Inventaris van het archief van het Belgische Rode Kruis (Eerste Wereldoorlog), 1914-1922

Archive

Name: Belgische Rode Kruis (Eerste Wereldoorlog)

Period: 1914-1922

Inventoried scope: 28 linear meters

Archive repository: National Archives of Belgium

Heading : Associations

Inventory

Authors: B. Cornel — F. Strubbe — M. Amara — P.-A. Tallier

Year of publication: 2017

Code of the inventory: I 629

...

Archiefvormer

Naam

Belgische Rode Kruis

Geschiedenis

Augustus 1914 was een donderslag bij schijnbaar heldere hemel voor de Medische Dienst van het Leger en voor het Belgische Rode Kruis. De evacuatie van gewonden gebeurde met verouderd materiaal en een groot gebrek aan financiële middelen. Al op 4 augustus kreeg de inspecteur-generaal van de Medische Dienst van het Leger, Léopold Mélis, het bericht dat het Belgische Rode Kruis (1) zijn verplichtingen niet kon nakomen. De organisatie richtte wel meteen een Medisch Comité op onder voorzitterschap van dokter Antoine Depage. Onder zijn impuls werden in Brussel meer dan 150 inrichtingen ter beschikking gesteld van het Rode Kruis voor de opvang van de gewonden. Daarna gebeurde hetzelfde in de provincies. (2) Het Medisch Comité ging deze hospitalen meteen bevoorraden. (3) Ondertussen leidde de terugtocht van het Belgische Leger tot een akkoord tussen Depage en Mélis: elk militair hospitaal in bezet gebied zou worden overgedragen aan het Belgische Rode Kruis. (4) De neutraliteit moest immers een garantie bieden voor de veiligheid van de gewonden.
Bij Koninklijk Besluit van 30 november 1914 werd het Directiecomité achter het front (voluit: Comité directeur de la Croix Rouge de Belgique fonctionnant derrière l'armée en campagne) opgericht, naast het Directiecomité werkzaam in bezet België. Léopold Mélis kreeg het voorzitterschap toegewezen, terwijl dokter Antoine Depage lid werd. (5) Met de creatie van hospitalen achter het front (waaronder "L'Océan" in de Panne) heeft het Belgische Rode Kruis een zeer belangrijke rol gespeeld in de medische verzorging in onbezet België. Meer dan 30.000 gewonden zijn immers in deze instellingen verpleegd. (6) Veel van deze verwezenlijkingen waren te danken aan dokter Antoine Depage en diens vriendschapsband met koning Albert I en koningin Elisabeth. De goede verstandhouding met het vorstenpaar fungeerde meermaals als een buffer tegen conflicten in de vaak gespannen relatie tussen Depage en Leopold Mélis.
Ook het Directiecomité van het Belgische Rode Kruis in bezet België bleef niet gespaard van conflicten, in dit geval met de Duitse bezettingsoverheid. Het leidde uiteindelijk tot de ontbinding van dit Directiecomité op 15 april 1915. (7) Volgens de Duitse visie diende het Rode Kruis in tijden van vrede verschillende taken van hulpverlening in het kader van de publieke gezondheid op zich te nemen. Het Belgische Rode Kruis hield daarentegen vast aan de rol die voor haar was weggelegd in de Belgische wetgeving. Na de opheffing van het Directiecomité bleven een beperkt aantal diensten wel voortwerken, met name het ondergeschikte Bureau de Renseignements sur les soldats malades, blessés ou morts (cf. infra) en de ambulance van het Koninklijk Paleis. Omwille van zijn symboolwaarde kon de Duitse bezetter dit laatste hospitaal, met een capaciteit van 200 bedden, immers moeilijk opheffen.
Het Belgische Rode Kruis kon rekenen op ondersteunende diensten in het buitenland, waaronder het Anglo-Belgisch Comité en het "Comiteit voor Nederland en Koloniën": hun voornaamste taak bestond erin de medische werking te ondersteunen en vooral voldoende fondsen te werven. Vanaf 1917 biedt het door het Amerikaanse Rode Kruis opgerichte "War Council" financiële en materiële ondersteuning. Ernest Bicknell en John Van Schaick Jr. komen aan het hoofd van het in augustus 1917 opgerichte Department for Belgium. In de praktijk wordt John van Schaick Jr. de hoofdverantwoordelijke voor de coördinatie van de hulp naar België en de handhaving van de goede relaties met het Amerikaanse Rode Kruis.
Met de bevrijding van het bezette grondgebied eind 1918 verloren de oude fronthospitalen van het Belgische Rode Kruis stilaan hun functie. Het einde van de oorlog betekende evenwel niet het einde van de medische dienstverlening. De penibele naoorlogse situatie in West-Vlaanderen vereiste de hulp van het Rode Kruis. Daarnaast hadden nog ongeveer 600 gewonden nood aan medische hulp. Na de sluiting van L'Océan in oktober 1919 werden deze gewonden -vooral invaliden- naar het hospitaal Berkendaal van Depage in Brussel overgebracht. (8)
Na de Eerste Wereldoorlog was de tijd ook rijp om een andere wending aan het Belgische Rode Kruis te geven. Slachtoffers van rampen en ongevallen in vredestijd moesten immers ook geholpen worden. Om een aangepast programma te ontwikkelen voor de vredestijd werd in Genève de Liga van Rode Kruisverenigingen opgericht, waarvan de Belgische toetreding werd aanvaard op 18 augustus 1919. (9) Het waren deze aanpassingen die het doel en de werking van het Belgische Rode Kruis beïnvloedden. (10) De reorganisatie van het Belgische Rode Kruis was in 1922 een feit. De oprichting van vaste centrale diensten onder leiding van directeur-generaal Edmond Dronsart is daarvan het meest concrete voorbeeld.

Bevoegdheden en activiteiten

Belgische Rode Kruis

De bevoegdheden van het Belgische Rode Kruis tijdens de Eerste Wereldoorlog waren niet zo divers als deze van de huidige organisatie. In essentie had de organisatie twee opdrachten: 1° de opvang en medische verzorging van slachtoffers van oorlogsgeweld (in de praktijk hoofdzakelijk militairen), 2° het verschaffen van informatie over deze oorlogsslachtoffers aan betrokken partijen.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hing het Belgische Rode Kruis nog vast aan 19de-eeuwse statuten. Het Belgisch Staatsblad van 31 januari 1892 gaf een samenvatting van alle vereisten en organisatorische noden waaraan het Belgische Rode Kruis moest voldoen. Eerst en vooral was het hun taak om de Medische Dienst van het Leger bij te staan. In het geval van oorlog werd het Belgische Rode Kruis ondergeschikt aan het Leger en moest het de medische zorg aan Belgische militairen verzekeren en verbeteren. In vredestijd was het toegestaan om alle nuttige middelen te gebruiken om in hun taken te voorzien, in het bijzonder hulpverlening bij rampen. Het Internationale Rode Kruis had immers bij zijn oprichting besloten dat elk nationaal comité met zijn regering akkoorden moest sluiten betreffende de taken in oorlogstijd. In de praktijk was het Belgische Rode Kruis wel verantwoording verschuldigd aan de Belgische Staat, maar andersom had het Leger buiten financiering niets in de pap te brokken. Het Leger bleef verantwoordelijk voor het onderhoud, terwijl bevoorrading een zaak was van het Belgische Rode Kruis.
Na de Eerste Wereldoorlog bleef het takenpakket van het Belgische Rode Kruis in geval van oorlog ongewijzigd, maar in tijden van vrede moest het nu ook instaan voor hulpverlening bij rampen en mocht het andere Rode Kruisverenigingen bijstaan. (11) Samenwerking met de Staat was nog steeds vereist, maar werd beter geregeld. Het Belgische Rode Kruis had nu een complementaire taak bij de activiteiten van de Medische Dienst van het Leger. Het financieel beheer werd in overleg met het Ministerie van Landsverdediging geregeld. (12)

John Van Schaick Jr. en het Amerikaanse Rode Kruis

De eerste sporen van de rol van het Amerikaanse Rode Kruis zijn te vinden in giften aan het Directiecomité achter het front. (13) Deze financiële steun was een recurrente factor in de relatie tussen beide Rode Kruisverenigingen en zou tot de jaren 1920 een hoeksteen van hun verhouding vormen. Een eerste Amerikaans optreden was het privé-initiatief Rockefeller Foundation War Relief Commission, waarvan John Van Schaick Jr. deel uitmaakte. De Commission werd in 1915 opgericht om in Europa actief te zijn. De eerste taak van dit comité was contact te maken met de lokale autoriteiten en hulporganisaties om met hen samen te werken. De activiteiten van dit privé-initiatief, waarvan het Belgische Rode Kruis geen partner was, waren hoofdzakelijk gericht op (de hospitalisatie van) kinderen. De organisatie zelf opereerde vanuit Rotterdam. (14) John Van Schaick Jr. was actief voor de Belgische casus. Zijn rol hierin is onduidelijk, maar mogelijk beperkt tot fondsenwerving.
De oprichting van een War Council door het Amerikaanse Rode Kruis in 1917 betekende een nieuwe fase in de hulpverlening. Het opzet was om zo snel mogelijk naar Europa te reizen, een netwerk op te richten en uit te breiden, hulp te verlenen, de Amerikaanse sympathie over te brengen en in het algemeen het moraal te verhogen. (15) Ernest Bicknell en John Van Schaick, Jr. werden vanwege hun eerder opgedane ervaring verantwoordelijk voor het in augustus 1917 opgerichte Department for Belgium.
Bij aanvang van hun missie kenden de Amerikanen het Belgisch grondgebied achter de IJzer en de vluchtelingenkampen onvoldoende. In augustus 1917 ondernam Van Schaick Jr. een eerste reis naar het Belgisch front. Zijn opdracht was de studie van de verwoeste dorpen en de burgers die er nog woonden. Contacten met het Belgische Rode Kruis bleven nog uit. (16) In de daaropvolgende maanden werd Van Schaick Jr. dé verantwoordelijke voor de Belgische Rode Kruisproblemen, het handhaven van de goede relaties met het Amerikaanse Rode Kruis, de coördinatie van hulp en de inzameling van giften. Om de goede werking en regelmatige steun te verzekeren, reisde Van Schaick Jr. drie weken per maand naar de frontzone om het Belgische Rode Kruis bij te staan in de medische zorg. Deze bijstand was vooral financieel. Voorwaarde voor deze steun was dat het Belgische Rode Kruis ook diensten voor oorlogsinvaliden moest oprichten. Tot de belangrijkste verwezenlijkingen van het Amerikaanse Rode Kruis behoorden: de opening en coördinatie van een reëducatiecentrum te Woluwe, (17) de oprichting van voedsel- en voorraadmagazijnen te Adinkerke (die in 1918 hun nut bewezen bij de opvang van vluchtelingen en bij het grote herfstoffensief) en de verzekering van voedselvoorziening voor Belgische kinderen via de zogenaamde Colonies scolaires. Occasioneel werd de eigenlijke inrichting van de kolonies door het Amerikaanse Rode Kruis gefinancierd. (18) Belangrijk was tenslotte ook de steun aan de burgerlijke hospitalen, zowel in onbezet België als in Noord-Frankrijk. (19)

