijn annotaties te vinden met specifieke vermelding van de uitvoerder. Zo vermelden een aantal plannen van de ijzeren liggers dat ze bestemd waren voor ingénieur Paris die een constructiebedrijf in Binche bezat. Op een aantal plannen komen we ook de naam van Houtstont tegen, wiens atelier instond voor de afwerking van de sculpturale ornamenten. Houtstont werkte vermoedelijk in onderaanneming bij Devestel.
Niet alle plannen zijn het werk van de Service spécial. Een deel van de plannen zijn gehandtekend door de uit Brugge afkomstige architect Isidore Alleweireldt, die werkte voor de Bureaux de l'entreprise van Devestel. Deze plannen dragen de gebruikelijke nummers en verwijzingen naar bestekken. De precieze reden waarom een deel van deze plannen door de aannemer werden uitgewerkt, is niet bekend. Ofwel had de aannemer ook een deel van het tekenwerk op zich genomen, ofwel bestond er een noodzaak om op de reusachtige werf te beschikken over extra kopieën van bepaalde plannen.

Periode vanaf 1883
Het bestand bevat daarnaast ook plannen en tekeningen van latere verbouwingen, daterend uit de twintigste eeuw. Een aanzienlijk deel van deze plannen werden gemaakt in functie van de restauratiewerken van de koepel (ondernomen tussen 1947 en 1949) en de grote restauratiecampagne van het interieur tijdens de jaren 1950. Deze werken werden ondernomen onder leiding van Albert Storrer (1894-1977) die tussen 1929 en 1959 conservator van het justitiepaleis was.
Tenslotte bevat het archiefbestand een beperkt aantal stukken van diverse aard met betrekking tot de bouw en het onderhoud van het justitiepaleis, waaronder briefwisseling, affiches en guldenboeken die teruggaan tot de negentiende eeuw, alsook foto's uit de jaren 1980 en 1990 van beschadigingen aan het gebouw.

Taal en schrift van de documenten

Alle teksten en aantekeningen op de kaarten en plannen uit de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw zijn in het Frans opgesteld. Dit geldt ook voor de overige stukken betreffende de bouw van het justitiepaleis (briefwisseling en bestekken). Gelet op de redactionele vorm van de overgrote meerderheid van de stukken, bevat het bestand in zijn geheel weinig tekst.

Selecties en vernietigingen

Gelet op de grote historische waarde van alle kaarten, plannen en stukken in het archiefbestand werd geen enkele selectie uitgevoerd.

Toekomstige aangroei/aanvullingen

Aangezien het Justitiepaleis in de 19de eeuw werd gebouwd door een tijdelijke dienst, mag geen aangroei van plannen uit deze periode meer worden verwacht. Uiteraard zullen op termijn wel aanvullingen van de aanpassingswerken door de Regie der Gebouwen en diens rechtsvoorganger in de tweede helft van de twintigste eeuw naar het Rijksarchief worden overgebracht.

Ordening

De ordening van de archiefbescheiden werd in eerste instantie ingegeven door de redactionele vorm van de stukken. Concreet betekent dit dat een opdeling werd gemaakt tussen de omvangrijke reeks plannen en de overige stukken die slechts een klein onderdeel van het bestand uitmaken (affiches, guldenboeken, foto's, cd's en documentatie). De kaarten en plannen werden op hun beurt onderverdeeld in twee periodes: enerzijds de bouwperiode van het justitiepaleis, verricht door de Service spécial onder het Ministerie van Justitie, anderzijds de onderhouds- en verbouwingswerken die na 1883 door de Regie der Gebouwen en diens rechtsvoorgangers werden gecoördineerd.
De plannen gemaakt tijdens de bouwwerken werden vervolgens chronologisch ingedeeld volgens de administratieve onderverdeling van de werken. Dit gebeurde op basis van de beschrijvingen die de plannen dragen alsook op basis van de gedateerde handtekeningen. Tijdens de inventarisatie was het mogelijk om van een aanzienlijk aantal niet-gedateerde plannen te bepalen in welk jaar of in welke periode ze werden vervaardigd. Verder onderzoek zal ongetwijfeld toelaten om deze afgeleide dateringen, aangeduid in vierkante haken, verder te preciseren.
Tijdens de inventarisatie van de plannen werden wel sporen van een oude ordening aangetroffen op de plannen die werden gemaakt tijdens de bouwwerken: enerzijds een oplopende nummering die aan de plannen werd toegekend per administratief onderdeel, anderzijds codes van een meetstaat. (13) Aangezien de kaarten en plannen chronologisch werden genummerd, kon een deel van de oude orde tot op zekere hoogte worden gereconstrueerd en krijgen we een goed overzicht van de evolutie van de werkzaamheden.
Op dit ogenblik schatten we het bewaarde deel van de plannen die gemaakt zijn tijdens de bouwwerken ruwweg op ongeveer een derde deel van het totaal. Verder onderzoek, waarbij ook de op de plannen afgebeelde onderdelen van het gebouw precies gesitueerd worden in het actuele gebouw, zal een meer precies inzicht hierover verschaffen.

