Name: Vredegerecht te Tienen. Overdracht 0000
Period: 1832-1970
Inventoried scope: 25,9 linear meters
Archive repository: State archives in Leuven
Heading : Justices of the Peace, Police Tribunals and Amtsgerichte
Authors: /
Year of publication: 2016
Code of the inventory: 250/28
Vredegerecht te Tienen
Tienen bestond bij haar oprichting, op 19 nivôse jaar X (9 januari 1802) uit twee gerechtelijke kantons: Tienen eerste kanton en Tienen tweede kanton. Op 5 juli 1822 werd een K.B. uitgevaardigd waarbij de beide kantons werden samengevoegd. Dit K.B. werd echter terug opgeheven op 30 december 1822 en het was pas op 8 mei 1847 dat de kantons werden samengevoegd tot één kanton. Het kanton Tienen omvatte, 8 mei 1847, de gemeenten : Bost, Boutersem, Ezemaal, Goetsenhoven, Hakendover, Hoegaarden, Honsem, Kumtich, Meldert, Neerheilissem, Neervelp, Oorbeek, Opheilissem, Oplinter, Opvelp, Outgaarden, Overlaar, Rommersom, Sint-Margriete-Houtem, Sluizen, Vertrijk, Willebringen, Wommersom, Wulmersom en Zittert-Lummen. Op 1 september 1963 (Wet van 9 augustus 1963) werden de gemeenten Sluizen, Opheilissem en Zittert-Lummen overgeheveld naar het kanton Geldenaken. Op 1 november 1970 (Wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek) werd het kanton Tienen uitgebreid met de gemeenten Attenrode, Binkom, Bunsbeek, Glabbeek, Hoeleden, Kapellen, Kerkom, Neerbutsel, Neerlinter, Roosbeek, Sint-Martens-Vissenaken, Sint-Pieters-Vissenaken, Vissenaken, Wever en Zuurbemde maar werd de gemeente Ezemaal overgeheveld naar het kanton Landen. Op 1 januari 1972 (Wet van 9 april 1971) tenslotte, werden de gemeenten Drieslinter en Linter overgeheveld naar het kanton Tienen.
Al in de middeleeuwen kenden grote delen van West-Europa het fenomeen 'vrederechter'; zij werden bijvoorbeeld vredemaecker, peysmaecker, peisierder, paiseur of justice of the peace genoemd en werden ingezet voor de oplossing van weinig belangrijke geschillen. De organieke wet op de gerechtelijke organisatie van 16-24 augustus 1790 stelde in Frankrijk de juges de paix in. De rechtspleging in het vredegerecht werd vastgelegd in het Décret contenant réglement sur la procédure en la justice de paix van 14, 18-26 oktober 1790. Na de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door Frankrijk werden door het arrêté organique de l'ordre judiciaire en matière civile en Belgique van 2 frimaire IV (23 november 1795) de vrederechters ook hier geïnstalleerd.
De vrederechter kreeg drie belangrijke functies: een gerechtelijke, een verzoenende en een buitengerechtelijke functie. Vrederechters oordeelden in kleine geschillen en probeerden bovenal de partijen te verzoenen. Als politierechter waren ze bevoegd in strafzaken en als officier van de gerechtelijke politie spoorden ze misdrijven op, verzamelden ze bewijzen en leverden misdadigers over aan het gerecht. De vrederechter oordeelde niet alleen in burgerlijke zaken, maar had ook een ruime bevoegdheid in de willige rechtspraak (o.m. bijeenroepen en voorzitten van familieraden voor minderjarigen, ontvangen van verklaringen voor adoptie) en vervulde tal van administratieve taken.
Tot 1801 werd de vrederechter bijgestaan door twee assessoren. De tweede wet van 29 ventôse IX (20 maart 1801) bepaalde dat de vrederechter een alleensprekende rechter werd, met een plaatsvervanger. Aanvankelijk werden de vrederechters verkozen voor een in tijd beperkt mandaat door vertegenwoordigers van het volk. Pleitbezorgers werden bij het vredegerecht enkel in zeer uitzonderlijke gevallen toegelaten. Tijdens het Consulaat koos de eerste Consul de vrederechter uit een lijst van twee kandidaten, voorgedragen door l'assemblée du canton, waarin alle burgers van het kanton zetelden. Die stelde ook twee kandidaten voor de functie van plaatsvervanger voor. De vrederechter en zijn plaatsvervangers werden, in tegenstelling tot de rechters van andere rechtscolleges, benoemd voor tien jaar. Na de Belgische onafhankelijkheid werden de vrederechters door de Koning benoemd.