Organisatie

Bij wet van 30 maart 1891 werd het Belgische Rode Kruis bestempeld als een private, burgerlijke, niet-commerciële "association". De aanpassing in 1892 behelsde vooral de creatie van een Algemene Raad en het uitbrengen van een jaarlijks verslag over het werk van de organisatie en diens financiële situatie. De Algemene Raad was bevoegd om statutaire veranderingen door te voeren. Gelijktijdig werd het Belgische Rode Kruis officieel erkend door de Belgische overheid. De officiële samenwerking of beter gezegd de verantwoording aan het Ministerie van Oorlog werd toen besloten.
Het Directiecomité bestond uit de voorzitter, twee vicevoorzitters, één secretaris-generaal, één algemeen penningmeester, één econoom-generaal, zeven leden en een afgevaardigde van het Ministerie van Oorlog. De leden werden voor een termijn van drie jaar aangesteld. In geval van het wegvallen van een directielid was de voorzitter verplicht een mogelijk vervanging voor te leggen aan het Ministerie van Oorlog. (20) Lokale afdelingen werden door het Directiecomité opgericht waar deze het nodig achtte. Deze afdelingen mochten hun eigen reglementen opstellen zolang zij conform waren met de nationale statuten. Zij moesten wel ter goedkeuring voorgelegd worden aan het Directiecomité.

Het Directiecomité achter het front


Bestuur

De activiteiten van het Belgische Rode Kruis in onbezet België begonnen op 28 oktober 1914, met het vertrek naar Calais van dokter Antoine Depage, de voorzitter van het Medisch Comité. (21) Onder zijn leiding ontwikkelde Calais zich snel tot het medisch centrum van het Belgisch Leger. (22) Bij Koninklijk Besluit van 30 november 1914 werd een Directiecomité achter het front (voluit: Comité directeur de la Croix Rouge de Belgique fonctionnant derrière l'armée en campagne) opgericht, officieel vanwege de nood van het Belgisch Leger aan chirurgische "ambulances". (23) In werkelijkheid had de Duitse opmars ervoor gezorgd dat de dienstverlening van het Belgische Rode Kruis aan het Belgisch Leger ten zeerste werd verstoord. Léopold Mélis nam het voorzitterschap van dit nieuwe Directiecomité waar en dokter Antoine Depage werd lid. Depage leefde vaak op gespannen voet met Léopold Mélis. Wellicht was deze verhouding niet enkel het resultaat van concurrerend gedrag tussen een ambtenaar (Mélis) en een industrieel (Depage) (24), maar vooral een uitvloeisel van de algemene relatie van het Belgische Rode Kruis met het Belgisch Leger, waar de neutrale organisatie "vrij spel" had en het leger moest opereren binnen een inefficiënte bureaucratische structuur. Dit nam niet weg dat het Directiecomité achter het front slechts werd beschouwd als een tijdelijke aanpassing aan uitzonderlijke omstandigheden: een essentiële verandering in de organisatie van het Belgische Rode Kruis achtte men niet noodzakelijk.
De relatie met het Leger was opmerkelijk. Het leger was verantwoordelijk voor het onderhoud van de medische infrastructuur, terwijl de bevoorrading een zaak was van het Belgische Rode Kruis. Dit alles culmineerde in de eigenlijke militarisering van het Belgisch medisch personeel onder de Rode Kruisvlag. De hospitalen onder het Belgische Rode Kruis (25) werden door militarisering van de medische formaties vanaf 1916 dus alleen nog geleid door militairen. Het bestuur van de hospitalen vormde hierop geen uitzondering. Dokter Antoine Depage, directeur van 'L'Océan', De Panne kreeg bijvoorbeeld van Minister van Oorlog de Broqueville de graad van kolonel, toegekend. Het Leger kreeg dus ook de loonkost in zijn schoot geworpen. (26)
Ondergeschikte diensten

Inlichtingsbureel voor Gewonde Soldaten te Calais - "Bureau de Renseignements des Soldats Blessés à Calais"

In december 1914 patroneerde het Directiecomité een Inlichtingenbureel onder leiding van algemeen secretaris Georges Didier. (27) Vanaf dan beschikte men achter het front ook over een manier om inlichtingen te verzamelen over gewonde militairen in de hospitalen en "ambulances" van Calais. De gegevensverzameling betreffende de 'L'Océan'-hospitalen gebeurde via de opmaak van steekkaarten van opgenomen militairen in Calais en 'L'Océan', De Panne sinds 30 november 1914. (28) Aanvankelijk werd de dienst enkel gebruikt om de briefwisseling tussen militairen en hun familie te verzekeren. (29) Na de stopzetting van de vijandelijkheden werd door het Directiecomité besloten om de aanwezige steekkaarten van deze dienst, een 200.000-tal, door te sturen naar het Medisch Comité. De inlichtingendienst werd dus samengevoegd met deze in Brussel. (30)
Materieel beheer: de magazijnen van het Belgische Rode Kruis

Tegen 25 maart 1915 rees de nood aan een groot magazijn met hospitaalmateriaal. Calais was hiervoor de uitgelezen plaats. Georges Didier verkreeg de leiding en de administratie over de magazijnen die het materiaal voor een hospitaal van 500 bedden konden herbergen. Dit materiaal diende voor de oprichtin van een voorlopig tentenhospitaal in Vinkem in mei 1917, in afwachting van de opening van een tweede hospitaal L'Océan in september. (31) Didier werd op 18 april 1918 vervangen door luitenant Robert Kalker. Met het intensifiëren van de Duitse bombardementen op Calais diende Kalker een nieuwe geschikte locatie voor het materiaal te zoeken in de regio ten zuiden van de Seine. Op het einde van de oorlog werden de magazijnen overgebracht naar Oostende, waar de dienst zijn nut bewees: om het Belgisch Leger te kunnen volgen, had het Belgische Rode Kruis nood aan een enorme hoeveelheid transporteerbaar materiaal.
De Fotografische Dienst van 'LOcéan', De Panne

In 'L'Océan' werd een kleine fotografische dienst met twee professionele fotografen opgericht. Zij waren verantwoordelijk voor documentatie, demonstratie en propaganda, o.m. door het afspelen van films in de lokale theaterzaal. De fotografische dienst werd blijkbaar niet officieel opgericht: geen enkel proces-verbaal of ander beleidsdocument bevat verwijzingen. De dienst werd wel beschreven in een artikel van dokter Depage over de verschillende diensten van het hospitaal. (32) Uit de aantekeningen op naoorlogse foto's van hospitalen te Brussel kan worden afgeleid dat de dienst wellicht ook na de oorlog heeft doorgewerkt.
Hulpverlening aan burgerlijke hospitalen

Incidenteel achtte het Directiecomité achter het front het nodig om andere, niet-Rode Kruishospitalen bij te staan. Een voorbeeld hiervan is de subsidiëring van het burgerlijk Elisabethhospitaal te Poperinge dat zich vooral richtte tot tyfuslijders. (33)
Belgische Rode Kruishospitalen