Voorwaarden voor de raadpleging

De raadpleging van dit archief is onderworpen aan de bepalingen van de Archiefwet van 24 juni 1955 (zoals gewijzigd door de Wet van 6 mei 2009), de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonlijke gegevens en de Wet van 11 april 1994 inzake de openbaarheid van bestuur. Concreet betekent dit dat voor de raadpleging van archiefbescheiden jonger dan 30 jaar de uitdrukkelijke toestemming van de Regie der Gebouwen vereist is. Voor archiefbescheiden ouder dan 30 jaar is een dergelijke toestemming niet vereist.

Voorwaarden voor de reproductie

Voor de reproductie van archiefstukken gelden de voorwaarden en tarieven van toepassing in het Rijksarchief.

Fysieke kenmerken en technische vereisten

Vele kaarten en plannen daterend uit de 19de eeuw zijn zichtbaar getekend door de tand des tijds. Vaak zijn de randen gescheurd of beschadigd en vertonen de plannen (die vrijwel allemaal werden opgevouwen) schade van de plooien. In het verleden werden duidelijk al pogingen ondernomen om een aantal plannen te herstellen, doorgaans met plakband. De plannen die in zeer slechte materiële staat verkeren, komen in aanmerking voor restauratie op het Algemeen Rijksarchief.

Toegangen

Jammer genoeg bevat het archiefbestand geen oude toegangen op de voormalige codes en nummering van de kaarten en plannen. Gelet op de coherente ordening van de plannen, voor een deel gebaseerd op de oude orde, vormt dit voor de praktisch raadpleging wellicht geen groot nadeel.

Documenten met een verwante inhoud

Het Algemeen Rijksarchief te Brussel bewaart twee archiefbestanden afkomstig van Openbare Werken waarin de geïnteresseerde onderzoeker gegevens terugvindt omtrent het onderhoud en de verbouwingswerken kort na de inauguratie van het justitiepaleis. In eerste instantie gaat het om de archieven van de Administratie van Bruggen en Wegen, Dienst der Burgerlijke Gebouwen (inventaris T039/07). Dit bestand bevat zes nummers met briefwisseling, onderhoudsnota's, bestekken en financiële stukken lopend over de jaren 1884-1912. In de tweede plaats bewaart het Rijksarchief ook een bestand plannen en plattegronden afkomstig van het Bestuur der gebouwen onder het voormalige Ministerie van Openbare Werken. Dit geïnventariseerde bestand (inventaris I 495) bevat één nummer met een dertigtal plannen en tekeningen over de verbouwingen aan het justitiepaleis over de jaren 1893-1902, waaronder talloze stukken betreffende de bronzen toegangsdeuren die in 1896 werden gerealiseerd.
De verslagen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers vormen een andere belangrijke bron voor de studie van de politieke en financiële ontwikkelingen bij de bouw van het Justitiepaleis. Aangezien de bouw van het justitiepaleis onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie viel, dienden de budgetten voor de bouw telkenmale als een apart agendapunt in de Kamer te worden behandeld alvorens deze werden goedgekeurd bij Koninklijk Besluit. Op 21 maart 1873 presenteerde het financiële controleorgaan van de Kamer een eerste alarmerend rapport over de toenemende kosten van de bouw van het justitiepaleis. Latere rapporten volgden op 21 maart 1877, 4 april 1878 en 6 juni 1879. Naar aanleiding hiervan diende Francois Wellens regelmatig verantwoording af te leggen in de Kamer. Zowel deze controlerapporten als de door Wellens ingediende verantwoordingsnota's zijn erg gedetailleerd opgesteld.
Ook het stadsarchief van Brussel bewaart een aantal archiefbundels over de bouw van het justitiepaleis onder de rubriek "Openbare Werken (Travaux publics)". Deze hebben voornamelijk betrekking over de keuze van de locatie van het justitiepaleis, de aanstelling van Poelaert tot architect en de financiële bijdrage van de stad in de bouwwerken.
Tenslotte worden in de bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel acht plannen bewaard, waarvan zes het oorspronkelijke project van Poelaert in 1862 tonen. (14)