Het decreet van 6-27 maart 1791 voorzag dat de vrederechter een griffier kon benoemen en afzetten. Na een kort intermezzo waarin de Nationale Conventie het benoemingsrecht van de griffiers kreeg (mei 1794-november 1796), werd het opnieuw aan de vrederechter toegekend. Bij de wet op de organisatie van de rechtbanken van het jaar VIII (18 maart 1800) werd bepaald dat de Eerste Consul de griffiers van alle rechtscolleges benoemde en afzette, na de Belgische onafhankelijkheid werd dat de regering. De griffier (later: hoofdgriffier) verdeelt het werk en houdt toezicht op het griffiepersoneel. Als openbaar ambtenaar en lid van de gerechtelijke orde is hij gebonden aan de verplichtingen beschreven in omzendbrieven van ministers en procureurs-generaal. Hij is de rechterhand van de rechter, is rekenplichtig, huismeester en openbaar bewaarder van de minuten, registers, repertoria en van alle akten van het vredegerecht, van juridische documentatie en van wetten en rechtspraakverzamelingen.
Iedere vrederechter is in principe enkel bevoegd voor zijn gebied. Het decreet van 8 pluviôse IX (28 januari 1801) richtte 228 gerechtelijke kantons op in de negen Belgische departementen. Per gerechtelijk kanton was er één vredegerecht, dat in principe gevestigd in de hoofdplaats. Het decreet maakte het mogelijk om grote gemeenten over meerdere gerechtelijke kantons te verdelen. Aan de indeling in gerechtelijke kantons werd de afgelopen tweehonderd jaar herhaaldelijk gesleuteld: kantons werden gesplitst of samengevoegd, er werden er nieuwe opgericht of bestaande opgeheven. In 2016 telde België 187 vredegerechten met 229 zetels.
In burgerlijke zaken oefenden de vrederechters verschillende bevoegdheden uit: hij was zowel verzoener als rechter als openbaar ambtenaar. Het decreet van 16-24 augustus 1790 betreffende de gerechtelijke organisatie voorzag een voorafgaande verzoeningsprocedure voor alle zaken die buiten de bevoegdheid van de vrederechter lagen. Om de verzoeningsopdracht te doen slagen, werd een bureau de paix samengesteld, waarin de vrederechter samen met vier of zes assessoren zetelde. Wie naar de districtsrechtbank trok, had het bewijs nodig dat hij langs het bureau de paix was gepasseerd, anders werd de eis niet ontvankelijk verklaard. Vanaf 1801 stond de vrederechter alleen in voor de voorafgaande verzoeningsprocedure. De verplichte voorafgaande verzoening (met uitzondering voor o.m. vorderingen waarbij de Staat, de Domeinen, de gemeenten en minderjarigen betrokken waren, vorderingen inzake handelszaken en spoedeisende gevallen) hield stand tot de wet van 12 augustus 1911 (B.S. 19 augustus 1911). Het bureau van verzoeningen bij het vredegerecht werd afgeschaft op het moment dat de algemene en bijzondere bevoegdheden van de vrederechter aanzienlijk werden uitgebreid, om de procesgang efficiënter te laten verlopen. De wetgever bleef evenwel het principe van de voorafgaande verzoening promoten en maakte ze in een aantal welomschreven gevallen verplicht.
Als rechter is de vrederechter algemeen bevoegd voor burgerlijke zaken met een vordering tot een bepaald bedrag, dat uiteraard telkens door de wetgever wordt aangepast aan de reële prijzen: maximaal 100 pond in 1790, 300 BEF in 1876, en op dit moment 2500 euro. Het KB nr. 63 van 13 januari 1935 (B.S. 20 januari 1935) kende aan de vrederechter ook bevoegdheid toe in handelszaken (vooral inzake betwistingen omtrent daden van koophandel), voor bedragen tot 1000 BEF.