Met slechts één slecht uitgerust chirurgisch hospitaal te Veurne was de medische situatie aan het Belgisch front in 1914 dramatisch. Een eerste alternatief voor deze situatie was een Brits initiatief: een "Belgian Field Hospital" (34) op 12 km. van het front dat brak met de 19de-eeuwse conventies over oorlogschirurgie waarin hospitalen als instellingen ver in het achterland opereerden. (35) De beslissing van het oprichten van de Ambulance 'L'Océan' in De Panne werd officieel besloten in de vergadering te Duinkerke tussen de leden van het Directiecomité van het Belgische Rode Kruis achter het front en het Ministerie van Oorlog. Deze beslissing volgde op een interventie van de erevoorzitster van het Belgische Rode Kruis, koningin Elisabeth, en Depage ter creatie van een hospitaal van 200 bedden in het hotel L'Océan. De eerste gewonden arriveerden op 20 december 1914. In de loop van 1915 werd het hospitaal uitgebreid naar een capaciteit van 1200 tot 1500 bedden. Door de bouw van houten paviljoenen werd het oude hotel omgevormd tot een kleine stad. De grootte van het hospitaal werd door Depage verdedigd als de meest economische oplossing. Door de oprichting van niet zuiver chirurgisch gerichte diensten mogen we concluderen dat 'L'Océan', De Panne zeer snel meer dan louter een hospitaal werd. Het was onder meer een centrum van wetenschappelijk onderzoek. (36) In "L'Océan", De Panne en de hospitalen te Calais opereerden aanvankelijk een groot aantal Britse verpleegsters. Wanneer deze in 1915 door de Britse medische dienst werden opgevorderd, deed men een beroep op Belgische verpleegsters waarvoor tijdens de oorlog scholen te London en Calais werden geopend.
Minstens even belangrijk was de oprichting van vooruitgeschoven posten aan het Belgische front voor de behandeling van buikwonden. Deze verwondingen zorgden voor een grote mortaliteit en dit soort gewonden transporteren was vaak verloren moeite. Voor deze nieuwe post werd het vervoerbare hospitaal te Calais overgebracht naar L'Océan. Depage zelf was verantwoordelijk voor de plaatsing van de vooruitgeschoven post. In overeenkomst met de militaire commandant van de 1ste Divisie werd St.-Jansmolen(-Oostkerke) uitgekozen. De post, die vanaf 1 juli 1916 in werking trad, moet als een uitbreiding van 'L'Océan', De Panne worden beschouwd: ze was geen eindhalte. De gewonde werd verzorgd en gestabiliseerd, maar moest vervolgens naar De Panne worden overgebracht. Als verantwoordelijke werd dokter Neuman aangeduid. St.-Jansmolen maakte deel uit van een grondige vertakking van het gehele Belgische front op het gebied van medische dienstverlening. Het geheel werd opgedeeld in vier sectoren. De meest noordelijke sector, van Nieuwpoort tot Diksmuide, viel onder 'L'Océan', De Panne. De overige drie sectoren vielen onder Belgische militaire hospitalen, namelijk Cabour, Hoogstade en Beveren-aan-de-IJzer.
De overname van de sector van Nieuwpoort door het Britse Leger in 1917 betekende dat 'L'Océan', De Panne onder Britse jurisdictie viel. Het Belgische Rode Kruis had bijgevolg nood aan een nieuw hospitaal. Zeer vlug werd besloten om op de oefenterreinen van Wulveringem-Vinkem een hospitaal in te richten. Ter afwachting van het eigenlijke hospitaal werd in de nabijheid een "hôpital sous tentes" met 240 bedden opgericht. De grote redder in nood voor de financiering van dit nieuwe project was het Amerikaanse Rode Kruis. Zo kon het Belgische Rode Kruis de bouw van een hospitaal met een capaciteit van 1600 bedden plannen. De gebeurtenissen tijdens tweede helft van 1918 gooiden roet in het eten. De vrees voor een Duitse doorbraak behoedde het leger om grote veldhospitalen te behouden. De orders tot inkrimping van beide L'Océans verdwenen bij het eindoffensief van 28 september 1918 echter als sneeuw voor de zon.
Ook voor de andere kleinere hospitalen is de geschiedenis vergelijkbaar. De meeste werden vanaf september 1915 opgericht, te beginnen met het hospitaal Rue des Prairies te Calais. Algauw werd deze instelling naar de achtergrond verschoven met de opkomst van het hospitaal Virval te Calais onder leiding van dokter Neuman. In het najaar van 1917 was ook het beheer van het Belgisch militair hospitaal Petit Fort Philippe officieel overgedragen aan het Belgische Rode Kruis. Ook het Belgisch militair hospitaal Mortain werd toen overgedragen aan het Belgische Rode Kruis. Een algemeen overzicht van de gewonden in al deze kleine hulpposten werd immers als steeds problematischer ervaren: fusioneren was de oplossing. Zo moesten in april 1918 Virval en Petit Fort Philippe samensmelten. Virval-Calais werd op 8 november 1918 overgedragen aan de Medische Dienst van het Belgische Leger en het zou nog tot 29 januari 1919 duren eer het zijn deuren sloot. (37) Petit Fort Philippe en Mortain werden op 15 december 1918 gesloten. De nog overblijvende gewonden werden naar Vinkem en Brugge getransporteerd. (38)
Comités ter verwerving van fondsen

Gelet op de problematische situatie van België eind 1914, was ook het Belgische Rode Kruis verplicht om zijn werking te verzekeren door in buitenland ondersteunende diensten op te richten of in de organisatie op te nemen. Aan het hoofd van de dienst stond weliswaar steeds een Belg, meestal de consul. Op het Anglo-Belgisch Comité na, werden meeste comités opgericht door particulieren en later door het Directiecomité achter het front erkend. Hun voornaamste taak bestond erin de medische werking te ondersteunen en vooral voldoende fondsen te werven.
Het Anglo-Belgisch Comité

Het Anglo-Belgisch Comité werd op 28 december 1914 door het Directiecomité achter het front opgericht en dat was vooral te danken aan gravin Jean de Merode, algemeen penningmeester van het Belgische Rode Kruis. Het Comité verzorgde de officiële representatie van het Belgische Rode Kruis in Groot-Brittannië en diens koloniën, hoewel deze taak uiteindelijk neerkwam op fondsenwerving en de coördinatie van informatie aangaande Belgische militairen in Engeland. Baron Constant Goffinet werd benoemd als voorzitter. Hij was tevens vice-voorzitter van het Belgische Rode Kruis, vice-voorzitter van het "Comité Officiel Belge pour l'Angleterre" en voorzitter van de King Albert's Military Hospitals. De leden van het comité zelf bestonden uit dignitarissen en voorzitters van verwante organisaties. Het bestuur van het comité kwam op deze manier gecentraliseerd in handen van personen met een zeer specifieke taak voor de Belgische overheid, nl. de zorg van de hulpverlenende organisaties voor Belgen in Engeland. De eigenlijke financiering werd geregeld door Minister van Binnenlandse Zaken Berryer, in samenwerking met het "Belgian Relief Fund". (39)
Een tweede belangrijke functie van het Comité was het verlenen van informatie aan het Medisch Comité. In een brief van 1 juli 1915 werd wel gestipuleerd dat het Anglo-Belgische Comité bereid was om informatie betreffende Belgische militairen te verzamelen, maar dat de vragen eerst verwerkt moesten worden door een Bureau voor Inlichtingen of door een militaire autoriteit om fouten te vermijden. Het Anglo-Belgisch Comité werkte op dit vlak samen met verschillende lokale inlichtingenbureaus, met name het "Bureau de Correspondance Belge à Londres", het "Bureau de Renseignements du Havre", het Comité van het Belgische Rode Kruis in Den Haag en de verschillende geallieerde Rode Kruisorganisaties.
De werking van het Anglo-Belgisch Comité kende enkele gespecialiseerde ondercomités, (40) waarbij men mag spreken van samenwerkingsverbanden i.p.v. eigenlijke afhankelijke diensten. Dergelijke ondercomités waren werkzaam in Nottingham, Manchester, Folkestone, Londonderry, Chester en Richmond, al werd de door deze comités georganiseerde medische hulpverlening niet erkend als een instelling van het Rode Kruis. (41) Een specifieke dienst, Belgian Field Ambulance Service, was verantwoordelijk voor de verzorging en uitrusting van "ambulances", die vervolgens werden ingezet in het niet-bezette deel van België. De activiteiten van het Anglo-Belgisch Comité werden op 31 december 1918 stopgezet door het Directiecomité achter het front.
"Comiteit voor Nederland en Koloniën"

Dit oprichting van dit comité was een verwezenlijking van een groep Belgen die vanuit Nederland hulp aanboden bij de verwerving en inrichting van gemotoriseerde brancardiervoertuigen. Op 13 februari 1915 verkregen ze van het Ministerie van Oorlog het alleenrecht om het Belgische Rode Kruis te vertegenwoordigen in Nederland. Toch was het wachten tot 24 juli 1915 vooraleer dit comité door het Directiecomité achter het front werd erkend als "Comité de Hollande de la Croix Rouge de Belgique". Zijn taak bleef weliswaar hetzelfde, met name het Belgische Rode Kruis voorzien van gemotoriseerde brancardiervoertuigen. Het eigenlijk verzamelen van fondsen (vooral door feestelijkheden en culturele aangelegenheden) was voor dit comiteit van secundair belang. Een derde potentiële functie, de opleiding van verpleegsters, werd systematisch geweigerd door het Directiecomité achter het front. (42)
De organisatie stond onder leiding van baron de Royer de Dour de Fraula en telde diverse ondercomités. In dit archiefbestand duikt alleen de sectie van Breda met zijn onderafdelingen in Roosendaal en Tilburg op. Er bestonden echter ook secties van Nederlands Indië en Maastricht. Het Bureau de Correspondance de La Haye vormde een aparte dienst, hoogstwaarschijnlijk opgericht als communicatiedienst zoals het "Bureel voor Inlichtingen betreffende zieke, gewonde of overleden soldaten" van het Medisch Comité (cf. infra), maar met een grote nadruk op communicatie met particulieren. Het "Comiteit voor Nederland en Koloniën" beëindigde zijn werking door een beslissing van het Directiecomité achter het front op 15 december 1918. (43)

Het Directiecomité in bezet België

In de meeste archiefbescheiden wordt prins Eugène de Ligne aanvankelijk als "president" van het directiecomité naar voor geschoven. In de ledenlijst van het Hygiënisch Comité uit 1915 wordt gravin Jean de Merode omschreven als "Présidente de la Croix- Rouge de Belgique". Wellicht heeft gravin Jean de Merode de rol op zich genomen ter tijdelijke vervanging van prins de Ligne. Op 25 februari 1915 werd graaf Bonifacius van Hatzfeldt-Trachenberg aangesteld als afgevaardigde van de Duitse overheid voor het Belgische Rode Kruis. Zijn taak bestond erin de vergaderingen bij te wonen en op te treden als tussenpersoon voor de bezetter. In werkelijkheid was hij diegene die de Duitse wens tot centralisatie aan de man moest brengen. In 1916 zal graaf van Hatzfeldt-Trachenberg opgevolgd worden door graaf von Mengersen, die de functie tot het einde van de oorlog zal waarnemen. Volgens de Duitse visie diende het Rode Kruis in tijden van vrede ook verschillende taken van hulpverlening m.b.t. de publieke gezondheid op zich te nemen. Het Belgisch comité moest naar het model van het Duitse Rode Kruis gemodelleerd worden, waarbij de verzorging van gewonden en zieken naar de achtergrond werd verschoven ten voordele van de strijd tegen werkloosheid, tuberculosebestrijding en hulpverlening aan kinderen. (44) De Duitse Zentrale für Soziale Fürsorge had tot doel om alle hulpverlenende initiatieven en organisaties te bundelen onder één dienst. Het Belgische Rode Kruis hield daarentegen vast aan de Belgische wetgeving. Bij besluit van de Duitse algemeen gouverneur von Bissing werd het directiecomité op 15 april 1915 ontbonden. (45)
Wanneer de oorlog ten einde liep en het Comité achter het front naar Brussel kon terugkeren, verwachtten de leden een samensmelting van beide Directiecomités. De praktijk bleek veel eenvoudiger. Een deel van de directieleden in bezet België was overleden en de anderen hielden zich gewoonweg niet met de zaak bezig. De mandaten van deze personen waren vervallen.
Comités opgericht door het Directiecomité

