Name: Gevangenis te Sint-Gillis, 1885-1991 \ Prison de Saint-Gilles, 1885-1991.
Periode: 1885-1991
Inventarisierter Umfang: 43 laufenden Metern
Archivstandort: Staatsarchiv in Brüssel (Forest)
Rubrik : Justiz
Autoren: Gert De Prins — Harald Deceulaer — Pierre-Alain Tallier
Jahr der Publikation: 2019
Code des Inventars: I 87
Gevangenis van Sint-Gillis.
Tussen de 15de en de late 18de eeuw functioneerden meerdere gebouwen in Brussel als gevangenis. Deze gebouwen waren doorgaans in zeer slechte staat, en hadden vaak ook een heel andere functie dan de gevangenissen uit de 19de en 20ste eeuw. Gevangenissen werden tijdens het ancien régime gebruikt voor tijdelijke opsluiting, in afwachting van een proces, wegens schulden of op verzoek van familieleden, maar niet zozeer als straf na een veroordeling. De relatie tussen "binnen" en "buiten" lag ook anders in het ancien régime: gevangenissen leken soms bijna semi-publieke instellingen, ontsnappingen kwamen veelvuldig voor.
In 1521 kocht de centrale overheid een huis tegenover de Lakenhal, dat dienst zou gaan doen als Amigo of gevangenis. Het gebouw verdween tijdens het bombardement van Brussel in 1695. Henne en Wauters schrijven dat er een nieuwe Amigo werd gebouwd in 1791, maar hierover vonden we verder geen gegevens. (1)
Vanaf de 16de eeuw was ook de meer bekende Treurenberg gevangenis in gebruik. In de late 18de eeuw werd deze vooral gebruikt voor personen die opgesloten waren wegens schulden. Zowel mannen als vrouwen verbleven er. (2) Het gebouw liet zeer te wensen over, verschillende gedetineerden slaagden er in om uit de Treurenberg gevangenis te ontsnappen. (3) Ze verdween in de vroege 19de eeuw.
Daarnaast werden gevangenen zeker vanaf de 15de eeuw ook opgesloten in de Steenpoort, die werd afgebroken in 1760. (4) Vanaf dan werd de Hallepoort gebruikt als een gevangenis, voor gedetineerden die hun proces afwachtten, en voor vagebonden die gearresteerd waren in Brabant. Tijdens de Franse periode werd de Hallepoort vooral gebruikt als militaire gevangenis. (5) Er was een grote overbevolking, de ruimten waren niet geschikt, en de Hallepoort werd opgegeven als gevangenis in 1824. (6) In de 18de eeuw werd blijkbaar ook de Anderlechtse poort (van de tweede stadsomwalling) gebruikt als gevangenis waar kleine delinkwenten voor heel korte periodes werden opgesloten, (7) maar deze werd afgebroken in 1784. In de Lakense poort waren er 13 cellen die fungeerden als gevangenis van de Officialiteit, maar deze stonden leeg in 1783. (8)
Tussen 1625 en 1779 bestond ook een stedelijk Tuchthuis. Hier werden bedelaars en vagebonden opgesloten, die waren gearresteerd door de amman en personen die werden opgesloten op vraag van hun familie. In de 17de eeuw fungeerde het tuchthuis ook als woning voor vondelingen, die er vanaf negen jaar werden ingezet in de textielindustrie. (9) In de 18de eeuw bestonden de populatie van het Tuchthuis vooral uit jongeren, die op vraag van hun familie werden opgesloten. Het Brusselse tuchthuis sloot zijn deuren toen dat van Vilvoorde werd opgericht in 1779.
Vanaf de late 18de en vroege 19de eeuw ontstond er meer behoefte aan gevangenissen, door een omslag in de strafuitvoering. Tijdens het ancien régime opteerden de schepenbanken vaak voor een dubbele aanpak: enerzijds probeerden ze de sociale vrede te herstellen door het opleggen van boeten, verzoeningen en "composities", anderzijds werden lijfstraffen, verbanningen en doodstraffen uitgesproken voor diegenen die men uit de lokale gemeenschap wou verwijderen. De autoriteiten waren erg afhankelijk van de aangiftebereidheid van de bevolking en maakten een scherp onderscheid tussen gevestigden en buitenstaanders met weinig sociaal kapitaal. (10) Al in de loop van de 18de eeuw, en zeker vanaf 1750, werden lijfstraffen en verbanningen steeds vaker omgezet in gevangenisstraffen door de magistraat van Brussel. (11) Ook de Raad van Vlaanderen en de Raad van Namen spraken gevangenisstraffen uit in de tweede helft van de 18de eeuw. (12) Verschillende hervormers pleitten voor het opsluiten als gevangenisstraf. De centrale overheid verkondigde bovendien in 1779 dat alle veroordelingen voor misdrijven in verband met jacht en visvangst of verricht in bossen en wouden moesten worden omgezet in een gevangenisstraf. De verschillende strafrechterlijke reorganisaties uit de Franse tijd (1791, 3de Brumaire jaar IV en 1810) schreven ook gevangenisstraffen voor. (13)
Al snel ontstond daarom een tekort aan gevangenissen, zeker toen het Tuchthuis van Vilvoorde als militair hospitaal werd ingericht tussen 1793 en 1798. In de Franse periode waren in Brussel kortstondig twee andere gebouwen in gebruik als gevangenis: het gebouw van de oude Rekenkamer (zeker tussen 1796 en 1799) en het oude 'Simpelhuis' ('maison des insensés'), dat dienst deed als burgerlijke gevangenis. (14) Dit laatste gebouw werd afgebroken in 1819. In 1815 werd begonnen aan de bouw van een nieuwe gevangenis in Brussel, in de rue des Petits Carmes, op de plek waar voordien het klooster stond. Vanaf 1821 werd dit de belangrijkste gevangenis, eerst enkel voor burgers, vanaf 1824 ook voor militairen. Deze droeg de naam 'Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering - Maison de Sûreté Civile et Militaire'. Tot de opening van de gevangenis van Sint-Gillis in 1885 was dit de gevangenis in Brussel. In 1895 werd het gebouw afgebroken.