De bijzondere bevoegdheid van de vrederechter werd, vooral vanaf de tweede helft van de 19de eeuw, systematisch uitgebreid. We sommen hier enkel de belangrijkste bevoegdheden op. De vrederechter mag, ongeacht het bedrag van de vordering, oordelen over geschillen inzake huishuur, handelshuur- en pachtovereenkomsten, verkoop op afbetaling, arbeidsongevallen, kinderbijslagen en sociale bijslagen. Voorts is hij bevoegd inzake hoogdringende onteigening voor het algemeen belang, militaire opeisingen en ruilverkavelingen. Voorts heeft hij een beperkte bevoegdheid in handelszaken en een vrij ruime bevoegdheid inzake de toekenning van onderhoudsuitkeringen.
Vrederechters vervullen van bij het begin, naast hun opdracht als rechter, nogal wat administratieve taken. In het vakjargon heet dat de 'willige rechtsmacht' (la juridiction gracieuse, de oneigenlijke rechtspraak). Oorspronkelijk beperkte de willige rechtsmacht van de vrederechter zich tot het voorzitten van familieraden, de zegelleggingen en de ontzegelingen. Net als zijn bijzondere bevoegdheden, breidde zijn willige rechtsmacht zich in de loop van de 19de eeuw aanzienlijk uit. De wetgever liet de vrederechter onder meer tussenkomen inzake familierecht (onderhoudsgeld, adoptie, (pleeg)voogdij, familieraad voor huwelijkstoestemming), inzake 'geesteshygiëne' (voogdij, sekwestratie ten huize, voorlopige bewindvoering), inzake de notariële praktijk (openbare verkopingen, zegelleggingen, familieraad voor toestemming tot verkoop van onroerend goed) en inzake akten van bekendheid en beëdigingen.
Nogal wat vrederechters traden ook op als politierechter. De Wet van 1 mei 1849 inzake de politierechtbanken breidde de bevoegdheden van de politierechter aanzienlijk uit, onder meer met een aantal eenvoudige wanbedrijven (landloperij, bedelarij, smaad; wanbedrijven tegen het Veldwetboek; overtredingen tegen de wetten en reglementen betreffende de grote wegenis, de verkeerspolitie, de vervoerdiensten, de posterijen en de barelen; overtredingen van besluiten inzake maten en gewichten; inbreuken tegen de provinciale reglementen en verordeningen). Voorts kregen ze zaken van de correctionele rechtbank toegewezen waarvan de rechter op grond van het rekwisitoor van het OM of van het verslag van de raadkamer oordeelde dat de correctionele straffen konden worden verlaagd tot het niveau van de politiestraffen (de zgn. contraventionalisering). De vrederechter kreeg tot slot de exclusieve bevoegdheid voor overtredingen tegen de wetten betreffende het beheer, de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte. Met de invoering van het Belgisch Strafwetboek in 1867 werd de bevoegdheid van de politierechtbank nogmaals gewijzigd en uitgebreid. Tweede boek, titel X geeft een systematisch overzicht van alle feiten die door politiestraffen strafbaar worden gesteld. De politierechter neemt voortaan, naast de overtredingen opgesomd in het Strafwetboek, kennis van alle misdrijven die door bijzondere strafwetten met politiestraffen werden bestraft en van misdrijven die door de onderzoeksgerechten naar de politierechtbank worden verwezen door de invoering van het systeem van de verzachtende omstandigheden in de correctionele zaken. Voorts werd de politierechter exclusief bevoegd voor de bestraffing van misdrijven inzake ruraal recht (als diefstal van veldvruchten), boswetgeving, jacht, riviervisserij, openbare netheid, dierenbescherming en natuurbehoud. Na de invoering van de schoolplicht in 1921 kwamen daar nog de inbreuken tegen de wetgeving op de schoolplicht bij (gedeelde bevoegdheid met de kinderrechter). De maximumstraf die de politierechter kon uitspreken, werd verhoogd van vijf naar zeven dagen gevangenisstraf en van 15 naar 25 BEF boete.