Het Medisch Comité - "Comité médical"

Bij de openingsvergadering van 4 augustus 1914 van het Medisch Comité werd meteen besloten om de activiteiten van dit orgaan te beperken. Men zou zich in eerste instantie concentreren op de "ambulances" te Brussel. (46) Dit verklaart grotendeels waarom er buiten de Brusselse nauwelijks documenten van de Belgische "ambulances" in de aanwezige archieven te vinden zijn. De eigenlijke creatie van de "ambulances" begon vanaf 6 augustus 1914 onder leiding van dokter Louis Leboeuf. (47) Vanaf 10 augustus breidde het Medisch Comité zijn werking uit en werd begonnen met de bevoorrading en erkenning van "ambulances" in de provincie. (48)
De missie van het Medisch Comité was niet de verzorging of het transport van gewonde militairen aan het front. Zij stelde alleen medisch personeel ter beschikking voor deze activiteiten. Theoretisch betekende dit wel dat ook medische installaties (vaak te danken aan buitenlandse schenkingen (49)) door hen werden bevoorraad. In de praktijk betekende dit meestal dat alleen medicijnen en verbanden waren werden voorzien voor de sanitaire organisaties, waarbij de neutraliteit gegarandeerd werd door de bijgevoegde giften van Rode Kruisvlaggen en -armbanden. Voor het transport naar Brussel werd het station van Etterbeek ingericht en volledig ter beschikking gesteld voor de gewonde militairen. Het beheer werd toevertrouwd aan het Medisch Comité, die in het station een dienst "Service réception"oprichtte.
De Duitse invloed beperkte zich aanvankelijk tot het opmaken van een status quaestionis. Van de open instellingen werd nauwkeurig het aantal gewonden genoteerd, waarbij opviel dat men in augustus iets te ijverig was geweest met de oprichting van "ambulances". De sluiting van de ambulances gebeurde evenwel niet overhaast. De eigenlijke brancardiervoertuigen werden door de Duitse overheid opgekocht. De ambulance van het Koninklijk Paleis mocht, na enig debat, als enige Belgische ambulance blijven functioneren, officieel omwille van de dienstverlening aan de Brusselse bevolking. (50) In realiteit verhinderden de onverzettelijke houding van de directie, de steun van vertegenwoordigers van neutrale landen en de "symbolische" locatie een overname door de Duitse bezetter. (51)
Een concreter probleem was het verhinderen van elke vorm van samenwerking met de vijand: Britse verpleegsters mochten vanaf 22 september geen enkele Duitse militair meer verzorgen en het Britse personeel in de Brusselse ambulances werd verzocht bezet België te verlaten. (52) Begin 1915 meldde het Medisch Comité aan de Duitse overheid dat ze wilde instaan voor drie vormen van communicatie, nl. de persoonlijke briefwisseling met delen van bezet België niet door de Duitse post bediend, tussen Belgische soldaten in Nederland en hun familie en tenslotte tussen Belgische militairen in Groot-Brittannië en Frankrijk en hun familie. Deze laatste vorm werd echter zeer snel door de Duitse overheid afgewezen. (53) De overige twee functies lijken zonder noemenswaardige problemen door het Medisch Comité te zijn uitgevoerd.
Door aanhoudende conflicten tussen de Duitse overheid en het Directiecomité van het Belgische Rode Kruis in bezet België en de ontbinding van dit Directiecomité op 15 april 1915 kwam het Medisch Comité zelf onder druk te staan. De leden van dit comité besloten dan ook op 19 april 1915 administratief de activiteiten voort te zetten, maar niet meer ten volle op te treden. (54) De enige dienst die normaal bleef verder werken was het "Bureau de Renseignements sur soldats malades, blessés ou morts". Dokter Leboeuf en dokter Lerat namen de leiding van deze dienst op zich. (55) Doorheen het verdere verloop van de oorlog lijkt het Medisch Comité alleen op dit administratief niveau te functioneren.
"Bureau de Renseignements sur les soldats malades, blessés ou morts"

Deze dienst is door het Medisch Comité opgericht om informatie over militairen te verschaffen aan de Belgische bevolking. Familieleden konden de loketten van deze dienst bezoeken of brieven sturen om aanvragen in te dienen. Aan het Ministerie van Oorlog werd gevraagd om de werking te verbeteren door officiële lijsten op te stellen van gesneuvelde militairen, die tevens gepubliceerd zouden worden. (56) Ook andere diensten maakten gebruik van deze gegevens. Bijgevolg werd niet alleen naar Belgische militairen geïnformeerd, maar naar alle nationaliteiten waarmee het Belgische Rode Kruis in contact kwam. De belangrijkste correspondentiepartner was het "Agence internationale des Prisonniers de Guerre" van het Internationale Rode Kruiscomité te Genève. Dit Internationaal Agentschap voor Krijgsgevangenen werd in augustus 1914 opgericht, met de bedoeling om vragen over krijgsgevangenen te beantwoorden. (57)
Een specifieke categorie bij deze uitzondering zijn de Belgische militairen uit Congo. Om inlichtingen te verzamelen betreffende dit type soldaat deed het Bureel voor Inlichtingen een beroep op het Ministerie van Belgische Kolonies in Le Havre. Ook dit bureau had af te rekenen met beperkingen opgelegd door de Duitse overheid. Voornamelijk brieven gericht naar Belgen in niet-bezet gebied werden verboden. Tegen 1918 was deze dienst het enige door de Duitse overheid erkende bureau van het Belgische Rode Kruis. Bovendien waren zij ook de enigen die in contact mochten staan met het Internationale Rode Kruiscomité te Genève.
Op het einde van de oorlog werd besloten om alle inlichtingsorganen te bundelen. Brussel was hiervoor de uitgelezen plaats. De steekkaarten van het Bureau de renseignements en die van het inlichtingsbureel van het Nederlandse comité in Den Haag werden bijgevolg naar het Medisch Comité opgestuurd. (58) De dienstverlening zelf ondervond enige hinder van deze reorganisatie.
Inzake de inlichtingenverwerving stond deze organisatie zeer dicht bij het "Belgisch Bureel voor Inlichtingen betreffende Krijgsgevangenen en Geïnterneerden" ("Bureau de Renseignements pour les Prisonniers et Internés", een maand na de oprichting in september 1914 veranderde de naam in "Agence belge des renseignements sur les prisonniers et les internés"). Hun taken overlapten elkaar: het Belgisch Bureel is bijgevolg complementair voor de inlichtingenverwerving van het Belgische Rode Kruis. (59) Algemeen moet dit bureau organisatorisch worden opgevat als een externe dienst die in de praktijk zeer nauw samenwerkte met het Belgische Rode Kruis. Rode Kruisleden Depage, Héger en Goldschmidt maakte deel uit van de eerste Beheerraad, gevolgd door Louis Leboeuf in 1917. De leden werden aangesteld door de overheid (60) en de organisatie werd erkend door het Directiecomité van het Belgische Rode Kruis, wat toeliet het Rode Kruisembleem te dragen en bijgevolg te genieten van de voordelen van post. Met het Medisch Comité, of beter gezegd het Inlichtingenbureel ervan, werd informatie uitgewisseld. Dit gebeurde door enerzijds te steunen op de relatie die het Belgische Rode Kruis met Genève had en anderzijds door de steekkaarten van het "Agence belge des renseignements sur les prisonniers et les internés" tijdelijk ter beschikking te stellen van het Medisch Comité. Minstens even belangrijk voor het Belgische Rode Kruis was dat deze dienst bijkantoren had in verscheidene steden. Op lokaal niveau is er sprake van een overlapping tussen de Rode Kruiscomités en deze diensten. (61)
De "ambulance" van het Koninklijk Paleis

Hoewel deze instelling strikt genomen onder de Brusselse "ambulances" viel en dus hiërarchisch onder het Medisch Comité stond, is dit ene specifieke hospitaal toch van levensbelang geweest voor het Medisch Comité. De verwerving van dit complex was hoogstwaarschijnlijk te danken aan koningin Elisabeth die erevoorzitster was van het Belgische Rode Kruis. Dokter Antoine Depage werd meteen verantwoordelijk voor dit hospitaal, zijn vrouw Marie Depage was er verpleegster. Vanaf 4 augustus 1914 begonnen de werkzaamheden in het hoofdgebouw van het Koninklijk Paleis. De daaropvolgende dag werd het Paleis ter beschikking gesteld van het Belgische Rode Kruis. (62) Na het vertrek van depage uit Brussel eind oktober 1914 werd dokter Louis Leboeuf hoofdgeneesheer. Onder de Duitse bezetting slaagde het hospitaal (met een capaciteit van 200 bedden) erin om te blijven werken. De directie van het hospitaal merkte immers terecht op dat met de sluiting van deze instelling in het Koninklijk Paleis de Duitse overheid het humanitaire optreden van de Belgische koningin vernietigde. De bezetter kon dit Belgisch symbool niet zonder gevolg van de kaart vegen.
De verzorging van de oorlogsinvaliden in dit hospitaal beperkte zich niet tot medische zorg. Vanaf 1915 werden er ook cursussen aan de invaliden gegeven, zodat zij in de toekomst een broodwinning konden hebben. Stilaan werd het hospitaal ook een school voor oorlogsinvaliden. (63) De grootste uitdaging bleek de opheffing van het Directiecomité te zijn. Het beheer of beter gezegd de financiën vielen nu in de schoot van de verantwoordelijken van het hospitaal zelf. Alleen via samenwerkingsverbanden met het Comité National de Secours et d'Alimentation en het Comité Section d'Aide et d'Apprentissage aux Invalides de la Guerre kon het hospitaal boven water blijven. De dienstverlening liep ten einde op 10 februari 1919. Een totaal van 945 zieken en gewonden werden hier tijdens de Eerste Wereldoorlog verpleegd. (64)
Het Hygiënisch Comité

