Inventaris van het archief van de Officialiteit in Brussel, 1448-1796.

Archive

Name: Officialiteit in Brussel - Officialité à Bruxelles

Period: 1448 - 1795

Archive repository: State archives in Brussels (Forest)

Heading : Catholicism

Inventory

Authors: Van Gelder Klaas

Year of publication: 2026

Code of the inventory: I 104

...

Archiefvormers

Naam

• Mechelse officialiteit in Brussel (in hoofdzaak)
• Kamerijkse officialiteit in Brussel (1 band)
• Officialiteit van het aartsdiakenschap van Brabant (bisdom Luik) (1 dossier)

Geschiedenis

De meeste documenten in dit bestand werden opgesteld door of voorgelegd aan de officiaal in Brussel of diens medewerkers, al wisselden het juridische statuut en de competentiekorf van de Brusselse officialiteit grondig doorheen de tijd. De voornaamste bestaansreden van een eigen officialiteit (of bisschoppelijke rechtbank) in Brussel was de Blijde Inkomst van Brabant uit 1356, het constitutionele charter dat stipuleerde dat Brabanders niet voor een kerkelijke of wereldlijke rechtbank buiten het hertogdom konden worden gedaagd. Dit zogenoemde privilegium de non evocando, dat al vervat was in de Gouden Bul van 1349, door Rooms koning Karel IV aan de Brabanders verleend, botste met de locatie van de zetels van de bisdommen die ook Brabants territorium omvatten. Tot de hervorming van de Nederlandse bisdommen in 1559 waren dat Kamerijk en Luik. Om zaken van Brabanders te kunnen behandelen, werd daarom respectievelijk in Brussel en Leuven een officiaal aangesteld. De officialiteit van Kamerijk in Brussel was minstens vanaf 1422 werkzaam. In 1448 verkreeg de Brusselse officiaal de status van een volwaardige kerkelijke rechter. Wellicht niet toevallig is dat ook de begindatum van het enige bewaard gebleven register van de Kamerijkse officialiteit in Brussel (nr. 1 in deze inventaris) (1).
De vorming van het aartsbisdom Mechelen in 1559 betekende geen breuk in de werking van de officialiteiten in Brussel en Leuven, hoogstens kwam er een officialiteit in Mechelen bij. Toen aartsbisschop Mathias Hovius (1596-1620) in een Brabantse enclave in Hombeek een kerkelijke rechtbank installeerde voor het hele aartsbisdom, bleef in Brussel slechts een romprechtbank over. Een commissaris handelde er in afwachting van het bezoek van de officiaal de eerste fasen van de rechtszaken af. Hoezeer de werking van de Brusselse officialiteit samenhing met de persoonlijkheid van individuele aartsbisschoppen, bleek onder Hovius' opvolger Jacobus Boonen (1621-1655). Boonen hield zich veel vaker op in de nabijheid van het Brusselse hof en de Brusselse bestuursinstellingen. In zijn zog was ook de officiaal steeds frequenter in de hoofdstad aanwezig. Dat bleef ook onder Andreas Creusen (1657-1666) het geval, hoewel op dat ogenblik Brabanders feitelijk gedaagd werden in een herberg op de Pasbrug, Brabants grondgebied vlakbij de grens met Mechelen (2).
Die situatie veranderde in 1665 toen de Grote Raad van Mechelen een verbod uitvaardigde om nog langer een quasi-permanente officiaal in Brussel te handhaven. Dit hield een terugkeer in naar een louter gedelegeerde commissaris in Brussel. Onder aartsbisschop Alphonse de Berghe (1671-1689) werd Brussel opnieuw officieel de vaste zetel van een officialiteit, zij het enkel voor zaken uit de landdekenijen Brussel, Leuven en Sint-Pieters-Leeuw. Deze situatie hield aan tot 1711 (3).