Na de Tweede Wereldoorlog breidde de bevoegdheid van de politierechter verder uit. De gerechtelijke hervorming van 1967-1970 gaf de politierechtbank een volwaardig statuut. Met de invoering van het Gerechtelijk Wetboek werden twintig politierechtbanken opgericht, waar één of meer rechters uitsluitend fungeerden als politierechter. 124 vrederechters moesten hun strafrechtelijke bevoegdheid afstaan. In 99 gerechtelijke kantons (op 223) fungeerden de vrederechters verder beurtelings als politierechter.
De wet van 11 juli 1994 wijzigde het strafrecht en het strafprocesrecht ingrijpend. Ze breidde de bevoegdheden van de politierechtbank andermaal aanzienlijk uit met alle verkeersmisdrijven, ook die met dodelijke afloop. De burgerlijke en strafrechtelijke verkeerszaken werden onttrokken aan de bevoegdheid van de vredegerechten. Door de beslechting toe te vertrouwen aan gespecialiseerde magistraten wilde de wetgever de achterstand in de rechtsbedeling wegwerken. Het aantal politierechtbanken werd opgetrokken van 20 naar 32.
Een eerste overdracht naar het Algemeen Rijksarchief gebeurde door het parket bij de politierechtbank in april 1958, een eerste blok van het vredegerecht zelf volgde al snel in september 1958. Een nieuwe overdracht kwam er in 1967. In 1986 legde het parket van de procureur van Leuven archief neer van het vroegere politieparket van Tienen. Deze blokken werden in 1989 naar het Rijksarchief van Beveren overgebracht. In 1995 werden er zes repertoria neergelegd. Minuten van vonnissen van strafzaken van Tienen werden in 2001 door de Leuvense politierechtbank neergelegd. In 2003 werd archief van het parket bij de politierechtbank via de rechtbank van eerste aanleg van Leuven in Beveren gedeponeerd. In 2011 werd het archief van het vredegerecht van Tienen van Beveren naar het Rijksarchief Leuven overgebracht.
I. Stukken van algemene en administratieve aard
-kopieboeken (met minuten van uitgaande briefwisseling, chronologisch ingeschreven)
-statistische documenten
-rondzendbrieven van de procureur des Konings.
II. Stukken in verband met de rechtspleging
-rollen (helaas zijn bij heel wat vredegerechten de 19de-eeuwse algemene rollen geheel of gedeeltelijk verloren gegaan)
-de minuten van vonnissen en akten in burgerlijke zaken (vormen in het ene vredegerecht twee afzonderlijke reeksen, terwijl ze in het andere in één doorlopende chronologische reeks zijn verzameld)
-de minuten van vonnissen in strafzaken
-de algemene zittingsbladen (werden door sommige griffiers samen met de minuten van de vonnissen in chronologische volgorde gebundeld)
-repertoria (helaas zijn bij heel wat vredegerechten de 19de-eeuwse repertoria geheel of gedeeltelijk verloren gegaan;
-alfabetische indices op naam van de partijen
-Specifiek voor de verzoeningsprocedure: het register van de verzoeningen en de processen-verbaal van verzoening en van niet-verzoening. Na de invoering van het Gerechtelijk Wetboek (1 november 1970) komt daar nog het register van de verzoekschriften bij (chronologisch genoteerde verzoeken inzake aanstelling van een deskundige, aanwijzing van een voorlopig bewindvoerder voor geesteszieken, machtiging tot hypothecaire inschrijving voor de ontvanger van registratie en domeinen...)
-registers van vrijwillige verschijning en de registers van verschijning na dagvaarding (ingevoerd in 1844 en tot begin 20ste eeuw als basis gebruikt voor het opstellen van gerechtelijke statistieken)
III. Stukken in verband met de willige rechtsmacht
-verklaringen van arbeidsongevallen (al dan niet in een register) en processen-verbaal van overeenkomst (allebei ingevoerd in het kader van de uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 1903)
-kiezerslijsten (voor 1919);
-voogdijregisters of voogdijstaten met aangehechte stukken (jaarlijks ingebonden afschriften van de processen-verbaal van familieraden, ontsloten via de minuten van vonnissen en akten in burgerlijke zaken). Na de invoering van het Gerechtelijk Wetboek worden de voogdijregisters aangevuld met dossiers van familieraden en, in verband met de bescherming geesteszieken, de dossiers en het register van voorlopige bewindvoering.
Taal en schrift van de documenten
De stukken zijn in het Nederlands en in het Frans.