Bibliografie

Almanach royal de la Belgique, Brussel, 1840-1939.
Annuaire des Travaux Publics, Brussel, 1843-1884.
Belgisch Staatsblad. Brussel, 1860-1992.
BRAL G., "Les transformations successives de la coupole du palais de Justice", in: Revue du Cercle d'histoire de Bruxelles et extensions, september 2003, p. 3-14.
LABYE C., Le palais de justice de Bruxelles, considéré au point de vue artistique, technique, admininistratif et politique, Luik, 1885.
LEBLICQ Y., "Les deux Palais de Justice de Bruxelles au XIXe siècle", in: Poelaert et son temps, Brussel, 1980, p. 244-296.
LOZE P., Le palais de justice de Bruxelles. Monument XIX, Brussel, 1983.
PUT E., Het Ministerie van Justitie (1831-1988). Deel I: Organisatiestructuur van de centrale administratie en de adviesorganen, Brussel, 1990.
SNAET J., "Het justitiepaleis van Brussel (1866-1883)", in: M&L. Monumenten, landschappen en archeologie,Brussel, 4, 2011, p. 8-66.
SNAET J., VAN BESIEN E., "Het justitiepaleis van Brussel, een monumentale krachttoer", in: Erfgoed Brussel, Dossier de kunst van het bouwen (Brussel, Hoofdstedelijk Gewest), 3-4, september, 2012, p. 76-89.
STRUBBE F., LELOUP G., Ministerie van Openbare Werken. Bestuur der Gebouwen. Kaarten en plattegronden van rijksgebouwen, 1860-1992, Brussel (Algemeen Rijksarchief. Inventarissen 495), 2010.
STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België, 1835-1940, Brussel, 1998.
VANDENBREEDEN J., LOITS A., "Het justitiepaleis", in: Brussel, Stad van kunst en Geschiedenis, Brussel, 31, 2001.
VELLE K., Het Ministerie van Openbare Werken (1837-1990). I. Organisatie, Brussel, 1993.
VELLE K., Het Ministerie van Openbare Werken (1837-1990). II. Bevoegdheden, Brussel, 1993.
WELLENS F., Nouveau palais de justice de Bruxelles, Brussel, 1981.

Beschrijvingsbeheer

Na de overdracht van het archiefbestand in mei 2010 werd de inventarisatie en voorlopige verpakking aangevat door dhr. Joris Snaet, voormalig medewerker bij de Dienst Restauratie van de Regie der Gebouwen. Tot april 2011 zou hij zowat 600 plannen beschrijven en nummeren. Vanaf mei 2011 werd de fakkel overgedragen aan mevr. Elisabeth Van Besien, die de inventarisatie in november van dat jaar afrondde. De algemene bestandbeschrijving van de inventaris werd in september 2012 afgewerkt. Vanaf december 2012 werden de stukken in het bestand ook definitief hernummerd en verpakt onder toezicht van Filip Strubbe en Michaël Amara, archivarissen bij afdeling 5 ("Hedendaagse archieven") van het Algemeen Rijksarchief, door Laurent Caltabellotta.

Télécharger l'inventaire publié- Download de gepubliceerde inventaris

1N° 10. Bouwtekening met opstand van de gevel aan de Miniemenstraat (Project van 1862). 1862.1 stuk
2Etude n° 9. Plan van het Justitiepaleis met stratenplan. [1862].1 stuk