In de jaren veertig werd naast deze gevangenis een andere nieuwe gevangenis gebouwd voor vrouwen. In 1892 ging ook de gevangenis van de Miniemen open, die tot 1914 ook blijkbaar als vrouwengevangenis heeft gefunctioneerd. (15)
Vele gevangenissen uit de late 18de en vroege 19de eeuw waren overbevolkt, en alle categorieën gevangenen werden samen opgesloten: mannen, vrouwen, kinderen, verdachten en veroordeelden. Vanaf 1830 zal Edouard Ducpétiaux (1804-1868), inspecteur-generaal van de Belgische gevangenissen tussen 1830 en 1861, streven naar een strikte scheiding van de gevangen in een cellulair systeem. Tussen 1844 en 1895 werden tientallen gevangenissen gebouwd in België, allemaal geconceptualiseerd volgens deze nieuwe manier van denken. Gevangenen werden in principe individueel opgesloten en mochten geen contact hebben met anderen, moesten alleen werken, mochten niet met elkaar praten en moesten een kap dragen bij bewegingen in de gevangenis. (16)
De gevangenis van Sint-Gillis kan worden beschouwd als het orgelpunt van deze visie. Tussen 1874 en 1885 werd de gevangenis van Sint-Gillis gebouwd, in een tot dan nog vrij landelijke gemeente. De gevangenis is opgezet volgens een stervormige systeem en bestaat uit een centrale kern met vijf vleugels daarrond, met individuele cellen. Bewakers die in het centrum staan, kunnen dus in principe alle gangen tegelijk bewaken. Dit model is een variant van het panoptische koepelmodel ontwikkeld door de filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) en de architect William Blackburn (1750-1790), en werd in België eerder toegepast in de bouw van de gevangenis van Leuven-Centraal uit 1860. (17) Het gebouw werd ingehuldigd in juni 1885 en was toen erg modern, met gasverlichting, centrale verwarming en een ventilatiesysteem. (18) De gevangenis van Sint-Gillis was uitsluitend bedoeld voor mannen, en had een capaciteit voor ongeveer 600 personen. (19) De eerste directeur van de gevangenis was Jean Stevens (1827-1898), opvolger van Ducpétiaux als inspecteur-generaal van de Belgische gevangenissen tussen 1868 en 1876, en groot voorstander van het cellulaire systeem. (20)
Het cellulaire systeem reflecteert het klassiek-liberaal 19de-eeuws mensbeeld, waarbij een individu geïsoleerd werd bekeken en verantwoordelijk werd geacht voor zijn daden. Door eenzame opsluiting werden gevangenen geacht om tot inkeer te komen. Vanaf de late jaren tachtig van de 19de eeuw ontstond een nieuwe stroming in het penitentiair denken, onder invloed van economische, sociale, politieke en wetenschappelijke evoluties. In deze periode van economische crisis, de opkomst van de arbeidersbeweging (staking van 1886 en 1890-1893), de verstedelijking en stijgende misdaadcijfers, voelde de elites de behoefte om zichzelf en de maatschappelijke orde te beschermen.
Adolphe Prins (1845-1919), hoogleraar strafrecht aan de Université Libre de Belgique, en inspecteur-generaal van de Belgische gevangenissen van 1884 tot 1917, ontpopte zich tot één van de belangrijkste critici van het cellulair systeem. Hij wou het strafrecht ook minder op de misdaad, maar meer op de misdadiger richten, en op de sociale context waarin deze zich bevond. Hij lag aan de basis van een nieuwe manier van denken: de theorie van het Sociaal Verweer. De maatschappij moest zich niet alleen bezig houden met de repressie van "gevaarlijke elementen", maar ook met de bescherming van de "zwakken" en preventie. De verschillende categoriën moesten worden bestudeerd, geidentificeerd en streng gescheiden. Hierdoor werd de misdadiger ge-deïndividualiseerd, en de maatschappij en de Staat ging een meer regulerende spelen. De ideeën van Prins botsten op verzet bij aanhangers van de klassieke cellulaire benadering, vooral bij de al genoemde Jean Stevens, directeur van de gevangenis van Sint-Gillis. Ook het feit dat de architectuur van de pas gebouwde Belgische gevangenissen was geconceptualiseerd volgens het cellulaire denken, bemoeilijkte de vernieuwing. (21)
Toch werden een aantal hervormingen doorgevoerd door Jules Lejeune, minister van Justitie tussen 1887 en 1894, zoals de wet op de voorwaardelijke veroordeling en de wet op de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Tussen 1888 en 1930 (de wet op het sociaal verweer) kende het Belgisch gevangeniswezen een aantal hervormingen. Vooral na de eerste wereldoorlog versoepelde het cellulaire systeem, door o.a. het afschaffen van het verplicht dragen van de kap, het afbouwen van de individuele hokjes in de klaslokalen, het in gebruik nemen van gemeenschappelijke wandelplaatsen en herinvoeren van gemeenschappelijke arbeid. Drijvende kracht achter deze hervormingen was Emile Vandervelde, socialistisch minister van Justitie van 1918 tot 1921. (22)
Tijdens de eerste wereldoorlog werd een deel van de gevangenis gebruikt door de Duitse bezetter. O.a. Edith Cavell en Gabriele Petit werden er in die periode opgesloten.