De strijd om een volwaardige Brabantse officialiteit in Brussel barstte opnieuw los naar aanleiding van een rechtszaak tegen de pastoor van Terhulpen in 1728. Die pastoor, Jan-Baptist Hendrickx, baseerde zich op het privilegium de non evocando om zijn dagvaarding op de Pasbrug te negeren. Daarop ontspon zich een juridisch steekspel waar tal van lokale, gewestelijke en centrale overheden, zowel wereldlijk als geestelijk, in betrokken raakten: de schepenbank van Brussel, de Raad van Brabant, de Staten van Brabant, de Geheime Raad, de aartsbisschop en zelfs de landvoogd(es). Zij namen stelling over de geldigheid van de Blijde Inkomst en haar aanvullingen uit de vroege 16e eeuw en putten voor hun argumenten rijkelijk uit de bewogen institutionele geschiedenis van de Brusselse officialiteit. Zeer duidelijk stonden daarbij de relaties tussen de wereldlijke overheid en de Kerk op het spel. In 1730 ging de storm zonder heldere uitkomst liggen, om bij het overlijden van aartsbisschop Thomas-Philippe d'Alsace (1713-1759) en de aanstelling van zijn opvolger Johannes-Henricus de Franckenberg (1759-1801) opnieuw in alle hevigheid los te barsten. In 1759 verzochten de Staten van Brabant namelijk andermaal om een eigen Brabantse officialiteit. Het compromis op de Pasbrug, waarbij veel proceshandelingen feitelijk in de Mechelse officialiteit en dus buiten Brabant gesteld werden, wekte hun ergernis op. In 1760 volgde een eerste aartsbisschoppelijke toegeving: met Carolus Leyniers werd een nieuwe Brabantse officiaal in Brussel aangesteld, zij het opnieuw enkel voor de landdekenijen van Brussel, Leuven en Sint-Pieters-Leeuw. De kwestie raakte definitief opgelost via de landvoogdelijke ordonnantie van 1 december 1762 waarmee finaal een volwaardige officialiteit in Brussel werd ingericht. Het merendeel van de bewaarde processen in dit archiefbestand stamt uit die periode (4).
De Brusselse officialiteit bleef functioneren tot de Franse bezetter in 1795 haar activiteiten, net zoals die van tal van andere kerkelijke en wereldlijke rechtbanken in de Zuidelijke Nederlanden stopzette. Een handvol dossiers werd nog aangevuld of afgewerkt tot in 1796.
In de documenten die in de loop der jaren aan het ongeïnventariseerde bestand 'Officialiteit in Brussel' werden toegevoegd, is er een van een andere archiefvormer. Het gaat om een procesdossier (nr. 58 in deze inventaris) behandeld door de officialiteit van de aartsdiaken van Brabant, één van de acht Luikse aartsdiakens. Het bisdom Luik bleef, in tegenstelling tot de meeste andere bisdommen, ook in de vroegmoderne tijd verdeeld in territoriaal geordende aartsdiakenschappen (of aartsdiaconaten), waaronder die van Brabant. De Luikse bisschop was naast het hoofd van een bisdom namelijk ook een wereldlijk vorst - een prinsbisschop. Om die reden werd zijn kerkelijke macht feitelijk uitgeoefend door de aartsdiakens. Zij benoemden pastoors en deden visitaties. Elk aartsdiakenschap had daarenboven een eigen officialiteit (5).