Het Hygiënisch Comité was eerder een bijkomende dienstverlening van het Directiecomité en heeft slechts een kleine rol gespeeld. Het Belgische Rode Kruis had al in zijn statuten in 1892 de verplichting op zich genomen om alle slachtoffers van de oorlog te helpen, maar in 1913 uitte het Internationale Comité van het Rode Kruis te Genève aan alle Rode Kruisverenigingen de wens om samen te werken met de "sanitaire diensten" van hun respectievelijke landen. De creatie van het Hygiënisch Comité in september 1914 ligt in het verlengde hiervan, nl. het streven naar de best mogelijke hygiënische condities en maatregelen te nemen wanneer deze onvoldoende bleken te zijn. E. Beco, voorzitter van de "Conseil Supérieur d'hygiène publique", stond aan het hoofd van het Hygiënisch Comité dat vanuit Brussel opereerde.
Op 22 januari 1915 werd beslist een Hygiënische Raad van het Rode Kruis op te richten. (65) Zijn voornaamste taak was een dienst van exhumatie te zijn voor de slachtoffers (vooral gesneuvelde militairen) van de oorlog. Het Hygiënisch Comité verleende ook assistentie bij de bestrijding van een kinkhoestepidemie in Elewijt en een tyfusepidemie in het kanton van Wolvertem.

Lokale afdelingen

De structuur van de lokale Rode Kruisafdelingen was volkomen afhankelijk van de leden van de afdeling en van de situatie van hun lokaliteit. De archiefvorming doet wel uitschijnen dat de grootste afdelingen in de steden het best konden verder werken in bezet België. Van toezicht uit Brussel was er nog geen sprake. Dit blijkt vooral uit het feit dat het rapport van het Directiecomité van 1919 alleen vermeldt dat een aantal afdelingen konden functioneren onder de bezetting. De werking op lokaal niveau gebeurde volledig op basis van vrijwilligers. Een aantal afdelingen in middelgrote en kleine steden of dorpen richtten eigen "ambulances" op. (66)
In 1914 werd de algemene werking van deze onderafdelingen als onvoldoende geëvalueerd door het Medisch Comité. Datzelfde comité had echter wel alleen de taak de relaties tussen de verschillende onderafdelingen te onderhouden en te coördineren, maar greep niet in wanneer de zaken niet naar wens verliepen. De vraag is of men dat wel kon. De problemen van het nationaal comité met de Duitse overheid werden zo goed en zo kwaad mogelijk op het lokale niveau opgevangen. Een strategie was bijvoorbeeld om onder een andere naam verder te werken. Meestal gingen de lokale afdelingen zich vanaf 1915 concentreren op het verzenden van pakketten naar krijgsgevangenen. Het agentschap voor inlichtingen over krijgsgevangenen en geïnterneerden bleek in dat opzicht een goede dekmantel te zijn.

Ontwikkeling vlak na de Eerste Wereldoorlog

Dankzij de fronthospitalen heeft het Belgische Rode Kruis op het vlak van medische verzorging in onbezet België meer dan 30.000 gewonden verpleegd. (67) Met de bevrijding van het bezette grondgebied verloren de oude fronthospitalen stilaan hun functie. 'L'Océan', De Panne kon nog verder werken tot oktober 1919. De sluiting van 'L'Océan', Vinkem werd aanvankelijk op 15 januari 1919 gepland, maar de continue werking van het hospitaal doorheen 1919 leidde het Directiecomité ertoe om het tijdelijk te herbestemmen en ter beschikking te stellen aan het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (Oeuvre Nationale de l'Enfance). De situatie in West-Vlaanderen was immers nog hachelijk. Het materiaal van 'L'Océan' te Vinkem werd in 1920 verkocht, waarna het hospitaal onder de sloophamer ging.
In het kader van de heraanleg van medische voorzieningen in West-Vlaanderen werd door de Dienst der Verwoeste Gewesten een beroep gedaan op het Belgische Rode Kruis. Het Ministerie van Oorlog rapporteerde immers dat vooral de geneeskundige dienstverlening spaak liep, niet vanwege een gebrek aan burgerlijke hospitalen maar door hun gebrekkige werking en het tekort aan gekwalificeerd personeel. (68) Het optreden van het Belgische Rode Kruis in West-Vlaanderen werd in de loop van 1920 steeds uitgebreider. Vooral wanneer op 14 juni 1920 het Amerikaanse Rode Kruis zijn werkzaamheden in deze gebieden stopzette, werd de Belgische afdeling de hoofdverantwoordelijke voor de medische noden.
De medische dienstverlening aan de oorlogsslachtoffers stopte niet op het einde van de oorlog. L'Océan verhuisde bijvoorbeeld naar het privéhospitaal Berckendaal van dokter Depage te Brussel. Zowel de overblijvende gewonden van L'Océan De Panne als van L'Océan Vinkem werden na de definitieve sluiting van beide hospitalen in oktober 1919 naar Brussel overgebracht voor verdere verzorging.
In het proces-verbaal van 18 april 1918 wordt een eerste evaluatie gemaakt over de werking van het Belgische Rode Kruis: "Les circonstances ont démontré que la plupart des articles et statuts de la C.R.B. étaient inapplicables et qu'après la guerre actuelle l'association devrait être complètement réorganisée, chose impossible pour le moment."Deze ene zin somt de hele situatie keurig op. Er waren slechts drie leden benoemd voor het Directiecomité achter het front, terwijl dit er 15 moesten zijn. Bovendien konden deze drie personen natuurlijk ook niet alle functies op zich nemen. Het grote probleem was dat het Belgische Rode Kruis alleen uit vrijwilligers bestond. Op lokaal niveau waren dit voornamelijk dames van goede wil, maar vaak met weinig kennis. (69) Voor het nationaal comité kon men wel rekenen op gespecialiseerd personeel, maar was het Rode Kruis afhankelijk van de wil en tijdsinvestering van deze mensen. Verantwoording afleggen aan de voornaamste geldschieter, de Belgische overheid, viel moeilijk. De belangrijkste eis van de Staat was een betere administratie of minstens één die zijn belangrijke documenten kon bijhouden. Deze problematische relatie met de overheid, vooral met het Ministerie van Oorlog, culmineerde in 1918. Op de vergadering van 16 augustus 1918 werd besloten om bij de eerstvolgende Algemene Vergadering de kwestie van de statuten van de organisatie te bespreken en deze vervolgens aan te passen. Eén van de eerste maatregelen was de aanvulling van het Directiecomité tot zijn wettelijk kader van 15 leden. Aan het Ministerie van Oorlog werden begin 1919 dan ook 8 nieuwe leden voorgesteld. Deze nieuwe leden werden minder "nuttig" bevonden door het Belgische Rode Kruis: de praktijkervaring van de oorlog bleef, volgens de directie, hét middel voor de aanpassing van de organisatie. (70)
Na de Eerste Wereldoorlog was de tijd rijp om een andere wending aan de organisatie te geven door ook hulpverlening mogelijk te maken voor slachtoffers van rampen en ongevallen in vredestijd. In Genève werd de Liga van Rode Kruisverenigingen opgericht om een aangepast programma te ontwikkelen voor de vredestijd. Het waren deze aanpassingen die de reorganisatie van het Belgische Rode Kruis beïnvloedden. (71) Tegen 1922 was deze laatste een feit, met de oprichting van vaste centrale diensten onder leiding van directeur-generaal Edmond Dronsart. Het hoofddoel van de organisatie was eveneens veranderd. De oorlogstaak bleef dezelfde, maar in tijden van vrede moest zij nu ook instaan voor hulpverlening bij rampen en mocht het Belgische Rode Kruis andere Rode Kruisverenigingen bijstaan. Samenwerking met de Staat was nog steeds vereist, maar werd beter geregeld. Het Belgische Rode Kruis had nu een complementaire taak bij de activiteiten van de Medische Dienst van het Leger. Het financieel beheer werd in overleg met het Ministerie van Nationale Defensie geregeld. (72) Op het vlak van dienstverlening was deze reorganisatie een grote stap richting professionalisering. Zo werd het Medisch Comité een professionele dienst bestaande uit drie sectoren, respectievelijk de medische, de chirurgische en de hygiënische sector. Nieuw was ook de instelling van een Provinciaal Comité en een Provinciale Raad, een brug naar het lokale niveau. (73)

John Van Schaick, Jr.