In het interbellum kreeg de criminele antropologie een belangrijke plaats in de Belgische gevangenissen. Al eerder had de opkomende psychologie vragen geplaatst bij de autonomie van het individu en zijn vrije wil. Vanaf de late 19de eeuw werd misdaad in toenemende mate beschouwd als een ziekte en een symptoom van een zieke maatschappij. Misdadigers werden volgens de nieuwe criminele antropologie gedetermineerd door hun 'ras', sekse (vrouwen werden als fysiek en geestelijk minderwaardig beschouwd), anatomische eigenschappen (grootte van de schedel enz.), erfelijkheid en sociale afkomst. (23) De criminele antropologie was nauw verwant aan de biologische antropologie uit de tijd, die mensen wou meten, ordenen en classificeren in "rassen" - met het "blanke ras" bovenaan de menselijke hiërarchie. Antropologen hadden grote belangstelling voor "de primitieve anderen" die tegenover de burgerlijke mannelijke maatschappij werden geplaatst, zoals criminelen, vrouwen, personen met afwijkende lichamelijke kenmerken en Afrikanen. In Congo en Rwanda werd bijvoorbeeld in dezelfde periode vele biologische en etnografische informatie verzameld, wat leidde tot indelen van de bevolking in "stammen". (24)
In de Belgische gevangenissen werd min of meer gelijkaardige informatie geregistreerd over gedetineerden. Dr. Louis Vervaeck (1872-1943) gaf hiervoor een grote impuls, vooral door de oprichting van de antropologische laboratoria in de gevangenissen. In 1902 werd hij benoemd tot geneesheer van de gevangenis van de Miniemen in Brussel. Tussen 1903 en 1905 maakte hij daar een studie over tatoeages bij gevangenen. In 1907 richtte hij een antropologisch laboratorium op in die gevangenis, en opnieuw in 1910 in de nieuwe gevangenis van Vorst. Vanaf 1920 werden antropologische laboratoria opgericht in verschillende Belgische gevangenissen, waaronder ook in de gevangenis van Sint-Gillis. (25) De antropologische dienst van Sint-Gillis zal meer dan 9000 dossiers opstellen over individuele gevangen, met gedetailleerde studie van hun lichamelijke en psychische toestand - zeer sterk gekleurd door de concepten van die tijd (zie hieronder onder 'inhoud'), die vandaag als wetenschappelijk voorbijgestreefd worden beschouwd.
In 1938 werd in de gevangenis van Sint-Gillis een "bijzondere tuchtafdeling voor recidivisten en gewoontemisdadigers" opgericht die ongeschikt waren voor het gemeenschapsregime.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd de gevangenis gecontroleerd door de Duitsers. Zij fungeerde als Wehrmachtuntersuchunsgefängis en was de verzamelplaats voor veroordeelden. Vanuit Sint-Gillis werden twee keer per maand een transport georganiseerd van mannelijke gedetineerden naar Merksplas en Leuven. Vanaf 1942 vonden ook transporten plaats naar gevangenissen in Duitsland. (26) De archieven van de door de Duitsers gecontroleerde gevangenis bevinden zich bij de Dienst Oorlogsslachtoffers, net als de Duitse afdelingen van andere gevangenissen in België. (27)
Na de tweede Wereldoorlog speelde de gevangenis van Sint-Gillis een belangrijke rol in de bestraffing van de collaboratie. Leiders van politieke en militaire organisaties, bekende propagandisten, spionnen en legerofficieren werden er vaak opgesloten. (28) Informatie hierover kan worden gevonden in de verschillende rollen, maar zeker ook in die van het provoosthuis (aangezien de collaborateurs berecht werden door militaire rechtbanken) en in de opsluitingsdossiers en de antropologische dossiers vanaf september 1944. Resocialisatie en het opnieuw inpassen in de maatschappij was daarbij een belangrijk doel. Door de enorme toevloed van gevangenen na september 1944 kon van afzonderlijke opsluiting geen sprake meer zijn - soms zaten tien verdachten in één cel. Na 1944 ontstond daarom opnieuw (eerst noodgedwongen) een gemeenschappelijk penitentiair regime. (29)
In de jaren tachtig was de beruchte Jean Bultot adjunct-directeur van de gevangenis, die genoemd werd in de zaak van de Bende van Nijvel. In de voorbije decennia deden er zich veel spanningen voor in de gevangenis, o.a. door overbevolking en personeelsgebrek, wat leidde tot opstanden van gevangenen (o.a. in 1987 en 2009) en stakingen bij het personeel. Het archief van de gevangenis werd in de voorbije decennia totaal verwaarloosd.