Bevoegdheden en activiteiten

De officiaal voert in principe de rechterlijke macht uit van de bisschop binnen diens bisdom. Toen officialiteiten zich in de Late Middeleeuwen als volwaardige bisschoppelijke rechtbanken hadden ontwikkeld, strekte hun bevoegdheid zich ten eerste uit over geestelijken, die het privilegium fori genoten. Deze bevoegdheid ratione personae omvatte zowel strafrechtelijke als burgerlijke zaken. Ten tweede kon de officiaal ook burgerlijke en strafrechtelijke zaken van leken behandelen. Het ging dan om rechtszaken die qua thematiek als 'geestelijk' werden beschouwd (bevoegdheid ratione materiae). In feite betrof de jurisdictie ratione materiae alle kwesties inzake de spiritualiteit en het zedelijke leven van de gelovigen, zoals het verzuimen van de paasplicht, de ontheiliging van zon- en feestdagen (tot 1607) of inbreuken op de huwelijkswetgeving. Daarnaast omvatte dit de zogenoemde causae mixtae - gemengde zaken die zowel door kerkelijke als wereldlijke rechtbanken werden behandeld, zoals concubinaat of, vanaf 1607, de eerbiediging van de zondagsrust. Wat tot de causae mixtae behoorde, varieerde dus doorheen de tijd en was afhankelijk van de machtsverhoudingen tussen de Kerk en de wereldlijke overheid. (6) Ten derde bestond er van oudsher een asielrecht voor delinquenten in gewijde ruimtes zoals kerken, kerkhoven en kloosters (bevoegdheid ratione loci) (7). Geleidelijk, te beginnen in de vroege 15e eeuw, werd dit asielrecht steeds meer beknot tot het in de 18e eeuw nog slechts voor een beperkt aantal delinquenten en lichtere misdrijven gold (8). In de genoemde kwesties kon de officialiteit ambtshalve optreden, vaak nadat een klacht was ingediend, of een forum bieden aan private personen die tegen elkaar wilden procederen. De grens tussen het criminele of strafrechtelijke en het burgerlijke of civiele is bij de officialiteit, net als voor andere vroegmoderne rechtbanken, heel poreus en een kwestie van procedures eerder dan inhoudelijk netjes afgebakende materies (9).
In het algemeen moesten de officialiteiten in de vroegmoderne tijd steeds meer terrein prijsgeven aan wereldlijke rechtbanken. Tijdens de 17e en 18e eeuw drongen wereldlijke rechtbanken bijvoorbeeld steeds vaker binnen in de jurisdictie ratione materiae, onder andere wat betreft het eerbiedigen van de zondagsrust of betwistingen omtrent beneficies. Dit was overigens niet louter een beweging van bovenaf, zoals ook het hoger aangehaalde voorbeeld van de pastoor van Terhulpen in 1728 aantoont. Die verzette zich tegen zijn dagvaarding op de Pasbrug door zich tot de wereldlijke Raad van Brabant te wenden (10). Wat in de tweede helft van de 18e eeuw tot slot nog overbleef, waren, blijkens de stukken bewaard in dit bestand, hoofdzakelijk processen betreffende het niet naleven van huwelijksbeloftes, defloratie en de daaruit volgende eis tot een huwelijk, scheiding, en verzet tegen geplande huwelijken.
De officialiteit bezat ook enkele competenties die we onder gracieuze rechtspraak kunnen classificeren, zoals het verbreken van verlovingen. Ook het verlenen van huwelijksdispensaties valt onder deze noemer. Dit was een pauselijk voorrecht dat via de (inter)nuntius aan de officiaal werd gedelegeerd. Dit bestand bevat meerdere huwelijksdispensaties voor inwoners van het aartsbisdom Mechelen (nrs. 46 en 52 t.e.m. 57), hoewel deze hoogstwaarschijnlijk niet louter het hertogdom Brabant betreffen (in één stuk is sprake van inwoners van Lovendegem).
Onder Jozef II werden de tegenstellingen tussen Kerk en staat op de spits gedreven, maar enkele ordonnanties, bijvoorbeeld inzake de afschaffing van de geestelijke immuniteit, bleven dode letter (11). Dit archiefbestand laat mogelijk toe om na te gaan in hoeverre de Jozefijnse hervormingen een impact hadden op de dagdagelijkse werking van een officialiteit.