John Van Schaick Jr. was bij aanvang van de Amerikaanse hulpverlening geen onbekende op het gebied van hulpverlening en hulporganisaties. In 1913 werd hij door president Wilson benoemd tot de "Board of Charities". (74) Ook was hij, zoals eerder vermeld, lid van de Rockefeller Foundation War Relief Commission, die in 1915 de eerste stappen van de Amerikaanse hulpverlening voor Europa zette.
Het Amerikaanse Rode Kruis zelf trad pas op in 1917 met de oprichting van een War Council onder leiding van Grayson M.P. Murphy, een gereputeerd zakenman. Dit centrale comité nam de hele organisatorische last van de oorlog op zich. De activiteiten vingen aan op 13 juni 1917, na de oprichting van een uitvalsbasis te Parijs waar de commissie tot de herfst van 1918 actief zou blijven. (75) Het duurde niet lang vooraleer een commissie voor Europa werd gecreëerd. (76) Ernest Bicknell en John Van Schaick Jr. werden verantwoordelijk voor het Departement of Social and Economic Conditions, respectievelijk als chief en assistent-chief. Hun eerste actieterrein was Frankrijk, maar vrij snel werd de Belgische situatie, een land waarvan het merendeel van het grondgebied bezet was, als een aparte casus ervaren. Op 20 augustus 1917 werd The Department for Belgium opgericht (77) onder leiding van Ernest Bicknell en John Van Schaick Jr. Het orgaan kanaliseerde Amerikaanse hulp onder Belgische verantwoordelijkheid. De Belgische politiek moest ten allen koste vermeden worden, waardoor de samenwerking met het vorstenpaar de toegangspoort vormde voor hulpverlening aan België. Op 3 september 1917 werd het hoofdkwartier van Bicknell en Van Schaick Jr. in Le Havre opgericht. Het departement zette zich voornamelijk in voor de Belgen in onbezet België en Noord-Frankrijk. In januari 1918 werd het departement een comité, maar het eigenlijke werk bleef zijn gewone gang gaan. Diezelfde maand werd Van Schaick zelf gepromoveerd tot de rang van majoor. De eigenlijke militarisering van the American Red Cross valt te vergelijken met het Belgische Rode Kruis. John Van Schaick Jr. werd de commissaris voor België in oktober 1918. Op 20 november 1918 installeerde de Red Cross Commission zich in Brussel en bleef werkzaam in België tot 19 april 1919. (78)

Archief

Geschiedenis

Het archief van het Directiecomité van het Belgische Rode Kruis

Het archief van het Belgische Rode Kruis heeft een bewogen geschiedenis gekend. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog werden er incidenten gerapporteerd, die de archiefvorming mogelijk bemoeilijkt hebben. De arrestatie van gravin Jean de Merode bij haar terugkeer naar Brussel op 6 december 1914 ging gepaard met de inbeslagname van haar bezittingen, waardoor documenten van het Directiecomité achter het front en van het Anglo-Belgisch Comité mogelijk naar een andere archiefvormer zijn verhuisd. Pertinenter was de ontbinding van het Directiecomité door de Duitse Gouverneur-Generaal voor België, generaal von Bissing. De afgevaardigde voor het Belgische Rode Kruis werd verantwoordelijk voor alle archieven van dit comité. Het order werd op 14 april 1915 uitgevaardigd om de hand te leggen op alle archiefbescheiden. (79) In hoeverre alle in beslag genomen archiefbescheiden later zijn teruggegeven aan het Belgische Rode Kruis is onduidelijk. Veelzeggend is ook het proces-verbaal van 7 april 1918 dat de Rode Kruisleden aanmaande om beter om te springen met hun documenten. Een bevraging van het Ministerie van Oorlog betreffende stukken ter financiële verantwoording leidde tot de conclusie dat veel van deze stukken niet door de Rode Kruisleden werden bewaard. De leden werden aangemaand om deze stukken aan de algemeen penningmeester of haar afgevaardigde te geven.
Archiefbescheiden bewaard bij de administratie van inspecteur-generaal Léopold Mélis werden in de loop van 1919 overgebracht naar de administratie van het Belgische Rode Kruis. De eerste verantwoordelijke voor het archiefbeheer was de secretaris-generaal van de organisatie, Georges Didier. In 1921 werden de deelarchieven van het Comité médical en het Bureau des Renseignements des Soldats Blessés à Calais overgedragen aan de Commissie van het Oorlogsarchief. Mogelijk heeft er ook een overdracht aan het Ministerie van Landsverdediging plaatsgevonden. In de briefwisseling is er immers een brief van 1925 aanwezig, waarin het Ministerie aangeeft dat "les archives et le matériel de l'hôpital de l'"Océan" que vous voulez bien mettre à notre disposition, seraient effectivement d'un grand intérêt..., tant au point de vue administratif qu'au point de vue scientifique." Deze brief was een reactie op een eerdere communicatie van Edmond Dronsart, directeur-generaal van het Belgische Rode Kruis, waarin hij een aanbod van schenking van registers, steekkaarten en medische observaties en radiografische platen deed. Of deze overdracht effectief heeft plaatsgevonden, is onduidelijk. Vast staat dat deze documenten niet in het Oorlogsarchief zijn terecht gekomen. Ook het Koninklijk Legermuseum bewaart deze bestanden niet. Het is eveneens mogelijk dat deze bescheiden zijn vernietigd. Van de archieven over de hospitalen na de Eerste Wereldoorlog weten we alleen dat een deel verloren ging door een overstroming van de kelder in het hospitaal van Antoine Depage in Brussel. Het betrof hier nota's van Depage rond 1925 over zijn project voor een hospitaal te Woluwe. De archiefbescheiden verzameld door dokter Louis Leboeuf werden in 1940 overgeheveld naar het Belgische Rode Kruis. Zij bevonden zich in de kast van de dokter op het Koninklijk Paleis. Het betrof hier documenten "relatifs aux soldats hospitalisés dans certaines ambulances pendant la guerre 1914-1918". (80)
Voor de jaren na de Tweede Wereldoorlog is de geschiedenis van het archief nauwelijks te achterhalen. Pas in de jaren 1970 duiken weer sporen op. Vast staat dat het archiefbeheer destijds ontoereikend was. Het gebeurde zelden dat diensten hun documenten hadden geïnventariseerd of zelfs geklasseerd. De meeste documenten bleven bij de archiefvormer op de verschillende bureaus bewaard en de overdracht naar het archiefdepot verliep allesbehalve systematisch. In 1970 werd een nieuw lokaal voorzien achter de parking van de ambulances op de hoofdzetel in Brussel. Het feit dat richtlijnen rond archiefbeheer pas zeven jaar later het daglicht zien, wijst erop dat weinig belang werd gehecht aan het archief (81) dat tot de verhuis van de organisatie in 2004 in deze kelder zou blijven. Wellicht bevond het archief in de jaren 1930-1960 zich in een vergelijkbare situatie. De mogelijkheid van ongecontroleerde vernietigingen op basis van een dienstorder uit 1970 valt niet uit te sluiten. (82) Samen met de verantwoordelijke van de logistieke dienst gold in de loop van jaren 1980 het beleid om bij plaatsgebrek stukken weg te gooien, al zijn er schijnbaar geen stukken vernietigd die dateren uit de Eerste Wereldoorlog en het Interbellum. Tenslotte was er de slechte beveiliging: de (pas in 2016 opgehelderde) ontvreemding van het rapport van de "Ambulance Palais Royal" is ongetwijfeld het resultaat van dit slecht beheer.
Tot 1983 was het archief in handen van Lucienne Delepine. De Documentatiedienst van het Rode Kruis was toen een mengvorm van bibliotheek- en archiefbeheer. Datzelfde jaar werd Luc De Munck aangeworven ter vervanging van de toen 65-jarige Delepine. Wellicht handelde Delepine voornamelijk als bibliothecaresse. Tijdens de inventarisatie hebben we vastgesteld dat delen en banden de stempel van de bibliotheek van het Belgische Rode Kruis droegen. In de typische werking van een documentatiedienst werd het archief van het Directiecomité thematisch ingedeeld. De vermenging van archief en documentatie bleek ook duidelijk wanneer bij inventarisering de onderwerpsmap van de 40ste verjaardag van 'L'Océan', De Panne werd aangetroffen. De Documentatiedienst hanteerde de documentaire benadering wellicht als een verwervingsstrategie.
Opvolger Luc De Munck betoonde interesse in de archieven en volgde de opleiding archivistiek in 1992-93. De bewaaromstandigheden van het archief zijn onder zijn leiding gaandeweg opgekrikt en in 1998 krijgt hij de afzonderlijke dienst Archief onder zijn hoede. Deze was weliswaar geen zelfstandige eenheid (en viel onder het departement Communicatie), maar betekende toch een opmerkelijk innovatie voor de NGO-sector. Het was de Vlaamse vleugel van het in 1972 geregionaliseerde Belgische Rode Kruis die in 1998 de archiefzorg op zich nam, louter en alleen omdat zij een archiefdienst hadden. (83)

Het archief van het "Comité médical"

Ook het archief van het Comité médical getuigt van weinig aandacht voor het archiefbeheer tijdens de oorlog zelf. Zo lijken de minuten van de processen-verbaal van het Medisch Comité door de heer Beckers te zijn bijgehouden (84), hoewel hij hiervoor geen enkel officieel mandaat of andere verplichting had. Het is door de ijver van één persoon dat dit cruciale type bestuursdocumenten bewaard is gebleven.
In de "Totenliste", opgesteld door het Zentral Nachweise Buro van het Internationale Comité van het Rode Kruis (20 mei-17 nov. 1919) bevindt zich een klad dat mogelijk een eerste poging is om een inhoudsoverzicht of plaatsingslijst op te stellen. De eerste grondigere inventarisatie gebeurde door Etienne Sabbe in de jaren 1920 na hun overbrenging naar de Commissie voor Oorlogsarchieven.