Zoals alle andere gevangenissen in België bestond de gevangenis van Sint-Gillis uit verschillende administratieve afdelingen, naargelang de types gevangenen. Verdachten tegen wie een bevel tot aanhouding was uitgevaardigd werden geregistreerd in het arresthuis ("maison d'arrêt"). In het huis van bewaring ("maison de dépôt" of "maison de passage") werden vagebonden en vreemdelingen in afwachting van een uitwijzing geplaatst, net zoals passanten in afwachting van een transfert, en personen opgesloten op verzoek van de familie. Personen die beschuldigd waren, maar nog niet veroordeeld, werden geregistreerd in het justitiehuis ("maison de justice"). Veroordeelden tot een gevangenisstraf werden in het strafhuis ("maison de peines") geplaatst. Verdachte en beschuldigde militairen en personen veroordeeld door een militaire rechtbank werden geregistreerd in het provoosthuis ("maison prévôtale"). (30) Deze indeling was administratief, en vinden we terug in de grote onderdelen van het archief, maar kwam niet overeen met fysiek gescheiden vleugels van het gebouw. In de Pandectes Belges van 1909 werd gesteld dat er een "confusion absolue" bestond tussen veroordeelden en verdachten in voorhechtenis: "La maison d'arrêt proprement dite n'existe plus, elle est absorbée dans la maison pour peines". (31)
Volgens het Koninklijk Besluit van 25 maart 1885 bestond het personeel van de gevangenis van Sint-Gillis uit een directeur, twee adjunct-directeurs, een aalmoezenier, een onderwijzer en zijn adjunct, een dokter en twee adjuncten, een boekhouder, zes administratieve krachten en een magazijnier. De directeur werd benoemd via een Koninklijk Besluit. Voor de bewaking van de gevangen waren één hoofdbewaker, acht bewakers eerste klasse en 34 bewakers tweede klasse voorzien. (32)
In 1922 werd het archief van de gevangenis van Sint-Gillis tijdens de eerste wereldoorlog overgedragen door het Parket van Brussel naar het Algemeen Rijksarchief. (33) In de jaren zeventig werden nog drie registers uit WO I door de Dienst Oorlogsslachtoffers (deze inventaris, nrs. 297-299) overgedragen aan het Rijksarchief. (34)
De archieven uit de tweede wereldoorlog werden in eerste instantie verzameld door verbindingsofficieren van de Belgische Dienst voor Repatriëring na WO II. Zowel in Duitsland als in België gingen ze op zoek naar documenten die licht konden werpen op de gevangenschap en deportatie van gedetineerden en gedwongen werkkrachten tijdens WO II. Deze documenten werden samengebracht in dossiers en bij de afschaffing van de Belgische Dienst voor Repatriëring overgedragen aan de Dienst Oorlogsslachtoffers. Daar bevinden ze zich nog steeds. Binnen het Rijksarchief gaat men er van uit dat deze archieven gevormd werden door de Belgische Dienst voor Repatriëring, o.a. omdat sommige dossiers alfabetisch op persoonsnaam zijn geklasseerd en niet volgens de oorspronkelijke archiefvormer (rechtbank, gevangenis,...). (35)
De antropologische dossiers werden overgedragen in 1996. (36)
Het grootste deel van het archief dat in deze inventaris wordt beschreven werd overgedragen in 2008. Hiervoor was al meermaals aangedrongen door archivarissen van het Rijksarchief, in 1996, 2000, 2001, 2002, 2005 en 2006. (37) De overdracht gebeurde onder leiding van archivaris Emmanuel Berger, in bijzonder moeilijke omstandigheden. Vier contractuelen werden in dienst genomen om de archieven te verpakken en te beschrijven, maar in de loop van hun werkzaamheden werden vele problemen vastgesteld, qua dateringen, registers die in verkeerde reeksen waren ondergebracht... (38) Een aantal incidenten leidden tot het ontslag van één contractueel medewerker. Bij het bewerken van de overdrachtslijst voor deze inventaris werden nog vele vergissingen vastgesteld en verbeterd.
In 2010 werd nog een deel van de opsluitingsdossiers (vooral uit 1944-1946) gered door een operatie die werd opgezet vanuit het Rijksarchief, onder leiding van Pierre-Alain Tallier. Op 9 en 10 juli 2010 hebben niet minder dan 14 personeelsleden van het Rijksarchief - voorzien van beschermende pakken - een selectie gemaakt uit het beschimmelde archief. Dit werd achteraf behandeld met gammastraling. De opsluitingsdossiers werden geïntegreerd in deze inventaris.
De gevangenis van Sint-Gillis werd ingehuldigd op 15 juni 1885, en van die datum zijn ook de eerste inschrijvingen van gedetineerden, in de rollen van het strafhuis en het provoosthuis (zie hieronder nummers 56, 57 en 150). Dit archiefbestand bevat vooral de ruggengraat van de gevangenis: de dagboeken van in- en uitgeschreven gedetineerden en de verschillende reeksen opsluitingsregisters (zie hierboven onder 'bevoegdheden en activiteiten' en in de inventaris). Deze registers en de bijbehorende steekkaarten zijn een unieke bron die licht kunnen werpen op het persoonlijk traject van duizenden individuen die werden opgesloten in de gevangenis sinds 1885. Voor biografische, micro-historische of genealogische benaderingen zijn dit zeer belangrijke bronnen.
Michel Foucault heeft uitgebreid geargumenteerd dat een gevangenis een plaats is waar kennis werd geproduceerd en opgeslagen over de gevangenen. (39) In de registers werden inderdaad uitgebreide informatie genoteerd (naam, voornaam, voornaam van de vader, voornaam en naam van de moeder, beroep, burgerlijke stand, religie, leeftijd, de acten die aanleiding gaven tot de opsluiting, de veroordeling, en de datum van uitschrijving). Ook werden de fysieke signalementen opgenomen in de oudere registers (lengte, kleur haar en ogen en een beschrijving van gezicht, neus, mond, kin en de 'corpulence'). De registers hebben een alfabetische index achteraan, tot in de vroege jaren twintig. Daarna werden er alfabetische fiches aangelegd. Deze zijn bewaard en overgedragen tot in de vroege jaren zestig.