Organisatie

De voorzitter van de bisschoppelijke rechtbank is de officiaal, altijd een geestelijke met een diploma in de beide rechten of in de theologie. Aan hem werd de rechtsmacht van de bisschop gedelegeerd.
De promotor trad op als openbaar aanklager, hij spoorde overtreders van kerkelijke voorschriften op, daagde hen en klaagde hen aan. In principe dienden de promotoren een register bij te houden van alle door hen aangeklaagde personen (cf. nr. 39 in deze inventaris). In het bisdom Mechelen waren er doorgaans twee promotoren met een geografische taakverdeling. De zegelaar zegelde de dagvaardingen en vonnissen, hield een register bij van de overtreders of gedaagden en inde in veel gevallen ook de boetes, terwijl de advocatus fiscalis voor de zaken ingesteld door de promotor, de bundel moest samenstellen met alle documenten.
De griffier - scriba of graphiarius - verzorgde de administratie van de officialiteit. Daarnaast kon er bij een officialiteit een notaris werkzaam zijn, die de beslissing om in hoger beroep te gaan, meedeelde aan de officiaal.
Een commissaris trad op in enkele speciale gevallen, zoals bij armoede van één van de partijen of om een andere reden waardoor een snelle afhandeling van de zaak aangeraden was.
Appariteurs waren lagere gerechtsdienaars die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen. Zij overhandigden dagingen, stonden soms in voor de strafuitvoering of zorgden voor de publieke aanplakking van vonnissen van bij verstek veroordeelden.
Daarnaast werden de partijen bijgestaan door advocaten en procuratoren (12).
De precieze samenstelling van de Brusselse officialiteit in de tweede helft van de 18e eeuw kan enkel vastgesteld worden door grondig onderzoek van de stukken in dit bestand in combinatie met stukken in verwante archieven (cf. infra). Jozef De Brouwer heeft in zijn naslagwerk over de kerkelijke rechtspraak in de bisdommen Antwerpen, Gent en Mechelen een lijst opgenomen van de Brusselse officialen, promotoren, griffiers en advocaten-fiscaal (13).
In de 15e-eeuwse Kamerijkse officialiteit in Brussel waren er naast de officiaal twee promotoren actief: Jan Repelshorst alias de Clevis en Jan Rampaert. Daarnaast waren er scribae of griffiers, waarvan één ook als auditor en notaris optrad, en procuratoren (14).

Archief

Tijdens de Franse Revolutie werden tal van kerkelijke instellingen, waaronder ook de bisschoppelijke rechtbanken, afgeschaft. In die woelige periode ging een groot deel van het Brusselse officialiteitsarchief verloren. Blijkens een bewaard gebleven inventaris uit 1831 van procesdossiers voor de Brabantse officialiteit werd het leeuwendeel van het huidige archiefbestand in juni 1830 opgehaald bij weduwe Huygens, mogelijk de echtgenote (of een dochter?) van de laatste griffier van deze rechtbank, N. Huygens (15). De auteur van de inventaris noteerde evenwel dat die stukken hoogstwaarschijnlijk toebehoord hadden aan een zekere procureur van Haesendonck. Dit zou kunnen verklaren waarom het in hoofdzaak om procesdossiers gaat en amper om kernarchief (16).
Het bewaard gebleven register van de Kamerijkse officialiteit te Brussel werd in 1899 aangekocht op een veiling van Sotheby, Wilkinson & Hodge in Londen door J. van den Gheyn, conservator van de handschriften in de Koninklijke Bibliotheek van België, ten behoeve van het Algemeen Rijksarchief. Het was sinds 1826 onderdeel van de handschriftencollectie van de Britse verzamelaar Sir Thomas Phillipps (1792-1872). De omzwervingen van dit stuk tussen de opheffing van de officialiteit in 1795 en de aankoop door Phillipps in 1826 zijn onbekend (17).
In 1903 telde het bestand 'Officialité ou Cour spirituelle à Bruxelles' 120 nummers die alle uit de 17e en 18e eeuw dateerden. Het 15e-eeuwse register was er toen klaarblijkelijk nog niet aan toegevoegd (18). Kort nadien kwam het tot een splitsing van dit bestand, want Édouard Laloire vermeldt in 1907 een bestand 'Cours synodales de Bruxelles (1665-1793)' met 104 nummers en een bestand 'Officialité de Bruxelles (1445-1795)' met 44 nummers. Die datering toont aan dat het stuk uit de collectie Phillipps in 1907 aan het officialiteitsarchief was toegevoegd, hoewel die band begint in 1448 en niet in 1445. Dit 15e-eeuwse register en de in 1830 opgehaalde stukken waren ten laatste in 1907 ook doorlopend genummerd van 1 tot en met 44 (19). Deze nummering werd in deze inventaris behouden.
Daarnaast werden in de loop der decennia drie portefeuilles met dossiers en losse stukken aan dit bestand toegevoegd. Het moment waarop die archivalia aan het Rijksarchief werden bezorgd, is onbekend. Van slechts één van die toegevoegde bestanddelen kennen we de herkomst: nr. 46, een bundeling van 44 laat-17e-eeuwse akten van huwelijksdispensatie, is afkomstig uit de handschriftencollectie van de Koninklijke Bibliotheek van België (20). Deze bundel met akten was aangekocht in Mechelen ("vente De Bruyne") tussen 12 en 21 mei 1890 (21).