Parallel met de inventarisatie in 1996 werd, met de goedkeuring van de hoofdgriffier, overgegaan tot vernietiging van de volgende bescheiden: briefwisseling (1853-'70), registers van uitgaande stukken (1829-1841), registers van inkomende stukken (1859-1871), registers van rechten in strafzaken (1890-1935), aanwezigheidsregisters (1891-1926), registers van ontvangsten (1896-1933), klappers op notitieregisters (1935-1943), kennisgevingen aan de procureur des Konings betreffende strafzaken (1850-1853), kopieboeken (1926-1934) en een plumitif (1872-1889).
Toekomstige aangroei is voorzien.
Stukken ouder dan 30 jaar en niet-privacygevoelig zijn vrij raadpleegbaar. Stukken ouder dan 30 jaar en privacygevoelig zijn enkel in te kijken na toestemming van de Algemeen Rijksarchivaris of zijn gemachtigde. Indien de vraagsteller geen betrokken partij is of rechtzoekend burger moet die ook een onderzoeksverklaring invullen. De raadpleging en/of reproductie is voor privacygevoelige stukken is enkel toegelaten voor:
•de betrokken partijen
•in het kader van een proces of een betwisting: de verwanten in rechtstreekse lijn - ascendenten of descendenten - van één van de partijen, de gemandateerde advocaten of notarissen, de ministeriële ambtenaren en ieder persoon die door de wet hiertoe gemachtigd is
•onderzoekers die het wetenschappelijk karakter van hun opzoekingen kunnen aantonen (studenten hebben een brief van hun promotor nodig)
Stukken jonger dan 30 jaar zijn enkel in te kijken met toestemming van de hoofdgriffier van de rechtbank
De (algemene) rol van de hoven en rechtbanken zetelend in burgerlijke zaken is openbaar (Gerechtelijk Wetboek, art. 719).
Stukken betreffende strafzaken zijn vrij raadpleegbaar na 100 jaar. Stukken jonger dan 100 jaar kunnen enkel ingekeken na toestemming van de procureur-generaal.
Voor de reproductie gelden de voorwaarden in tarieven van toepassing in het Rijksarchief.
VELLE, K. Het vredegerecht en de politierechtbank (1795-1995). Organisatie, bevoegdheden en archiefvorming (Miscellanea Archivistica. Studia 76) Brussel, 1995.
Een eerste inventarisatie gebeurde in 1966 door Hugo De Schepper in het Algemeen Rijksarchief. In 1996 werd het bestand definitief geïnventariseerd door Eva Muys (E. Muys, Inventaris van de archieven van de vredegerechten van Vlaams-Brabant (1898-1975), Brussel, 1996, p. 129-144). De latere overdrachten uit 1995 en 2003 (politieparket) werden aan dit bestand toegevoegd, respectievelijk met de nummers 444-449 en 407-443. De tekst over bevoegdheden en activiteiten en over de inhoud werd overgenomen uit Marij Preneel, Overzicht van de archieven in het Rijksarchief te Beveren. Archiefvormers van het ressort Vlaanderen, Brussel, 2006, p. 175-190. De retroconversie van de inventaris gebeurde door Ilse Geudens; Marc Carnier zorgde voor een laatste redactie.