De antropologische dossiers werden bewaard voor de periode 1920-1957. Ze bevatten naast de klassieke lichaamsmetingen ook zeer rijke informatie over de gedetineerde: zijn familiale achtergrond, scholingsgraad, opvoeding, religie, 'karakter', militaire dienst, beroep, juridische voorgeschiedenis, vrijeteijdsbesteding en gezin. De impact van het antropologisch laboratorium, en vooral de kwantitatieve betekenis van de antropologische dossiers, moet echter niet worden overschat. (40) Hoewel werd voorgeschreven dat de laboratoria elke gedetineerde moesten onderzoeken die veroordeeld was tot een gevangenisstraf van minstens drie maanden, werden maar 3 à 7 % van de ingeschreven gevangenen ook werkelijk onderzocht. (41) In dit bestand worden iets meer dan 9000 dergelijke dossiers bewaard, opgemaakt tussen 1920 en 1957. Ze reflecteren uiteraard vooral de visie van de geneesheer en de opvattingen van zijn tijd, hoewel ook de versie van de gedetineerde voorkomt op de feiten waarvoor hij was opgesloten.
De archieven van de Duitse gevangenis werden al eerder overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief en beschreven door Pierre-Alain Tallier. (42) Zijn beschrijvingen worden hieronder hernomen onder punt IV A. Daar worden ook drie registers beschreven van de Duitse gevangenis bewaard, die eerder bewaard werden bij de Dienst Oorlogsslachtoffers, maar die in de jaren zeventig zijn overgedragen aan het Rijksarchief. De registers van de Belgische gevangenis tijdens WO I zitten in de gewone, algemene reeksen.
Voor de gevangenis tijdens de tweede wereldoorlog wordt het archief bewaard door de dienst Oorlogsslachtoffers. Ze worden in deze inventaris beschreven door Gert De Prins. Een bijzonder deel van het archief zijn de 1432 individuele opsluitingsdossiers of Personal-Akten. Deze omvatten niet alleen de dossiers van personen die door het Duitse militair gerecht in België zijn veroordeeld, maar ook van verdachten in voorlopige hechtenis, gijzelaars... In de dienst Oorlogsslachtoffers is een alfabetische toegang beschikbaar. (43)
Het archief van de gevangenis van Sint-Gillis vertoont enorme leemten. Sommige belangrijke reeksen, zoals bijvoorbeeld de dagboeken van in- en uitgeschreven gedetineerden, bleven onvolledig bewaard. Daarom beslisten we om de reeks registers betreffende de vrijlating van gedetineerden (fixatieboeken) te bewaren voor de jaren waarvoor de dagboeken ontbraken, hoewel die volgens de selectielijst moeten worden vernietigd (zie de Inventaris onder B. Griffie I. Algemeenheden). Door de verschrikkelijke bewaaromstandigheden in de gevangenis, kon maar een kleine fractie van de opsluitingsdossiers worden bewaard.
We weten niet waar de archieven van de administratieve commissie of van de comités van patronage zich bevinden, als deze nog zouden bestaan. (44) De archieven van de directie bleef maar zeer fragmentair bewaard, of werd niet overgedragen. Dit archiefbestand bevat geen jaarverslagen, dienstnota's van de directie, geen gegevens over het personeel van de gevangenis, de boekhouding of het gebouw. Sommige andere afdelingen van de gevangenis blijven eveneens niet gedocumenteerd, bijvoorbeeld het Genees-en Heelkundig Centrum, dat in 1958 verhuisde van de gevangenis van Vorst naar Sint-Gillis, waar evenmin archief van werd overgedragen. (45) Evenmin bevat dit archiefbestand gegevens over de arbeid in de gevangenis, de keuken of de maaltijden van de gedetineerden.
Taal en schrift van de documenten
Frans en Nederlands.
In 1960 gaf het Rijksarchief toestemming voor de vernietiging van 1,5 kubieke meter archief van de Administratieve Commissie van de Brusselse gevangenissen (formulieren voor invrijheidsstelling, 1907-1949) en het Economaat van de gevangenis (bestelbons, facturen, briefwisseling over bestellingen maar ook naamfiches, werkboekjes en loonfiches van gedetineerden) uit 1920-1940. (46)
Tijdens een gevangenisopstand in 1987 werd heel wat archief vernietigd, o.a. alle personeelsdossiers en de steekkaarten op de morele en antropologische dossier van na 1963. (47)
In 1996 bleek uit een brief van archivaris Karel Velle dat de opsluitingsdossiers van vóór WO II vernietigd waren zonder toestemming van het Rijksarchief. In dezelfde brief gaf hij toestemming voor een hele reeks bescheiden, waaronder de personeelsdossiers van niet-leidinggevend personeel, fixatieboeken, dagverslagen, aanwijzers van in- en uitgaande briefwisseling, agenda's, dossiers RSZ/RMZ, weddefiches, dienstboeken, rapportboeken geneesheer, registers bezoeken, dossiers sociale dienst, registers voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, kasboeken, kantinelijsten,.... (48)
In 2004 en 2006 gaf archivaris Rolande Depoortere opnieuw toestemming voor vernietiging van zo'n 10 kubieke meter archief uit de periode 1950-1995, waaronder de personeelsdossiers van na 1987, de indicatoren van uitgaande correspondentie (registratie van uitgaande brieven van de gedetineerden), agenda's, bevestigingen bevelen tot aanhouding, agenda's met verschijningen van gedetineerden voor de onderzoeksrechter of de rechtbank, registers van semi-detentie (over werk buiten de gevangenis), agenda's over pro-deo, P.V.'s over beroep voor de directeur van de gevangenis, registers over mutaties van gedetineerden tussen cellen in de gevangenis. (49)
In het kader van de noodoperatie in 2010 werd heel wat archief gered, maar werd tegelijk ook heel veel beschimmeld archief afgevoerd.