Inhoud

Dit archiefbestand bestaat grotendeels uit procesdossiers die begin 20e eeuw thematisch werden gebundeld en ingebonden. Slechts weinig stukken behoren tot wat we het kernarchief van de officialiteit zouden kunnen noemen, zoals de inventarisnummers 1, 2 en 39 (22). Aan dit bestand werden op onbekende momenten na 1914 verschillende stukken en dossiers toegevoegd. In meerdere gevallen gaat het om procesdossiers die niet opgenomen waren in de banden 2 t.e.m. 44, maar er thematisch wel bij thuishoren. Daarnaast werden in de loop der jaren ook een reeks akten van huwelijksdispensatie aan dit bestand toegevoegd, uitgevaardigd door de opeenvolgende (inter)nuntii in Brussel via de officiaal aan inwoners van het aartsbisdom Mechelen.

Taal en schrift van de documenten

Het merendeel van de archiefbescheiden is opgesteld in het Nederlands of het Frans, afhankelijk van de moedertaal van de betrokken procespartijen. Toch bevatten heel wat dossiers ook Latijnse documenten. Enkele archiefbestanddelen zijn grotendeels of integraal in het Latijn gesteld (nrs. 1, 39, 43 en 58). Hetzelfde geldt voor de akten van huwelijksdispensatie (nrs. 46 en 52 t.e.m. 57).

Selecties en vernietigingen

Dit archiefbestand bevat uitsluitend documenten uit het ancien régime. Selectie of vernietiging is daarom niet aan de orde. De graad van bewaring is beperkt. Zo bevat dit bestand in hoofdzaak procesdossiers van de Brusselse officialiteit en opvallend weinig kernarchief.

Ordening

De archiefbestanddelen in dit bestand werden op verschillende momenten aan het Rijksarchief overgedragen en heel wat documenten van het kernarchief van de Brusselse officialiteit zijn verdwenen. De oorspronkelijke ordening kon derhalve niet meer gereconstrueerd worden. Bij de beschrijving is ervoor geopteerd om de ordening, zoals die begin 20e eeuw bij het inbinden van de dossiers tot stand kwam, te behouden. Dit geldt voor de nummers 1 t.e.m. 44 - die nummers werden namelijk ook op de rug van de banden gedrukt. De later aan het bestand toegevoegde stukken werden in deze inventaris thematisch bij de relevante banden ingedeeld of apart geklasseerd per archiefvormer. Een bijkomende reden voor het behoud van de oorspronkelijke nummering is het bestaan van twee lijsten met beschrijvingen op het niveau van het individuele dossier, waarbij voor de vindplaatsen naar de banden/nummers 2 t.e.m. 44 wordt verwezen:
• De hoger genoemde inventaris van de stukken uit 1831: deze handgeschreven inventaris bevat een lijst van alle procespartijen alsook de datum van de zaak, waaraan later in de linkermarge in potlood het bandnummer is toegevoegd, en in de rechtermarge in zwarte inkt het onderwerp (23).
• Het repertorium van bewaarde procesdossiers in de officialiteiten van Antwerpen, Gent en Mechelen, in DE BROUWER J., De kerkelijke rechtspraak en haar evolutie in de bisdommen Antwerpen, Gent en Mechelen tussen 1570 en 1795, deel 2, Tielt, 1972 (24).

Voorwaarden voor de raadpleging

Het archief is ouder dan 30 jaar en bijgevolg openbaar. De raadpleging is vrij.

Voorwaarden voor de reproductie

Voor de reproductie van archiefstukken gelden de voorwaarden en tarieven van toepassing in het Rijksarchief.