| 1 - 6 | Algemene rol van zaken. 1889-1932, 1940-1958. | ||||||||
| 1 | 1889 december 12 - 1902 juni 21. | 1 deel | |||||||
| 2 | 1902 juni 25 - 1919 juli 31. | 1 deel | |||||||
| 3 | 1919 augustus 2 - 1925 juli 24. | 1 deel | |||||||
| 4 | 1925 juli 31 - 1932 mei 24. | 1 deel | |||||||
| 5 | 1940 februari 28 - 1951 mei 24. | 1 deel | |||||||
| 6 | 1951 juni 6 - 1958 juni 13. | 1 deel | |||||||
| 7 - 33 | Register van vrijwillige verschijning. 1906-1912, 1914-1950. | ||||||||
| 7 | 1906 augustus 4 - 1908. | 1 deel | |||||||
| 8 | 1909 - 1910 juni 4. | 1 deel | |||||||
| 9 | 1910 juni 4 - 1911 maart 18. | 1 deel | |||||||
| 10 | 1911 maart 22 - 1911 september 6. | 1 deel | |||||||
| 11 | 1911 september 9 - 1912 april 3. | 1 deel | |||||||
| 12 | 1912 april 3 - 1912 november 6. | 1 deel | |||||||
| Met index voor de periode 1913 augustus 1-1914 juli 31. | 13 | 1914 juli 15 - 1915 juli 31. | 1 deel | ||||||
| 14 | 1915 augustus 1 - 1916 augustus 1. | 1 deel | |||||||
| 15 | 1916 augustus 1 - 1917 juli 31. | 1 deel | |||||||
| 16 | 1917 augustus 1 - 1919 juli 1. | 1 deel | |||||||
| 17 | 1919 juli 15 - 1920 april 10. | 1 deel | |||||||
| 18 | 1920 april 17 - 1921 juli 23. | 1 deel | |||||||
| 19 | 1921 juli 23 - 1924 juli 26. | 1 deel | |||||||
| 20 | 1924 augustus 1 - 1927 juli 12. | 1 deel | |||||||
| 21 | 1927 juli 15 - 1931 oktober 24. | 1 deel | |||||||
| 22 | 1931 november 14 - 1935 juni 15. | 1 deel | |||||||
| 23 | 1935 juni 2 - 1936 oktober 10. | 1 deel | |||||||
| 24 | 1936 oktober 24 - 1937 december 18. | 1 deel | |||||||
| 25 | 1938. | 1 deel | |||||||
| 26 | 1939 - 1940 maart 9. | 1 deel | |||||||
| 27 | 1940 maart 23 - 1941 maart 15. | 1 deel | |||||||
| 28 | 1941 maart 29 - 1943 december 24. | 1 deel | |||||||
| 29 | 1944 - 1945 april 21. | 1 deel | |||||||
| 30 | 1945 mei 5 - 1946 april 27. | 1 deel | |||||||
| 31 | 1946 april 27 - 1948 maart 13. | 1 deel | |||||||
| 32 | 1948 maart 27 - 1949 juni 18. | 1 deel | |||||||
| 33 | 1949 juli 2 - 1950 augustus 7. | 1 deel | |||||||
| 34 - 53 | Register van verschijning op dagvaarding. 1899-1927, 1937-1941, 1946-1950. | ||||||||
| 34 | 1899 augustus 1 - 1902 juli 9. | 1 deel | |||||||
| 35 | 1902 augustus 6 - 1905 augustus 1. | 1 deel | |||||||
| Met index. | 36 | 1905 augustus 1 - 1908. | 1 deel | ||||||
| 37 | 1909 - 1911 oktober 28. | 1 deel | |||||||
| Met index voor de periode 1911 november 8 - 1912. | 38 | 1911 november 8 - 1913 april 9. | 1 deel | ||||||
| 39 | 1913 april 32 - 1915 juli 31. | 1 deel | |||||||
| 40 | 1915 augustus 1 - 1917 april 19. | 1 deel | |||||||
| 41 | 1917 april 23 - 1919 juli 24. | 1 deel | |||||||
| 42 | 1919 juli 26 - 1920 oktober 21. | 1 deel | |||||||
| 43 | 1920 oktober 28 - 1921. | 1 deel | |||||||
| 44 | 1922 - 1923 augustus 1. | 1 deel | |||||||
| 45 | 1923 augustus 1 - 1925 juli 29. | 1 deel | |||||||
| 46 | 1925 augustus 1 - 1927 oktober 12. | 1 deel | |||||||
| 47 | 1927 oktober 12 - 1929 november 6. | 1 deel | |||||||
| 48 | 1929 november 13 - 1933 november 6. | 1 deel | |||||||
| 49 | 1933 november 9 - 1936 juni 3. | 1 deel | |||||||
| 50 | 1936 juni 29 - 1937 september 27. | 1 deel | |||||||
| 51 | 1937 oktober 4 - 1939 april 3. | 1 deel | |||||||
| 52 | 1939 april 3 - 1941 april 28. | 1 deel | |||||||
| 53 | 1946 - 1950 augustus 7. | 1 deel | |||||||
| Zie hierna minuten van akten, nrs. 54-211. | - | Zittingsbladen. 1833-1935. | |||||||