In 2018 werd opnieuw toestemming gegeven voor de vernietiging van 175 meter beschimmeld archief. Uit een rapport van de veiligheidsadviseur van de gevangenis bleek al in januari dat het lokaal waar dit archief was opgeslagen als ongezond werd beschouwd door de schimmel. Ook werd een gevaar voor kortsluiting gesignaleerd. Op 15 juli 2018 is er brand uitgebroken tussen het plafond en het dak, waarna de brandweer het dak open brak, om te kunnen blussen. Door het bluswater is achteraf een schimmelexplosie ontstaan, waardoor er geen andere mogelijkheid was dan het archief te vernietigen.
Aangezien de gevangenis van Sint-Gillis nog functioneert, kunnen in de toekomst in de aanvullingen worden verwacht.
De ordening van deze inventaris volgt het archiefschema van inventarissen van de gevangenissen dat gebruikelijk is in het Rijksarchief, en dat gebaseerd is op de selectielijst van Paul Drossens en de Gevangenisgids van Isabelle Rothier. (50)
Archiefdocumenten ouder dan 100 jaar zijn vrij toegankelijk. Archief van gevangenissen dat ouder is dan 30 jaar, en niet privacygevoelig, is eveneens vrij toegankelijk. Voor de raadpleging van gevangenisarchief dat ouder is dan dertig jaar maar dat wel privacygevoelig is, is de toelating nodig van de Algemeen Rijksarchivaris of zijn gemachtigde. Deze inventaris bevat nauwelijks archiefstukken jonger dan dertig jaar. Deze stukken kunnen pas worden geraadpleegd na toelating van de Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen van de FOD Justitie.
De reproductie kan gebeuren volgens de vigerende regels binnen het Rijksarchief.
Wie op zoek is naar een persoon die in de gevangenis van Sint-Gillis heeft gezeten tussen ca. 1920 en 1960, kan de alfabetische fiches raadplegen. Vervolgens kan op basis van de datum gezocht worden in de verschillende reeksen registers. In de registers wordt het misdrijf vermeld waarvoor de persoon werd opgesloten, én de rechtbank die hem heeft veroordeeld, met de datum van het vonnis. Op basis van deze datum kan vervolgens verder worden gezocht in de archieven van de betreffende rechtbank. De vonnissen van de rechtbanken worden bewaard in het Rijksarchief, sommige dossiers van gevonniste zaken ook.
De verschillende reeksen opsluitingsregisters bevatten tot ca. 1940 vaak een "signalement": een gedetailleerde lichamelijke beschrijving van de gedetineerde.
Voor de periode vóór 1920 zijn geen alfabetische fiches beschikbaar, maar zijn er in de verschillende reeksen registers wel alfabetische klappers achteraan. Voor de periode na 1960 zijn er geen alfabetische toegangen.
Het bestaan van verschillende reeksen impliceert dat eenzelfde persoon in die verschillende reeksen geregistreerd kon worden (als hij bijvoorbeeld evolueerde van verdachte naar beschuldige of veroordeelde).
AERTS K., LUYTEN D., WILLEMS B., DROSSENS P. en LAGROU P., Was opa een nazi? Speuren naar het oorlogsverleden, Tielt, 2017.
ANTOINE F., Inventaire des archives du Gouvernement provincial de Brabant. Série B, 1810-1954, Brussel, 2014 (alleen digitaal beschikbaar op de website van het Rijksarchief).
ANTOINE F., Inventaire des archives du Gouvernement provincial de Brabant. Série A,1753-1873, Brussel, 2015 (alleen digitaal beschikbaar op de website van het Rijksarchief).
BEHETS P., BOMBOIS D. en DECEULAER H., Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van de particulieren (tweede reeks), 1771-1796 (vnl. 1775-1795), Brussel, 2016.
BRUNEEL C., Une épisode de la lutte contre la mendicité et le vagabondage. La maison de correction (tuchthuys) de Bruxelles, in Cahiers Bruxellois, XI, 1966, pp. 29-72.
BRUNEEL C., Le droit pénal et son application à Bruxelles dans la seconde moitié du XVIIIe siècle, in Cahiers Bruxellois, XIV, 1969, pp. 157-178.
BUYCK J., Het gevangenispersoneel (1830-2002), in HEIRBAUT D., ROUSSEAUX X. en VELLE K. (red.), Politieke en sociale geschiedenis van justitie in België van 1830 tot heden Histoire politique et sociale de la justice en Belgique de 1830 à nos jours, Brugge, 2004, pp. 319-321.
CATTRYSE M., MARTYN G. en VAN HULLE B., Een nieuwe gevangenis op grond van nieuwe ideeën, in MARTYN G., VELLE K. (red.), 150 jaar Nieuwewandeling Gevangenis Gent (1862-2012), Gent, 2012, pp. 38-68.
CHRISTIAENSEN S., Klassieke en hedendaagse beroepen en functies in de strafuitvoering, in HEIRBAUT D., ROUSSEAUX X. en VELLE K. (red.), Politieke en sociale geschiedenis van justitie in België van 1830 tot heden Histoire politique et sociale de la justice en Belgique de 1830 à nos jours, Brugge, 2004, pp. 323-342.
COUTENIER M., Congo tentoongesteld. Een geschiedenis van de Belgische antropologie en het museum van Tervuren (1882-1925), Leuven, 2005.