Toegangen

Deze inventaris geldt als de vervangende toegang voor een beknopte en met een schrijfmachine gestelde inventaris van de nummers 1 t.e.m. 44 (Centraal Dossier Rijksarchief te Brussel, 3054.01). Daarnaast bestaan er twee nadere toegangen op de 17e- en 18e-eeuwse procesdossiers (cf. supra, sectie III.C: Ordening).

Documenten met een verwante inhoud

Verwant materiaal is te vinden in het 'Archief van de Kerkelijke Rechtbank - Aartsbisdom Mechelen', bewaard in het Archief van het Aartsbisdom Mechelen-Brussel. In dat bestand, met een omvang van 7 strekkende meter en stukken van de 16e tot de 19e eeuw, zijn procesdossiers terug te vinden met gelijkaardige onderwerpen als in dit archiefbestand.
Daarnaast is er kernarchief voorhanden van de Mechelse officialiteit, waaronder rekeningen, dagingen en vonnissen (25). Gezien het feit dat heel wat Brabantse zaken deels in Mechelen werden voorbereid, is het plausibel dat in dit archiefbestand nog sporen van de Brusselse officialiteit te vinden zijn.
Daarnaast dient de onderzoeker rekening te houden met het bestaan van zaken in hoger beroep tegen uitspraken van de Brusselse officialiteit. Die dossiers worden bewaard in het bestand 'Synodale hoven van Brussel' in het Rijksarchief te Brussel (26).

Bibliografie

BERVOETS T., Het archief van de vroegmoderne officialiteit(en) in het aartsbisdom Mechelen, in Vlaamse Stam, 2018, LIV/2, p. 199-203.
BERVOETS T., Van 'fantoomtribunaal' tot volwaardige rechtbank. De moeizame totstandkoming van de Brabantse officialiteit in Brussel (1728-1762), in Pro Memorie, 2013, XV/4, p. 68-86.
DEBLON A., Les pouvoirs archidiaconaux dans l'ancien diocèse de Liège et leur exercice aux temps modernes, in Les structures du pouvoir dans les communautés rurales en Belgique et dans les pays limitrophes (XIIe-XIXe siècle). Actes, Brussel, 1988, p. 375-418.
DE BROUWER J., De kerkelijke rechtspraak en haar evolutie in de bisdommen Antwerpen, Gent en Mechelen tussen 1570 en 1795, 2 dln., Tielt, 1971-1972.
DE LE COURT M., Recueil des ordonnances des Pays-Bas autrichiens. Troisième série - 1700-1794. Tome huitième, contenant les ordonnances de 12 janvier 1756 au 28 décembre 1762, Brussel, 1894, p. 499.
ENGELS M., De godsdienstpolitiek van Maria-Elisabeth, gouvernante der Zuidelijke Nederlanden, 1725-1741, licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, 1976.
LALOIRE E., Les archives en Belgique. Notice sommaire, Brussel, 1907.
Les Archives générales du Royaume à Bruxelles. Tableau synoptique des Archives, in Revue des Bibliothèques et Archives de Belgique, 1903, I/1, p. 28-34.
MARINUS M. J., Kerkgeschiedenis (16de-18de eeuw), in ART J., red., Hoe schrijf ik de geschiedenis van mijn gemeente? Deel II: Middeleeuwen en Moderne Tijd, 12de tot 18de eeuw, Gent, 1994, p. 231-259.
PUT E., In de zak? De archiefstatus van procesdossiers uit het ancien régime, in JANSSENS G., MARECHAL G. en SCHEELINGS F., red., Door de archivistiek gestrikt. Liber Amicorum prof. dr. Juul Verhelst (Archiefinitiatie(f), 4), Brussel, 2000, p. 187-196.
SHERIDAN P., Inventaire analytique des archives des cours synodales de Bruxelles, Brussel, 1915.
VAN DEN GHEYN J., Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque royale de Belgique. Tome quatrième: Jurisprudence et Philosophie, Brussel, 1904.
VLEESCHOUWERS C. en VAN MELKEBEEK M., Liber sentenciarum van de Officialiteit van Brussel, 1448-1459, 2 dln. (Publicaties van de Koninklijke Commissie voor de Uitgave der Oude Wetten en Verordeningen van België, 7e Reeks), Brussel, 1982-1983.