Verwerving

Het archief gevormd door het Belgische Rode Kruis tijdens de Eerste Wereldoorlog was lange tijd opgedeeld in twee aparte deelbestanden die pas de afgelopen jaren werden herenigd.
Na de Eerste Wereldoorlog gaf toenmalig Algemeen Rijksarchivaris Joseph Cuvelier de aanzet tot de oprichting van de "Commissie van het Oorlogsarchief". De Commissie, bij Koninklijk Besluit van 15 november 1919 ingesteld, moest alle archieven bundelen van de organen, die specifiek waren opgericht tijdens de Eerste Wereldoorlog. In februari en mei 1921 schonk het Rode Kruis aan de Commissie van het Oorlogsarchief "259 casiers, 2 caisses de fiches, 32 classeurs, divers dossiers et 2 grandes caisses de fiches" (opgenomen in het Aanwinstenregister onder nrs. 80 en 208). Op de steekkaartenreeksen na werden de archieven samengevoegd onder de noemer "Archief van het Medisch Comité van het Rode Kruis" en vervolgens in de loop van de jaren 1920 geïnventariseerd door Etienne Sabbe. Deze inventaris werd voltooid door Pierre-Alain Tallier in 2002.
Het rapport van de Commissie van het Oorlogsarchief uit 1922 vermeldt dat de steekkaarten niet in geordende staat bij de Commissie zijn beland. Een alfabetische originele orde werd vastgesteld, maar deze had geleden onder "différents voyages que [les fiches] avaient dû faire". Vooral de ladekasten van Le Havre waren zeer wanordelijk. Daarenboven was er een groot aantal steekkaarten dat niet in bakken of kasten zat. Door de frequente aanvragen van deze archiefbescheiden zag de Commissie zich genoodzaakt om ze te ordenen. Hierbij werden verschillende series gevormd om opzoeking te vergemakkelijken. Het eindresultaat in 1922 was dat de Commissie ongeveer 485.000 Rode Kruissteekkaarten in zijn bezit had, waarvan er nog ongeveer 50.000 geordend moesten worden. (85)
In 2004 sloot het Belgische Rode Kruis met het Algemeen Rijksarchief een overeenkomst voor de bewaargeving van het historisch archief uit de periode 1864-1999. Twee deelbestanden werden overgeheveld naar het gebouw van Rode Kruis-Vlaanderen te Mechelen, in functie van een geplande inventarisatie: het archief van zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog. Pas in 2012 werd het archief met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief, in de nasleep van de inventarisatie door Bart Cornel in het kader van diens Manama-stage Archivistiek en Hedendaags Documentbeheer. Hiertoe behoorde ook archief gevormd door John Van Schaick Jr. van het Amerikaanse Rode Kruis, dat in 2004 aan het Belgische Rode Kruis werd geschonken door Richard Norton, een achterneef van Van Schaick Jr.
In 2015 is het Belgische Rode Kruis overgegaan tot een schenking van de archiefbestanden die stelselmatig bij het Algemeen Rijksarchief waren neergelegd, waaronder ook de archieven die het voorwerp uitmaken van onderhavige inventaris.

Inhoud

Dit archiefbestand heeft voornamelijk betrekking op de werking van het Belgische Rode Kruis in België en Noord-Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog, alsook op ondersteunende activiteiten die werden opgezet in Nederland en Groot-Brittannië in jaren 1914-1919. Het archief van John Van Schaick Jr. behandelt vooral de relatie en samenwerking tussen het Amerikaanse en het Belgische Rode Kruis tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Tenslotte is ook de reorganisatie van het Belgische Rode Kruis na WO I gedocumenteerd.
Het archief vormt geen geheel dat na de oorlog mooi werd weggeborgen: de archiefvormer heeft nooit veel belang gehecht aan zijn archieven. Dit verklaart waarom een organisatie zoals 'L'Océan,' De Panne met 470 personeelsleden (86) nauwelijks enige archiefbescheiden heeft achtergelaten. De grote hoeveelheid opnamelijsten van lokale "ambulances" en hospitalen vloeit dan weer voort uit een reglement van inspecteur-generaal Mélis uit 1914. Elke "ambulance" was verplicht om een register (87) te hebben met de voor- en achternamen van opgenomen militairen, hun regiment, bataljon, compagnie, stamboomnummer, geboortedatum, datum van opname, aard van verwonding, exacte oorzaken, datum en wijze van ontslag uit de "ambulance". Deze gegevens vormen een cruciale bron voor de medische geschiedenis van de Belgische militair tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wanneer een militair overleed, moest het hoofd van de "ambulance" telegrafisch de commandant van de provincie en de burgemeester van de stad verwittigen. Die administratieve verwerking is de hoofdreden van de contacten tussen het Belgische Rode Kruis en de steden en gemeenten. Het waren precies deze instellingen die in de latere jaren van de oorlog als nieuwe vragende partij het Belgische Rode Kruis contacteerden, vermits het Belgisch Leger in bezet België zijn administratieve taken niet kon uitvoeren. Steden en gemeenten moesten bijgevolg een alternatief zoeken om de burgerlijke stand aan te passen: de bewijskracht van deze documenten verzekerde hun bewaring.
De verschillende steekkaartenreeksen zijn een belangrijke bron voor zowel genealogisch onderzoek als voor de medische geschiedenis van het Belgisch Leger in 1914-1918. De steekkaarten bevatten de naam en voornaam van de militair, zijn eenheid en graad, plaats van domicilie, geboortedatum en medische geschiedenis. Dit is de geregistreerde informatie waarover het Belgische Rode Kruis beschikte, hoofdzakelijk met betrekking tot Belgische militairen. Af en toe duiken echter ook andere nationaliteiten op in de reeks, zoals Franse (doorgaans Noord-Afrikaanse) soldaten. De vermenging van het Belgische en het Franse leger was immers zeer groot in de begindagen van het IJzerfront.
Het archief van het "Comité Médical" bestaat voornamelijk uit archiefstukken gevormd door het ondergeschikte Bureau de Renseignements sur soldats malades, blessés ou morts. Alleen de processen-verbaal van het "Comité Médical" geven inzicht in de communicatie met de lagere echelons. De processen-verbaal van dit comité (88) zijn opgenomen in de voor- en naoorlogse processen-verbaal van het Directiecomité. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze documenten in 1914 met het comité meegereisd naar Frankrijk en heeft het Directiecomité het niet nodig geacht om bij de creatie van het Directiecomité achter het front een nieuwe reeks op te stellen. Het ontbreken van de processen-verbaal van het Directiecomité in bezet België is dan wellicht weer te wijten aan de ontbinding van dit comité in 1915.
Het archief van Van Schaick Jr. bevat tenslotte een groot aantal foto's met betrekking tot de activiteiten van het Rode Kruis en diverse verenigingen in de frontzones en in Frankrijk.

Taal en schrift van de documenten:

De meest voorkomende taal is het Frans. Nederlands wordt soms gebruikt in relatie tot particulieren of organisaties gevestigd in Vlaanderen. Bij archiefbescheiden met betrekking tot de Duitse overheid is het Duits vanzelfsprekend de voertaal.

Selecties en vernietigingen

In het archief van het "Comité Médical" zijn de handgeschreven afschriften vernietigd van de door het Ministerie van Oorlog gepubliceerde lijsten van gesneuvelde soldaten in het Staatsblad. Het gaat immers om kopieën van lijsten die al elders in de inventaris zijn opgenomen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn belangrijke archiefstukken en verwant materiaal verloren gegaan. Archieven van de veldhospitalen Bourbourg, Cabour, Hoogstade, Petit Fort Philippe, Vinkem en Beveren-aan-de-IJzer, verschillende King Albert's Hospitals in London en verscheidene verwante organisaties zijn verdwenen. De gaten in dit conglomeraatsarchief zullen wellicht ook nooit meer worden opgevuld.
Hoewel er zeer veel materiaal van hospitalen aanwezig is, zijn er ook op dit vlak belangrijke lacunes. Het meest frappant zijn de medische observaties van de vooruitgeschoven posten aan het front. Hoewel zij verplicht waren deze stukken nauwkeurig bij te houden en naar 'L'Océan', De Panne te versturen, is geen van deze documenten bewaard gebleven. Helaas zijn de opnameregisters ook niet de enige documenten die ontbreken. Een vooruitgeschoven post was immers ook verplicht om heel nauwkeurig de bezittingen van elke militair te noteren: een eerste "fiche" met alle bezittingen werd ondertekend door de militair in kwestie of, wanneer dit onmogelijk bleek, door de verpleegster en een betrokken brancardier, terwijl een tweede "fiche" een overzicht gaf van alle waardevolle voorwerpen van de militair. Beiden werden in aparte zakken met de militair naar De Panne gestuurd. Het betreft in dit geval wel zeer kwetsbare documenten die opgesteld moesten worden in soms hachelijke situaties. Tevens moet rekening houden met het geringe administratief nut van de documenten indien een militair zijn bezittingen kon terugeisen. Wellicht werden de meeste stukken dan ook vrij snel vernietigd.

Toekomstige aangroei/aanvullingen

Een aantal archiefreeksen met betrekking tot (de lokale afdelingen van) het Belgische Rode Kruis tijdens de Eerste Wereldoorlog worden nog bewaard in een depot van de privéfirma OASIS te Turnhout. Mogelijks worden deze stukken later nog als een apart deelbestand aan dit archief toegevoegd.

Ordening

Het archief dat het voorwerp uitmaakt van deze inventaris, bestond aanvankelijk uit vier verschillende blokken: het archief van het Directiecomité (in bezet België en achter het front), het archief van de Comités opgericht door het directiecomité, het archief van de lokale afdelingen en het archief van John Van Schaick Jr. Tenslotte werd ook een reeks voorwerpen achteraan het bestand toegevoegd.
Wat het Medisch Comité betreft, weerspiegelde de orde van de "Commissie voor het Oorlogsarchief", ingegeven door de bewijsfunctie van de documenten in de jaren 1920, niet de verschillende functies en diensten van het Belgische Rode Kruis. In deze inventaris is dan ook waar mogelijk de archiefvormer geïdentificeerd. Stukken van het Medisch Comité die pas in 2012 waren overgedragen (cf. supra), werden geïntegreerd in dit deelbestand. (89) De stukken zijn in de aangepaste organisatiestructuur geplaatst, waarbij de meeste archiefbescheiden niet door het Medisch Comité zelf werden gevormd, maar van het ondergeschikte "Bureel voor Inlichtingen betreffende zieke, gewonde of overleden soldaten". Enkel waar het Bureel voor Inlichtingen niet expliciet als archiefvormer kon worden geïdentificeerd, zijn de archiefbescheiden onder het Medisch Comité geplaatst. De stukken waren immers gericht aan het "Comité Médical" en werden als dusdanig geordend in functie van hun plaats in de originele samenhang.

Voorwaarden voor de raadpleging

Alle stukken die het voorwerp van deze inventaris uitmaken, zijn vrij raadpleegbaar. Indien er een digitale kopie van sommige stukken voorhanden is, zal enkel deze ter raadpleging worden gegeven.

Voorwaarden voor de reproductie

Voor de reproductie van archiefstukken gelden de voorwaarden en tarieven van toepassing in het Algemeen Rijksarchief.

Fysieke kenmerken en technische vereisten

De meerderheid van de archiefstukken zijn leesbaar zonder gebruik te maken van technische hulpmiddelen. De bescheiden zijn globaal gezien in goede staat, maar in geval van gedigitaliseerde stukken zijn enkel de digitale kopieën raadpleegbaar.