DE BOCK-DOEHAERD R., Ministère de la Justice - Administration de la Bienfaisance et des Prisons, Brussel, 1988.
DE BONT R., Louis Vervaeck en de Belgische criminele antropologie, circa 1900-1940, in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 9, 2001, pp. 63-104.
DECEULAER H., Inventaris van het archief van het interneringscentrum Klein Kasteeltje, (alleen digitaal beschikbaar op de website van het Rijksarchief).
DECEULAER H. en DECLERCQ D., Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van Brussel en steden supplement, Brussel (ter perse), nr. 942.
DE PRINS G., Archieven van de Directie-generaal Oorlogsslachtoffers, in TALLIER P-A., "Sortir de la deuxième guerre mondiale?" Entre oubli, indemnisation, reconstruction et répression. Etat des sources et de la recherche. "In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog". Tussen vergeten, vergoeden, heropbouw en repressie. Beschikbare bronnen en stand van het onderzoek, Studia 131, Brussel, 2011, pp. 37-50.
DESMAELE B., HUBAUT P. en LOISELET C., Inventaire des archives de la Prison de Tournai (1821-1975), Brussel, 2004.
DESMET G. en MARTENS C., Inventaris van het archief van de commissie tot bescherming van de maatschappij in de gevangenis van Vorst, 1922-2006 (vnl. 1931-2006), Brussel, 2018, online beschikbaar op de website van het Rijksarchief.
DE WITTE A., Inventaris van het archief van de gevangenis van Vilvoorde, Brussel, 1995.
DROSSENS P., Archief van de buitendiensten van het directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen. Voorbereidend studiedossier van de archiefselectielijst, Brussel, 2009.
DROSSENS P., De archieven van de Belgische strafinrichtingen tijdens en na de tweede wereldoorlog, in: TALLIER P-A., "Sortir de la deuxième guerre mondiale?" Entre oubli, indemnisation, reconstruction et répression. Etat des sources et de la recherche. "In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog". Tussen vergeten, vergoeden, heropbouw en repressie. Beschikbare bronnen en stand van het onderzoek, Studia 131, Brussel, 2011, p. 119-133.
DROSSENS P., VAN HULLE B. en VELLE K., Het dagelijks leven in de gevangenis voor de Tweede Wereldoorlog, in MARTYN G., VELLE K. (red.), 150 jaar Nieuwewandeling Gevangenis Gent (1862-2012), Gent, 2012, pp. 70-113.
DUCHEYNE W., De gevangenis aan het Pandreitje te Brugge, 1689-1989, Brugge, 1989.
DUPONT-BOUCHAT M.S., Ducpétiaux ou le rêve cellulaire, in Déviance et Société, 1988, 12, pp. 1-27.
DUPONT-BOUCHAT M.S., Ces Lieux obscurs... Les prisons de Bruxelles vues par les visiteurs étrangers au XVIIIe et au XIXe siècle, in Les Cahiers de la Fonderie, 27, dec. 2002, pp. 9-16.
DUPONT-BOUCHAT M-S., La révolution pénale de la fin du XVIIIe siècle et ses prolongements en Belgique au XIXe siècle, in DUPONT-BOUCHAT M-S, ROUSEAUX X. en LE CLERCQ G., La Belgique criminelle. Droit, justice, société (XIVe-XXe siècles), Louvain-la-Neuve, 2006, p. 151-182.
DUPONT-BOUCHAT M-S., L'invention de la prison moderne in Idem, pp. 321-356 en La prison pénale. Modèles et pratiques "Révolution" ou "évolution"? (1775-1815), in DUPONT-BOUCHAT M-S, ROUSEAUX X. en LE CLERCQ G., La Belgique criminelle. Droit, justice, société (XIVe-XXe siècles), Louvain-la-Neuve, 2006, pp. 357-384.
DUPONT-BOUCHAT M-S., Stratégie du maintien de l'ordre en Belgique et en France au XIXe siècle: la doctrine de la défense sociale in DUPONT-BOUCHAT M-S, ROUSEAUX X. en LE CLERCQ G., La Belgique criminelle. Droit, justice, société (XIVe-XXe siècles), Louvain-la-Neuve, 2006, pp. 257-285.
FALLY N., Pour une histoire des prisons en Belgique: aperçu des sources disponibles pour la période 1870-1940, in De KOSTER M., ROUSSEAUX X., VELLE K. (eds.), Sources et perspectives pour l'histoire socio-politique de la justice en Belgique (1795-2005) Bronnen en perspectieven voor de sociaal-politieke geschiedenis van justitie in België (1795-2005), Brussel, 2010, p. 149-169.
FOUCAULT M., Discipline, toezicht en straf. De geboorte van de gevangenis, Groningen, 2018 (Franse editie 1975).
GIELIS G., Verdoelde schaepkens, bytende wolven. Inquisitie in de Lage Landen, Leuven, 2009
GLOGOWSKI I. en ROUSSEAUX X., 'Entre prisonniers, geôliers et officiers. La prison Bruxelloise à la fin du XVIIIe siècle, lieu de confrontation des pouvoirs?', paper voor Towards a new history of prison and confinement, International Workshop, 7 en 8 november 2018, Parijs, EHSS.
GREVERS H., De opsluiting van collaborateurs als proeftuin voor penitentiaire vernieuwing. Het Belgische en Nederlandse gevangeniswezen tussen 1946 en 1950, in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 24, 2011, pp. 209-232.
HARRIS V., Archives and Justice. A South-African Perspective, Chicago, 2007.