Beschrijvingsbeheer

Deze inventaris werd opgesteld door Klaas Van Gelder in 2025 (27).

Begunstigden van de huwelijksdispensaties in inventarisnummer 46

Gerardus Leyman en Francisca Van Belle, 4 april 1696.
Joannes Van Win en Maria Ertryck, 10 oktober 1696.
Joannes Vande Poel en Catherina Vande Sande, 6 december 1696.
Joannes Renneboogh en Catharina Strobbe, 14 december 1696.
Gulielmus Govaert en Catharina Vanden Keer, 6 januari 1697.
Franciscus Van Nieuwenhove en Joanna Eeckhout, 17 januari 1697.
Georgius du Bois en Catharina du Bois, 22 januari 1697.
Hermetas Ruyffelaert en Anna Vanden Daele, 23 januari 1697.
Jacobus Wate en Maria Souhiez, 2 februari 1697.
Christophorus Vethongen (sic) en Joanna Boye, 3 februari 1697.
Henricus Van Asbroeck en Barbara Maes, 14 februari 1697.
Stephanus Verhoeven en Elisabetha Verhoeven, 14 februari 1697.
Adrianus Vyvermans en Anna Livens, 14 februari 1697.
Jacobus Aelbrech en Elisabetha Vandebroeck, 15 februari 1697.
Henricus Verharen en Barbara Vermeren, 20 februari 1697.
Adrianus de Winter en Maria Lieckens, 14 maart 1697.
Nicalis Rivaux en Maria Crimont, 14 maart 1697.
Petrus Van Hout en Anna Smet, 14 maart 1697.
Adrianus Roptus [Royens?] en Maria Verdicht, 4 april 1697.
Petrus Van Wyngen en Elisabetha Van Coppenelle, 10 april 1697.
Franciscus Vande Vorst en Joanna de Meyre, 10 april 1697.
Petrus Meert en Catharina Varenberghe, 11 april 1697.
Jacobus Coraert en Elisabetha den Dooeijen, 2 mei 1697.
Joannes de Bruyckere en Maria Van Heddeghem, 7 mei 1697.
Cornelius Dietens en Catharina Meutemans, 8 mei 1697.
Jacobus Lemere en Petronella d'Haen, 9 mei 1697.
Andreas du Trieu en Antonia Meuris, 9 mei 1697.
Livinus de Mulder en Joanna de Vildere, 26 maart 1697.
Aegidius Vande Juere en Joanna Heuvinck, 30 mei 1697.
Joannes de Brucker en Elisabetha de Trogh, 30 mei 1697.
Jacobus de Vos en Joanna de Vos, 5 juni 1697.
Abraham Van Gaert en Elisabetha Vanden Enden, 5 juni 1697.
Joannes Baptista Hamelinx en Catharina Nicolai, 19 juni 1697.
Joannes Tilley en Judoca de May, 14 juli 1697.
Joannes de Buysscher en Maria Aelvoet, 10 juli 1697.
Claudius Henricus Libert en Ludovica Festraes, 25 juli 1697.
Carolus Decker en Anna Rombauts, 17 augustus 1697.
Laurentius de Bleeckere en Anna Noterman, 21 augustus 1697.
Bartholomeus Van Rescegem en Catharina Peeters, 22 augustus 1697.
Petrus Judocus Foncq en Maria d'Hont, 1 september 1697.
Joannes Segers en Anna Magnys, 28 november 1697.
Joannes de Coster en Adriana Legaet, 23 januari 1698.
Adrianus Vendevogel en Elisabet de Schampen, 13 februari 1698.
Arnoldus de Smet en Petronilla Wauters, 13 februari 1698.

1Sententieboek van magister Johannes Rodolphi alias Flamingi, officiaal van Kamerijk te Brussel (1448-1452) en van zijn opvolger Johannes de Platea alias de Lira (1452-1459). 1448-1459.1 band