Toegangen

De archieven van het "Comité médical" maakten het voorwerp uit van voorlopige inventarissen (door Sabbe en Tallier) die als basis dienden voor de ordening van dit deelbestand.

Aanwijzingen voor het gebruik

Hou er bij opzoeking van namen in de reeks steekkaarten steeds rekening mee dat de naam die u wenst te vinden niet exact dezelfde spelling heeft. Namen kunnen immers fout geschreven zijn of een andere, verouderde spelling hebben. Wees dus steeds behoedzaam voor de kleine variaties in een familienaam.

Documenten met een verwante inhoud

Het Algemeen Rijksarchief bewaart archieven van talloze liefdadigheidswerken en verenigingen die tijdens WO I door het Belgische Rode Kruis werden gesteund, alsook de (deels bewaard gebleven) archieven van verschillende burgerhospitalen nabij het front. De rol van het Belgische Rode Kruis tijdens WO I is uiteraard ook uitvoerig gedocumenteerd in de archieven van koning Albert I en in het bijzonder van koningin Elisabeth, bewaard in het Archief van het Koninklijk Paleis.
Naast het Rijksarchief bewaart de archiefdienst van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsmacht (KMLK) diverse aanvullende bestanden. Een eerste voorbeeld is het fonds van de archieven "Service de Santé et Croix-Rouge, 1831-1914" waarin o.m. de mobilisatie van het Belgische Rode Kruis in augustus 1914 aan bod komt. Het betreft stukken over de reglementering van de mobilisatie en de organisatie van de ambulances en sanitaire treinen. Het bestand bevat bovendien verscheidene stukken inzake de organisatie van het Belgische Rode Kruis en de samenstelling van lokale Rode Kruisafdelingen in de jaren 1880-1910. (90) Deze archieven zijn ontsloten door de inventaris van M. Vilain. In tweede instantie bewaart het KMLK en het ARA het archief van de Belgische Middendienst voor de krijgsgevangenen. Die bestanden bevatten verwant materiaal betreffende de werking van het Belgische Rode Kruis inzake krijgsgevangenen en zijn ontsloten via een inventaris van Erik Janssen. (91) Ook het archief van de overkoepelende dienst, nl. het Korps van de Krijgsgevangenen, (92) bevat verwant materiaal. Het betreft hoofdzakelijk archiefbescheiden in relatie tot de veldhospitalen van het Belgische Rode Kruis.
Het privéarchief van dokter Antoine Depage wordt bewaard bij de Service des Archives de l'Université Libre de Bruxelles (ULB). Het bestaat vooral uit archiefmateriaal inzake de rol van Depage als professor aan deze universiteit, met name aan de faculteit geneeskunde van de ULB. Betreffende het Rode Kruis gaat dit archief voornamelijk in op de activiteiten van Depage in de eerste helft van de jaren 1920.

Bibliografie

AMARA M., D'HOOGHE V. en VANDEN BOSCH H. (onder leiding van TALLIER P.-A.), Archievenoverzicht betreffende de Eerste Wereldoorlog in België, 2 dln (Studies over de Eerste Wereldoorlog. 17), Brussel, 2010.
Ambulance du Palais-Royal. Bruxelles, 1914-1919
, s.l. [1919].
COLARD A., Depage. In: Biographie Nationale, deel 35, Brussel, 1970, pp. 171-180.
DE MUNCK L., Het Belgische Rode Kruis en de Eerste Wereldoorlog. Bronnenoverzicht en recent onderzoek. In: BOIJEN R. & TALLIER P.-A. (ed.)., België en de Eerste Wereldoorlog: Bronnen. Stand van het onderzoek. Acta van het colloquium van 8 en 9 november 2001, Brussel, 2002, pp. 191-210.
DE MUNCK L., De Grote Moeder in de Grote Oorlog. De hulpverlening van het Rode Kruis tijdens de Eerste Wereldoorlog / La Grande Mère dans la Grande Guerre. Les secours de la Croix-Rouge au cours de la Première Guerre mondiale, Ieper, 2000.
DE MUNCK L. De werking van het Belgische Rode Kruis in bezet gebied tijdens de Eerste Wereldoorlog. In : AMARA M., JAUMAIN S., MAJERUS B. e.a. (red.). Une guerre totale? La Belgique dans la Première Guerre mondiale. Nouvelles tendances de la recherche historique. Actes du colloque internationale organisé à l'ULB du 15 au 17 janvier 2003 (Studies over de Eerste Wereldoorlog. 11), Brussel, 2005, pp. 183-197.
DE MUNCK L. en VANDEWEYER L., Het hospitaal van de Koningin. Rode Kruis, L'Océan en De Panne, De Panne, 2012.
DEPAGE H., L'ambulance de L'Océan à La Panne. Sa fondation, son évolution, son organisation. In: DEPAGE, A. (dir). Ambulance de L'Océan La Panne. Fascicule I, Parijs, 1917, p. 5-64.
DEPAGE H., La vie d'Antoine Depage, Brussel, 1956.
JANSSEN E., Inventaris van het archief van de Dienst voor de Duitse krijgsgevangenen van de Belgische Middendienst voor de krijgsgevangenen 1914-1921 (1922-1926), Brussel, 2011.
JANSSENS P., Belgische veldhospitalen tijdens de Eerste Wereldoorlog (Studies over de Eerste Wereldoorlog. 1), Brussel, 2001.
JONES L.C., La Croix-Rouge Américaine et la Belgique, Genève, 1919.
L'effort de la Belgique occupée pour les prisonniers de guerre
, Brussel, 1918.
MAES K., Inventaris van het archief van het directiesecretariaat van Belgische Rode Kruis-Vlaamse Gemeenschap (1927-; 1972-1984), Licentiaatsverhandeling, Vrije Universiteit Brussel, 2002.
MATHIEU J., De Eerste Wereldoorlog en zijn gevolgen. In: EVRARD E. en MATHIEU J. Asklepios onder de wapens. 500 jaar militaire geneeskunde in België, Brussel, 1997, p. 233-279.
MÉLIS L., Contribution à l'histoire du Service de Santé de l'Armée au cours de la guerre 1914-1918, Brussel, 1932.
MINOT J.-P. La Croix-Rouge de Belgique : son status et ses rapports avec la puissance publique, Licentiaatsverhandeling, Université Libre Bruxelles, 1978.
PIEN P., La médecine sur le front belge durant la Première Guerre mondiale: Progrès médicaux et monde médical en guerre, Masterverhandeling, Université Catholique Louvain-la-Neuve, 2005.
PLISNIER F., Inventaire des archives des Hôpitaux Civils du Front, 1914-1918, Brussel, 2008.
TALLIER P.-A., Inventaire des archives de la Commission des Archives de la Guerre, 1919-1945, Brussel, 1997.
VANDEN BOSCH H., Inventaris van het archief van het Belgisch Inlichtingsbureel voor Krijgsgevangenen en Geïnterneerden in Brussel, 1914-1919, Brussel, 2009.
VAN DER SLIJCKEN K., Rode Kruis-Vlaanderen. Actuele structuurstudie en ordeningsplannen, Licentiaatsverhandeling, Vrije Universiteit Brussel, 1997.
VAN SCHAICK JR. J., The Little Corner Never Conquered. The Story of the American Red Cross War Work for Belgium, New York, 1922.
VAN SCHAICK JR. J., Croix-rouge américaine. L'oeuvre pour la Belgique: Sommaire des Activités de la Commission pour la Belgique, sept. 1917-dec. 1918, Brussel, z.d.
VILAIN M., Inventaire du fonds d'Archives " Service de Santé et Croix-Rouge, 1831-1914 ", Brussel, 1981.

Beschrijvingsbeheer

Het volledige archief van het Belgische Rode Kruis gevormd tijdens en meteen na de Eerste Wereldoorlog en het archief van John Van Schaick Jr. werden in 2011-2012 definitief geordend en beschreven door Bart Cornel in opdracht van Rode Kruis-Vlaanderen. Dit werk was gebaseerd op de beschrijvingen verwezenlijkt door Etienne Sabbe en Pierre-Alain Tallier voor wat betreft de archieven die zich al op het ARA bevonden. De inventaris is tot stand gekomen als opleidingsonderdeel van de ManaMa Archivistiek: Erfgoed- en Hedendaags Documentbeheer aan de Vrije Universiteit Brussel. In het najaar van 2015 vond de digitalisering plaats van de steekkaarten over gewonde militairen, afkomstig van het Medisch Comité. Begin 2017 werd de inventaris herwerkt door Michaël Amara, Filip Strubbe en Luc De Munck met het oog op de publicatie in de reeks "Inventarissen Algemeen Rijksarchief". Terzelfdertijd werd het archief verpakt door Faissal Beddi.

Télécharger l'inventaire publié- Download de gepubliceerde inventaris

1Kladversies van uitgaande brieven van het Directiecomité aan het Ministerie van Oorlog betreffende hun taakuitvoering, kladversies van de processen-verbaal van het Directiecomité en het Medisch Comité betreffende de lokale afdelingen en ingekomen brieven betreffende gewondenverzorging. (1885, 1892, 1894, 1897) 1913-1914.1 omslag
 2dec. 1914-1918, 28 feb. 1919. Alle stukken zijn gevormd door het Directiecomité in het niet door de Duitsers bezette deel van België. Vanaf eind 1915 is er slechts maandelijks of om de twee à drie maanden een proces-verbaal. Bevat de minuut van het rapport van het "Directiecomité achter het front" (28 feb. 1919) en één krantenartikel.1 pak
 31919-1920.1 omslag
4Nota betreffende het verzoek van oprichting van een Comité d'Assistance. [ca. 1918].1 stuk
5Dossier inzake de ontslagname en aanstelling van enkele bestuursleden van het Belgische Rode Kruis. 1919-1921.1 omslag
6Dossier inzake de Algemene Vergadering van het Belgische Rode Kruis van 6 juni 1920. 1920.1 omslag