HENNE A. en WAUTERS A., Histoire de la ville de Bruxelles, III, Brussel, 1845.
HONNORÉ L., Inventaire des archives de la Prison de Charleroi (1805-1991), Brussel, 2011.
HONNORÉ L. en NGUYEN L., Inventaire des archives de la Prison de Mons (1791-1987), Brussel, 2009.
HORGE V., Inventaire des archives de la prison de Namur, 1816-2009, Brussel, 2018.
KETELAER E., Archival Temples, Archival Prisons: Modes of Power and Protection, in Archival Science, 2, 2002, pp. 221-238.
LIS C. en SOLY H., Jeugd, criminaliteit en sociale netwerken: veertiende tot twintigste eeuw, in Idem (eds.), Tussen dader en slachtoffer. Jongeren en criminaliteit in historisch perspectief, Brussel, 2001, pp. 11-49.
MAES E., Van gevangenisstraf naar vrijheidsstraf 200 jaar Belgisch gevangeniswezen, Antwerpen-Apeldoorn, 2009.
MARTENS C., Inventaris van het archief van de psychiatrische afdeling van de gevangenis van Vorst, 1922-1976, Brussel, 2014.
Pandectes Belges. Inventaire général du droit Belge, 94, Brussel, 1909.
PETITJEAN B., Inventaire des archives de la Prison de Dinant (1827-1995), Brussel, 2011.
PICRON D., Inventaire des archives de la Prison de Huy (1815-1991), Brussel, 2015.
PICRON D., Inventaire des archives de la Prison de Verviers (1816-1988), Brussel, 2015.
PICRON D., Inventaire des archives de la prison deMarche-en-Famenne (1816-1947) et du Centre d'Internement de Marche-en-Famenne (1944), Brussel, 2018.
PICRON D., Inventaire des archives de la prison de Liège (Saint-Léonard puis Lantin), 1796-1802, Brussel, 2018.
PICRON D. en VAN EECKENRODE M., Gevangenisarchief geeft zijn geheimen prijs, in Science Connection, 51, juni-juli 2016, pp. 4-7.
RODEN D., Van aanhouding tot strafuitvoering. De werking van het Duitse gerechtelijke apparaat in bezet België en Noord-Frankrijk, 1940-1944, in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 22, 2010, pp. 113-160.
RODEN D., De Personal-Akten als bron voor de Duitse repressie in bezet België (1940-1944), in TALLIER P-A., "Sortir de la deuxième guerre mondiale?" Entre oubli, indemnisation, reconstruction et répression. Etat des sources et de la recherche. "In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog". Tussen vergeten, vergoeden, heropbouw en repressie. Beschikbare bronnen en stand van het onderzoek, Studia 131, Brussel, 2011, p. 171-178.
ROTTHIER I., De gevangenisgids. Archiefgids betreffende de archieven van de Vlaamse penitentiaire inrichtingen, Miscellanea Archivistica Studia 142, Brussel, 2001.
SCHWARTZ J.M. en COOK T., Archives, Records and Power: the Making of Modern Memory, in Archival Science, 2, 2002, pp. 1-19.
TIHON C., Provinciaal bestuur Brabant Archief neergelegd in 1921-1923 "Tihon 2", Brussel, 1991.
VAN HAEGENDOORN M., Prisons de Bruxelles, Registres d'écrou, 1692-1847, Brussel, 1988 (online beschikbaar op de website van het Rijksarchief).
VANHULLE B., Geschiedenis achter slot en grendel? Bedenkingen over de Belgische en internationale gevangenishistoriografie, in DE KOSTER M., ROUSSEAUX X. en VELLE K., Sources et perspectives pour l'histoire socio-politique de la justice en Belgique (1795-2005) Bronnen en perspectieven voor de sociaal-politieke geschiedenis van justitie in België, pp. 171-190.
VELLE K., Inventaris van het interneringscentrum en de hulpgevangenis te Leuven (1808-1986), Brussel, 1998.
VELLE K., De misdaad als kwaal. Het succes van de criminele antropologie, in NYS L., DE SMAELE H., TOLLEBEEK J. en WILS K. (eds.), De zieke natie. Over de medicalisering van de samenleving, 1860-1914, Groningen, 2002, pp. 332-354.
VELLE K. en RZOSKA B., Inventaris van het archief van de gevangenis van Antwerpen (1798-1986), Brussel, 1997 .
WILLEMS B., Inventaris van het archief van de gevangenis van Mechelen, Overdracht 2017 (1845-2016), Brussel, 2018.
De inventaris werd voor het grootste deel opgesteld in 2018 door Harald Deceulaer, op basis van de overdrachtslijst. Deze overdrachtslijst bevatte zeer veel onvolkomenheden en werd sterk verbeterd. De archieven uit WO I werden beschreven door Pierre-Alain Tallier en die uit WO II door Gert De Prins.
| 427 - 430 | Aanwijzers van ingekomen correspondentie, 1976-1977, 1980. | ||||||||
| 427 | 19 november 1976 - 18 mei 1977. | 1 deel | |||||||
| 428 | 18 mei 1977 - 29 december 1977. | 1 deel | |||||||
| 429 | 29 december 1977 - 17 augustus 1978 | 1 deel | |||||||
| 430 | 30 juni 1980 - 31 december 1980 | 1 deel | |||||||
| 431 | Aanwijzer van ingekomen correspondentie met betrekking tot het strafhuis. 2 januari 1980 - 8 december 1981. | 1 deel | |||||||
| 432 | Aanwijzer van uitgaande correspondentie. 8 december 1981 - 4 juni 1984. | 1 deel | |||||||